Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/9
Juist oordeel hof dat verdachte, getrouwd met aangeefster volgens islamitische maar niet voor Nederlandse wet, niet kan worden aangemerkt als ‘echtgenoot’ ex art. 316 lid 1 Sr en dat OM ontvankelijk is in vervolging.
HR 26-11-2024, ECLI:NL:HR:2024:1702
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26 november 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, R. Kuiper
- Zaaknummer
22/03923
- Conclusie
A-G mr. A.E. Harteveld
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Personen- en familierecht / Huwelijk, relaties en echtscheiding
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1702, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑11‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:844, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑09‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑06‑2023
- Wetingang
Art. 90octies, 316 lid 1 en 2, art. 350 lid 1, art. 353 Sr; art. 1:68 lid 1, art. 10:31 lid 1 en 4, art. 10:32 BW
Essentie
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en de aangeefster zijn getrouwd volgens de islamitische wetgeving, maar niet voor de Nederlandse wet. Het hierin besloten liggende oordeel dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als een ‘echtgenoot’ in de zin van art. 316 lid 1 Sr en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat in hoger beroep door de verdediging niet is aangevoerd dat ten tijde van het tenlastegelegde feit sprake was van rechtsgeldig buiten Nederland gesloten ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.