Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/4.2.6.3
4.2.6.3 Oordeel van de hogerberoepsrechter
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233603:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Court of Appeals (2th Circuit) 21 september 2009, 582 F.3d 309 (Connecticut v. American Electric Power), 330.
Idem, p. 325. Zie in dezelfde zin U.S. Court of Appeals (5th Circuit) 16 oktober 2009, 585 F.3d 855 (Comer v. Murphy Oil USA), 875: ‘The defendants have not shown any exclusive textual commitment of the issues in this case to a federal political branch.’
Strikt genomen is het oordeel van de hogerberoepsrechter in Comer v. Murphy Oil USA komen te vervallen nadat het rechtscollege besloot het hoger beroep alsnog en banc, dat wil zeggen voltallig, te behandelen. Zie U.S. Court of Appeals (5th Circuit) 26 februari 2010, 598 F.3d 208 (Comer v. Murphy Oil USA). Uiteindelijk werd daar echter weer van afgezien omdat een van de rechters zich verschoonde. Zie U.S. Court of Appeals (5th Circuit) 28 mei 2010, 607 F.3d 1049 (Comer v. Murphy Oil USA). Daardoor ontbrak het vereiste quorum. Dit deed het eerdere oordeel strikt genomen niet herleven. Bij gebreke van een vervangend oordeel blijft het eerdere oordeel voor dit onderzoek echter relevant.
U.S. Court of Appeals (2th Circuit) 21 september 2009, 582 F.3d 309 (Connecticut v. American Electric Power), 329. Zie in dezelfde zin U.S. Court of Appeals (5th Circuit) 16 oktober 2009, 585 F.3d 855 (Comer v. Murphy Oil USA), 875: ‘Mississippi and other states’ common law tort rules provide long-established standards for adjudicating the nuisance, trespass and negligence claims at issue.’
U.S. Court of Appeals (2th Circuit) 21 september 2009, 582 F.3d 309 (Connecticut v. American Electric Power), 332. Zie in dezelfde zin U.S. Court of Appeals (5th Circuit) 16 oktober 2009, 585 F.3d 855 (Comer v. Murphy Oil USA), 875: ‘The policy determinations underlying those common law tort rules present no need for nonjudicial policy determinations to adjudicate this case. Nor would the […] adjudication of this case express or imply any lack of the respect due coordinate branches of the federal government. Even when a court finds that Congress has passed an unconstitutional law, there is no lack of respect for Congress’s judgment.’
De hogerberoepsrechter koos echter voor een andere koers. Anders dan de rechter in eerste aanleg had overwogen, was de derde Baker-factor volgens hem niet van toepassing. Daartoe benadrukte hij dat de vorderingen waren gebaseerd op het Amerikaanse leerstuk van de onrechtmatige daad en waren gericht tegen particuliere bedrijven. De rechter in eerste aanleg had volgens de hogerberoepsrechter een te brede strekking aan de vorderingen toegekend en de zaken ten onrechte geplaatst in het kader van het door de andere staatsmachten vast te stellen bredere klimaatbeleid.1
Ook de eerste Baker-factor was volgens de hogerberoepsrechter niet aan de orde. Naar zijn mening was niet gebleken van een grondwettelijke bepaling die de beslechting van deze zaken aan de andere staatsmachten opdraagt. De enkele omstandigheid dat het klimaatbeleid raakt aan het buitenlands beleid en de handel tussen de deelstaten was onvoldoende:
‘We find no textual commitment in the Constitution that grants the Executive or Legislative branches responsibility to resolve issues concerning carbon dioxide emissions or other forms of nuisance. Accordingly, we hold that the first Baker factor does not apply.’2,3
Met betrekking tot de tweede Baker-factor overwoog de hogerberoepsrechter dat het leerstuk van de onrechtmatige daad wel concrete en bruikbare rechtsnormen bevat om na te gaan of de bijdrage van kolencentrales, energiebedrijven en autofabrikanten aan de totale uitstoot van broeikasgassen onrechtmatig is. Anders dan de rechter in eerste aanleg had geoordeeld, was daarom ook de tweede Baker-factor niet van toepassing:
‘Well-settled principles of tort and public nuisance law provide appropriate guidance […] in assessing Plaintiffs’ claims and the federal courts are competent to deal with these issues. Defendants’ arguments to the contrary are overstated. As noted above, Plaintiffs’ complaints do not ask the district court to decide overarching policy questions such as whether other industries or emission sources not before the court must also reduce emissions or determine how across-the-board emissions reductions would affect the economy and national security. In adjudicating the federal common law of nuisance claim pleaded here, the district court will be called upon to address and resolve the particular nuisance issue before it, which does not involve assessing and balancing the kind of broad interests that a legislature or a President might consider in formulating a national emissions policy. The question presented here is discrete, focusing on Defendants’ alleged public nuisance and Plaintiffs’ alleged injuries.’4
De overige Baker-factoren waren volgens de hogerberoepsrechter evenmin van toepassing. Omdat op federaal niveau nog geen breder klimaatbeleid was vastgesteld, kon volgens hem niet worden gezegd dat de rechter met een inhoudelijke beoordeling niet langer de binnen de trias vereiste afstand ten opzichte van de andere staatsmachten zou bewaren of politieke beslissingen van de andere staatsmachten zou doorkruisen. Om dezelfde reden was het ook niet aannemelijk dat een inhoudelijk oordeel van de rechter kon leiden tot ‘embarrassment’ als gevolg van uiteenlopende standpunten van de verschillende staatsmachten over een en hetzelfde onderwerp. De politieke gevoeligheid van de voorliggende zaken maakte dit alles volgens de hogerberoepsrechter niet anders:
‘Certainly, the political implications of any decision involving possible limits on carbon emissions are important in the context of global warming, but not every case with political overtones is non-justiciable. It is error to equate a political question with a political case. Given the checks and balances among the three branches of our government, the judiciary can no more usurp executive and legislative prerogatives than it can decline to decide matters within its jurisdiction simply because such matters may have political ramifications.’5