RvdW 2025/38:(Poging tot) meerdere woninginbraken, art. 311 lid 1 onder 5 Sr. Bewijsklachten. 1. Kon hof oordelen dat verdachte degene is die op camerabeelden is te zien? 2. Kon hof oordelen dat verdachte pleger is van poging tot woninginbraak op adres A? 3. Kon hof oordelen dat verdachte pleger is van woninginbraak op adres B? 4. Kon hof oordelen dat verdachte pleger is van poging tot woninginbraak op adres D? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel v.zv. het klaagt over ’s hofs oordeel dat verdachte degene is die op camerabeelden te zien is. CAG: Hof heeft kunnen oordelen dat kleding, schoenen en fiets die op camerabeelden van verschillende feiten te zien zijn onderling overeenkomen en ook overeenkomen met kleding, schoenen en fiets die bij doorzoeking in huis van verdachte zijn aangetroffen (welke ook weer per feit onderling overeenkomen). Door hof daaraan verbonden conclusie dat verdachte degene is die te zien is op de camerabeelden is gelet hierop niet onbegrijpelijk. Ad 2. Hof heeft vastgesteld dat bewoner van adres A op 11 december 2022 omstreeks 20:32 uur gebonk en gerommel hoorde, gevolgd door harder gebonk in achtertuin. Na komst van politie is bewoner naar achtertuin gelopen, waar hij zag dat ruit was geforceerd. Hof heeft verder vastgesteld dat op beelden van deurbelcamera van woning aan adres A op die dag om 20:32 uur verdachte wordt waargenomen. In het licht van deze vaststellingen is ’s hofs oordeel dat verdachte pleger is van poging tot woninginbraak op adres A niet onbegrijpelijk. Ad 3. Hof heeft vastgesteld dat inbraak in woning op adres B plaatsvond op 4 december 2022 tussen 16:00 uur en 20:00 uur. Hof heeft verder vastgesteld dat verdachte op die dag rond 18:05 uur op camerabeelden, die zijn gemaakt vanuit woning aan adres C, is vastgelegd. ’s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat verdachte pleger is van woninginbraak op adres B, is niet zonder meer begrijpelijk. Aanwezigheid van verdachte in nabijheid van plaats delict in tijdvak van 4 uren waarin tlgd. voorval zich heeft voorgedaan, is op zichzelf onvoldoende om dat oordeel te kunnen dragen. Ad 4. Hof heeft vastgesteld dat op adres D poging tot woninginbraak plaatsvond op 7 december 2022. Daarnaast heeft hof vastgesteld dat op beelden van deurbelcamera van die woning een persoon is te zien en dat verdachte die persoon is. Verder heeft hof de bewezenverklaring van andere woninginbraak aangemerkt als steunbewijs voor poging tot woninginbraak op adres D. Bewezenverklaring ander feit houdt in dat verdachte zich tussen 7 december 2022 en 8 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan woninginbraak op adres E in Utrecht. ’s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat verdachte pleger is van woninginbraak op adres D in Utrecht, is niet zonder meer begrijpelijk nu hof geen nadere vaststellingen heeft gedaan over tijdvak waarop camerabeelden betrekking hebben en wat m.b.t. verdachte op die camerabeelden waarneembaar was. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders t.a.v. poging tot woninginbraak adres A.