Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/4.2.6.5
4.2.6.5 Discussie en nasleep: Juliana v. United States (2020)
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233580:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. U.S. Court of Appeals (9th Circuit) 21 september 2012, 696 F.3d 849 (Native Village of Kivalina v. ExxonMobil); U.S. District Court (Southern District of New York) 19 juli 2018, 325 F.Supp.3d 466 (New York v. BP).
U.S. District Court (Oregon) 11 november 2016, 217 F.Supp.3d 1224 (Juliana v. United States). De rechter stelde tussentijds beroep open bij een andere rechter van hetzelfde rechtscollege. Deze tweede rechter sloot zich bij het oordeel van de eerste rechter aan. Zie U.S. District Court (Oregon) 15 oktober 2018, 339 F.Supp.3d 1062 (Juliana v. United States). Zie voor het andersluidende oordeel in hoger beroep U.S. Court of Appeals (9th Circuit) 17 januari 2020, 947 F.3d 1159 (Juliana v. United States), waarover ook hierna.
Zie over de vraag of uit de Amerikaanse Grondwet een dergelijk grondrecht voortvloeit bijv. Mank 2018. Vgl. ook Levy 2019, p. 500: ‘The Juliana litigation is one of the most high-profile climate change lawsuits in recent years.’
U.S. District Court (Oregon) 11 november 2016, 217 F.Supp.3d 1224 (Juliana v. United States), 1238.
U.S. Court of Appeals (9th Circuit) 17 januari 2020, 947 F.3d 1159 (Juliana v. United States).
Idem, p. 1170: ‘A declaration, although undoubtedly likely to benefit the plaintiffs psychologically, is unlikely by itself to remediate their alleged injuries absent further court action.’
Idem, p. 1171-1172.
Idem, p. 1174 (nt. 9): ‘Contrary to the dissent, we do not find this to be a political question, although that doctrine’s factors often overlap with redressability concerns.’ Zie ook p. 1175: ‘The plaintiffs have made a compelling case that action is needed; it will be increasingly difficult in light of that record for the political branches to deny that climate change is occurring, that the government has had a role in causing it, and that our elected officials have a moral responsibility to seek solutions. We do not dispute that the broad judicial relief the plaintiffs seek could well goad the political branches into action. We reluctantly conclude, however, that the plaintiffs’ case must be made to the political branches or to the electorate at large, the latter of which can change the composition of the political branches through the ballot box.’
Voor de zojuist besproken zaken tegen de exploitanten van kolencentrales, energiebedrijven en autofabrikanten had dit oordeel van het Hooggerechtshof belangrijke gevolgen: deze zaken werden na terugverwijzing wederom afgewezen, zij het deze keer niet met een beroep op de political question-doctrine, maar onder verwijzing naar de Clean Air Act en het oordeel van het Hof in American Electric Power v. Connecticut. Hetzelfde geldt voor in de tussentijd aanhangig gemaakte vergelijkbare procedures.1
Toch is met dit alles de discussie over de toepassing van de political question-doctrine in klimaatzaken nog niet geheel ten einde. Bij het ontbreken van de mogelijkheid om particuliere bedrijven rechtstreeks voor de civiele rechter aan te spreken op hun bijdrage aan de uitstoot van broeikasgassen, zijn burgers hun pijlen – net als in Urgenda – alsnog gaan richten op de overheid. Een belangrijke zaak hierover is Juliana v. United States.2 Deze zaak is aanhangig gemaakt door jongeren die menen dat afzonderlijke deelstaten en de federale overheid te weinig maatregelen nemen om de uitstoot van broeikasgassen te doen verminderen en de negatieve gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Daarbij stellen de jongeren zich op het standpunt dat uit de Amerikaanse Grondwet een recht voortvloeit voor alle Amerikaanse staatsburgers op een goed en gezond leefklimaat. Dit recht zou volgens hen in het bijzonder kunnen worden afgeleid uit de Due Process Clause van het Vijfde Amendment.3
Met een vergelijkbare overweging als de hogerberoepsrechter in de hiervoor besproken zaken tegen bedrijven heeft de rechter in eerste aanleg het beroep van de deelstaten en de federale overheid op de political question-doctrine in reactie op het betoog van de jongeren afgewezen. Volgens de rechter in eerste aanleg gaat het in dit geval niet om een geschil dat grondwettelijk gezien aan de andere staatsmachten is voorbehouden, ontbreekt het niet aan concrete en bruikbare rechtsnormen, en zou een inhoudelijk oordeel geen beleidsbeslissingen met een politiek karakter vergen. Daarbij wees hij een vergelijking met de hiervoor besproken beslissingen die wel als een political question zijn aangemerkt uitdrukkelijk van de hand:
‘Climate change policy has global implications and so is sometimes the subject of international agreements. But unlike the decision to go to war, take action to keep a particular foreign leader in power, or give aid to another country, climate change policy is not inherently, or even primarily, a foreign policy decision. Moreover, in the foreign policy context, Baker expressly warned against framing the textually committed inquiry too broadly.’4
Ook de andere formele bezwaren van de deelstaten en federale overheid, waaronder het bezwaar dat de jongeren onvoldoende belang en daarom geen standing hebben, gingen volgens de rechter in eerste aanleg niet op.
De hogerberoepsrechter koos onlangs echter voor een andere koers.5 Anders dan de rechter in eerste aanleg, achtte hij een inhoudelijke beoordeling niet mogelijk. Opvallend is dat hij dit niet deed omdat hij meende dat sprake was van een political question, maar wegens het ontbreken van standing. Daartoe overwoog hij dat, ook indien zou worden aangenomen dat uit de Ameri- kaanse Grondwet een recht voortvloeit op een gezond leefklimaat, een verklaring voor recht dat de Amerikaanse overheid en deelstaten in strijd met dat grondrecht handelen door na te laten maatregelen te treffen om de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan op zichzelf niet zou volstaan.6 In dat geval zou ook de vaststelling van een gedetailleerd plan met maatregelen noodzakelijk zijn om de uitstoot van broeikasgassen te doen verminderen en de negatieve gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. De vaststelling van een dergelijk plan is echter niet aan de rechter, maar aan de andere staatsmachten en de wetgevers van de deelstaten. Nu het voor de rechter onmogelijk is om een dergelijk plan met maatregelen vast te stellen, kunnen de jongeren met deze procedure volgens de hogerberoepsrechter niet het door hen beoogde resultaat bereiken:
‘There is much to recommend the adoption of a comprehensive scheme to decrease fossil fuel emissions and combat climate change, both as a policy matter in general and a matter of national survival in particular. But it is beyond the power of an Article III court to order, design, supervise, or implement the plaintiffs’ requested remedial plan. As the opinions of their experts make plain, any effective plan would necessarily require a host of complex policy decisions entrusted, for better or worse, to the wisdom and discretion of the executive and legislative branches. These decisions range, for example, from determining how much to invest in public transit to how quickly to transition to renewable energy, and plainly require consideration of competing social, political, and economic forces, which must be made by the People’s elected representatives, rather than by federal judges interpreting the basic charter of Government for the entire country.’7
Volgens de hogerberoepsrechter ontbrak het daarom aan het vereiste belang.
Hoewel de hogerberoepsrechter geen political question aanwezig achtte, komt deze redenering daar wel dicht bij in de buurt.8 Sterker nog: de nadruk op de al dan niet te treffen maatregelen en de daarvoor vereiste politieke besluitvorming was voor de rechter in eerste aanleg in de hiervoor besproken klimaatzaken tegen particuliere bedrijven reden om, onder verwijzing naar de derde Baker-factor, wél een political question aanwezig te achten. Ik kom daar in het volgende hoofdstuk op terug.