Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/4.2.6.4
4.2.6.4 Oordeel van het Hooggerechtshof
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233727:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 20 juni 2011, 564 U.S. 410 (American Electric Power v. Connecticut). Omdat het gedaagde bedrijf beroep instelde bij het Hof, zijn de namen van de procespartijen omgedraaid.
U.S. Supreme Court 2 april 2007, 549 U.S. 497 (Massachusetts v. EPA), 528-529. Vgl. ook U.S. Supreme Court 29 juni 2015, 135 S.Ct. 2699 (Michigan v. EPA).
U.S. Supreme Court 20 juni 2011, 564 U.S. 410 (American Electric Power v. Connecticut), 424.
Idem, p. 425: ‘If EPA does not set emissions limits for a particular pollutant or source of pollution, States and private parties may petition for a rulemaking on the matter, and EPA’s response will be reviewable in federal court. The Act itself thus provides a means to seek limits on emissions of carbon dioxide from domestic powerplants – the same relief the plaintiffs seek by invoking federal common law. There is no room for a parallel track.’
Zie eerder in dezelfde zin Van der Hulle 2018c, p. 204-205.
Grossman 2018, p. 358-360.
Het voorgaande illustreert dat lagere rechters van mening verschilden over de toepassing van de political question-doctrine in klimaatzaken. Het Hooggerechtshof besloot vermoedelijk om die reden het beroep van de gedaagde bedrijven in een van de hiervoor besproken zaken wel in behandeling te nemen: American Electric Power v. Connecticut.1 Daarin koos het Hof op zijn beurt voor nóg een andere benadering.
Hoewel het Hof met de rechter in eerste aanleg van mening was dat er voor de rechter geen rol was weggelegd, ging het daarbij niet in op de political question-doctrine. Vertrekpunt bij zijn beoordeling waren de Clean Air Act en zijn eerdere oordeel in Massachusetts v. EPA.2 In die zaak had het Hof geoordeeld dat de Environmental Protection Agency (hierna: de EPA) op grond van de Clean Air Act bevoegd is de uitstoot van broeikasgassen te reguleren door het vaststellen van emissiegrenswaarden voor de uitstoot van broeikasgassen. In American Electric Power v. Connecticut voegde het Hof daaraan toe dat het voor afzonderlijke deelstaten, lokale overheden, milieuorganisaties en particulieren niet mogelijk is om bedrijven voor de civiele rechter aan te spreken voor hun uitstoot van broeikasgassen. De Clean Air Act staat volgens het Hof aan dergelijke civiele procedures in de weg:
‘We hold that the Clean Air Act and the EPA actions it authorizes displace any federal common law right to seek abatement of carbon-dioxide emissions from fossil-fuel fired power plants.’3
Deelstaten, lagere overheden, milieuorganisaties en particulieren zullen zich volgens het Hof moeten richten tot de EPA met het verzoek om het stellen van grenswaarden voor de uitstoot van broeikasgassen of om handhaving daarvan. De beslissing op een dergelijk verzoek kan wél voor de rechter worden aangevochten.4
Concreet betekent dit dat particuliere bedrijven uitsluitend bestuursrechtelijk kunnen worden aangesproken op hun uitstoot van broeikasgassen, met als vertrekpunt een aan de EPA gericht verzoek om vaststelling van emissiegrenswaarden voor de uitstoot van bepaalde broeikasgassen of om handhaving daarvan.5 In de Amerikaanse rechtspraktijk wordt in dit verband gesproken over ‘displacement’: een bijzondere wet schrijft een rechtsgang dwingend voor.6 Van een political question is daarmee echter geen sprake, nu deze benadering niet in de weg staat aan een rechterlijk oordeel, mits de juiste rechtsgang wordt gevolgd.