RvdW 2025/31:Te hard rijden, art. 62 jo. bord A 1 bijlage I RVV 1990. Redelijke termijn in feitelijke aanleg, betekening van verstekmededeling in eerste aanleg. Kon hof oordelen dat geen sprake is van overschrijding van redelijke termijn? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. Redelijke termijn a.b.i. art. 6 lid 1 EVRM is in feitelijke aanleg overschreden. In het licht van opgelegde geldboete van € 800 volstaat HR met oordeel dat redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. CAG: Uit stukken blijkt dat meerdere malen is gepoogd verstekmededeling uit te reiken op BRP-adres van verdachte. Omdat aldaar geen uitreiking heeft kunnen geschieden, is verstekmededeling uitgereikt aan autoriteit van welke zij is uitgegaan. Niet blijkt dat overeenkomstig art. 36e lid 2 sub b Sv door (medewerker van) OM afschrift van verstekmededeling is verzonden naar BRP-adres. Van rechtsgeldige betekening van verstekmededeling is dan ook geen sprake. Eerst door het in persoon uitreiken van verstekmededeling op 29 maart 2022 heeft zich omstandigheid a.b.i. art. 408 lid 2 Sv voorgedaan waaruit voortvloeit dat verdachte bekend is geworden met vonnis Ktr van 30 september 2020. Van rechtsgeldige betekening van verstekmededeling binnen een jaar is geen sprake, zodat redelijke termijn is overschreden. Volgt verwerping.