Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.2.7
8.2.7 Rechtsvergelijkende opmerkingen
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS398523:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Klang/Gschnitzer 1968, § 900 ABGB, p. 321-322, Koziol 1968, p. 496, voetnoot 19, Harrer 1969, p. 38, Frotz 1970, p. 65-66 en p. 178 en Klang/Bydlinksi 1978, § 1063 ABGB, p. 561. Zie evenwel ook Klang/ Beclin 2011, § 897 BGB, Rn. 53 die opmerkt dat de Oostenrijkse doctrine is overgegaan tot ‘einer unreflektierten Übernahme’ van § 161 BGB, terwijl een dergelijk rechtsgevolg eigenlijk een uitdrukkelijke bepaling behoeft.
Zie daarover het slot van deze paragraaf. Dat neemt niet weg dat men deze gedachte sporadisch ook wel aantreft in de Duitse literatuur. Zie bijv. Brecht 1912, p. 266-267, Letzgus 1938, p. 1, Lempenau 1968, p. 69 en Marotzke 1977, p. 31 die ervan uit lijken te gaan dat § 161 BGB de vanzelfsprekende rechtsgevol-gen van een voorwaardelijke overdracht weergeeft. Vgl. ook Rühl 1930, p. 86: ‘Die Folge dieser bedingten Übereignung ist, daû der Veräuûerer auflösend bedingtes Eigentum behält, während der Erwerber ein Anwartschaftsrecht erlangt.’
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 454, p.456, p. 555, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 25, Rn. 44, Rn. 66-67, Rummel/Spielbüchler 2000, §§ 357-360 ABGB, Rn. 9 (waar, nogal tegenstrijdig, wordt opgemerkt dat de verkoper nog volledig eigenaar is, maar hij ingevolge de nemo-plus-regel nog slechts eigendom onder ontbindende voorwaarde kan overdragen. Bedoeld lijkt vooral dat de eigenaarsbevoegdheden nog aan de verkoper toekomen, ondanks de beperking van diens eigendomsrecht; vgl. Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 557), Klang/Leupold 2011, § 358 BGB, Rn. 44, 48, 50 en Klang/Beclin 2011, § 897 BGB, Rn. 53 (die overigens zelf vanwege het ontbreken van een met § 161 BGB vergelijkbare bepaling een systeem verdedigt zonder goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde, waarbij zij – m.i. ten onrechte – opmerkt dat per saldo geen verschil bestaat in rechtsgevolgen).
Gschnitzer 1963, p. 25, Mayrhofer 1966, p. 120 en Klang/Leupold 2011, § 358 ABGB, Rn. 44 en Rn. 50. Zie uit de rechtspraak OGH 22 februari 1972, zaaknr. 8Ob17/72, OGH 27 oktober 1972, zaaknr. 6Ob203/72 en OGH 31 januari 2007, zaaknr. 7Ob153/06k. Zie ook Spielbüchler 1981, p. 506: ‘Durch die Übergabe der Sache wird also gleischam ein später zum Vollrecht erstarkender Teil des Eigentums selbst dem Käufer schon vorweg eingeräumt.’
Zie bijv. Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 454 en p. 561. Op p. 455 lijkt een terughoudender standpunt te worden verdedigd, maar aldaar wordt slechts betoogd dat deze splitsing niet tot gevolg heeft dat de eigenaarsbevoegdheden gedurende periode van onzekerheid zijn verdeeld. Daarmee wordt bedoeld dat, afgezien van de voorwerkingen, aan het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde nog geen werking toekomt, zoals aldaar ook op p. 557 en p. 561 wordt opgemerkt. Dat stemt overeen met hetgeen hier wordt betoogd in paragraaf 8.4.2.
Zie bijv. Klang/Bydlinksi 1978, § 1063 ABGB, p. 561. Daarmee volgt het Oostenrijkse recht in feite de gemeenrechtelijke doctrine uit de 19e eeuw, waarin werd verdedigd dat een beschikking onder opschortende voorwaarde als Vorwirkung heeft dat het eigendomsrecht zelf wordt belast door de voorwaarde of wordt gesplitst. Zie voetnoot 17 en 66.
Zo ook Scheltema 2013, p. 161, die nog opmerkt dat goederenrechtelijke werking alleen zou zijn te construeren door aanvaarding van de mogelijkheid van overdracht van voorwaardelijke eigendom (zie ook Scheltema 2003, p. 313-314 en p. 321-322). Door Wiarda 1937, p. 122 werden beide constructies inderdaad als inwisselbaar beschouwd. Zie daarover echter kritisch in hoofdstuk 4, paragraaf 4.5.
Zie ook hiervoor in voetnoot 53.
Letzgus 1938, p. 1, BGB-RGRK/Steffen 1982, § 161 BGB, Rn. 1, Staudinger/Bork 2015, § 158 BGB, Rn. 3, MünchKomm-BGB/Westermann 2015, § 161 BGB, Rn. 7 en Bamberger & Roth/Rövekamp 2016, § 161 BGB, Rn. 8. Zie ook de parlementaire geschiedenis zoals weergeven door B. Mugdan, Die gesamten Materialien zum Bürgerlichen Gesetzbuch für das Deutsche Reich. I. Band. Einführungsgesetz und Allgemeiner Theil, Berlin: Decker 1899, p. 496 alwaar de Eerste Commissie spreekt van een ‘in der Gebundenheit liegende Beschränkung der Verfügungsmacht.’
Zie hiervoor in voetnoot 27.
Zie bijv. Von Tuhr 1914, p. 68 en Letzgus 1938, p. 12-13: ‘sie [bildet] im Grunde nur das Gegenstück (…) zum auflösend bedingt erworbenen Eigentum.’ Vgl. ook Henckel 1994, p. 195: ‘Das vorbehaltene Eigentum ist also offenbar ein Eigentum eigener Art, ein Eigentum, das durch eine dingliche Rechtsposition des Käufers, die von der herrschenden Meinung als Anwartschaftsrecht bezeichnet wird, beschränkt ist.’
Volgens Zwalve 2006, p. 201, voetnoot 172 hebben we hier zelfs te maken met een groter wonder dan de transsubstantiatie, aangezien daarvoor in ieder geval nog brood en wijn nodig is.
Zie bijv. Raiser 1961, p. 61 die opmerkt dat § 161 BGB ‘eine Gebundenheit des jeweiligen Eigentümers zugunsten des Anwärters [bewirkt].’ Vgl. ook Gudian 1967, p. 1787: ‘das Eigentum wird (…) durch das daneben bestehende Anwartschaftsrecht eines anderen nicht verdoppelt, sondern eingeschränkt.’ Zie ook Staudinger/Wiegand 2017, § 929 BGB, Rn. 34 die opmerkt dat uit de aanvaarding van het Anwartschaftsrecht volgt ‘dass ein um das Anwartschaftsrecht verkürztes Eigentum kein „Volleigentum“ mehr sein kann.’ In die richting ook Rühl 1930, p. 86-87.
Ph. Heck, Grundri û des Sachenrechts, Aalen: Scientia 1930, p. 90, Letzgus 1938, p. 12-14, Raiser 1961, p. 63-68, Forkel 1962, p. 164-165, Weitnauer 1965, p. 142, Gudian 1967, p. 1787, Schwerdtner 1980, p. 614, Soergel/Mühl 1991, § 455 BGB, Rn. 1, Soergel/Henssler 2002, Anh zu § 929 BGB, Rn. 69, Wiegand 2008, p. 735-736, Baur/Baur & Stürner 2009, p. 827-828, Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 357, Staudinger/Wiegand 2017, § 929 BGB, Rn. 34 en MünchKomm-BGB/Oechsler 2017, § 932 BGB, Rn. 19. Zie ook U. Diederichsen, ‘Die Industriegesellschaft als Herausforderung an das bürgerliche Recht’, NJW 1975, p. 1803 die spreekt van een ‘Verdoppelung des Sachenrechts’ en R. Schreiber, ‘Die bedingte Übereignung’, NJW 1966, p. 2334 die opmerkt dat ‘das Anwartschaftsrecht auf Eigentum nichts anderes als bedingtes Eigentum’ is. Volgens Hübner 1980, p. 730 is de splitsingsleer de heersende leer. Zo ook Staudinger/Wiegand 2017, Anh zu §§ 929 ff BGB, Rn. 26.
Met de bovengenoemde systematiek heeft het Nederlandse recht een systematiek die ook in het Oostenrijkse recht valt te ontwaren waar het aankomt op de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde. Het Oostenrijkse recht verklaart namelijk, net als het Nederlandse recht, deze werking niet door middel van de terugwerkende kracht van de vervulling van de voorwaarde en grondt haar evenmin op een wettelijke beschermingsbepaling ten gunste van degene aan wie onder opschortende voorwaarde is overgedragen, nu het Oostenrijks recht een dergelijke bepaling vreemd is.
Weliswaar knoopt een deel van de literatuur aan bij § 161 van het Duitse BGB, maar in de Oostenrijkse literatuur wordt de bepaling (onbewust) geïnterpreteerd op een wijze die niet gangbaar is naar Duits recht. Terwijl het Duitse recht, zoals hiervoor bleek, de wettelijke bepaling noodzakelijk acht om de verkrijger te beschermen tegen tussenbeschikkingen gedurende de periode van onzekerheid, omdat de vervreemder nog volledig beschikkingsbevoegd is, wordt door een aantal Oostenrijkse auteurs opgemerkt dat § 161 BGB simpelweg de gevolgen weergeeft die inherent zijn aan een voorwaardelijke beschikking, zodat die gevolgen ook gelden voor het Oostenrijkse recht, dat een met § 161 BGB vergelijkbare bepaling niet kent.1 Terwijl de heersende leer in Duitsland § 161 BGB derhalve begrijpt als een bepaling met constitutief karakter, wordt in de Oostenrijkse literatuur uitgegaan van een declaratoire strekking van de bepaling.2
In werkelijkheid volgt het Oostenrijkse daarmee een andere systematiek dan het Duitse recht, die zich echter goed laat vergelijken met het Nederlandse recht. Dat § 161 BGB volgens deze Oostenrijkse auteurs niet meer is dan een weergave van de vanzelfsprekende gevolgen van een voorwaardelijke beschikking, wordt namelijk afgeleid uit het feit dat volgens de Oostenrijkse auteurs een voorwaardelijke beschikking tot gevolg heeft dat de vervreemder gedurende de periode van onzekerheid is beperkt in diens beschikkingsbevoegdheid, omdat hij nog enkel een recht heeft dat is onderworpen aan dezelfde voorwaarde. Ook naar Oostenrijks recht wordt de consequentie getrokken dat de vervreemder nog slechts eigenaar onder ontbindende voorwaarde is, omdat de verkrijger reeds eigenaar onder opschortende voorwaarde is geworden.3 Het Oostenrijkse recht verklaart de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde derhalve door middel van een (functionele) splitsing van het eigendomsrecht, welke splitsing ook onomwonden wordt aanvaard in de rechtspraak door het OGH.4 Zowel naar Oostenrijks als naar Nederlands recht is deze splitsing niet zozeer een gevolg van de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde, maar vormt de splitsing van het eigendomsrecht een integrerend wezenskenmerk van de voorwaardelijke beschikking en is zij daarmee veeleer de oorzaak dat vervulling van de voorwaarde goederenrechtelijke werking heeft.5
Het Oostenrijkse recht gaat daarmee nog een stap verder dan het Nederlandse recht. Terwijl de splitsing van het eigendomsrecht in een eigendomsrecht onder ontbindende en opschortende voorwaarde door de Oostenrijkse literatuur en rechtspraak wordt beschouwd als een vanzelfsprekend gevolg van de (voorwerking van de) voorwaardelijke beschikking,6 biedt naar Nederlands recht artikel 3:84 lid 4 BW de benodigde wettelijke basis. Het komt mij voor dat zon der deze wettelijke basis de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde niet goed zou zijn vol te houden c.q. te verklaren.7 Zonder de wetsbepaling die bewerkstelligt dat de overdracht reeds voordien een zekere werking heeft, zou de opschortende voorwaarde immers beletten dat de over-dracht reeds rechtsgevolgen zou hebben. De vervreemder zou dan gedurende de periode van onzekerheid nog onvoorwaardelijk eigenaar zijn en zou de rechtsovergang op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat gemakkelijk kunnen frustreren door de zaak tussentijds aan een derde over te dragen. Opvallend genoeg lijkt de Oostenrijkse rechtsleer zich niet bewust van deze consequentie en lijkt zij de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde volledig als uitvloeisel te zien van de voorwerking van de voorwaardelijke beschikking.8
Zoals hiervoor is opgemerkt, kent het Duitse recht een systematiek die in zekere zin tegenovergesteld is aan die van het Nederlandse recht. Naar Duits recht staat de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde buiten kijf vanwege de wettelijke voorziening van § 161 BGB. Als gevolg daarvan heeft de koper een beschermde rechtspositie, die zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld tot een Anwartschaftsrecht.9 Naar Nederlands recht is de beschermde rechtspositie van de koper niet zozeer een gevolg van de goederenrechtelijke werking van de voorwaarde, maar haar oorzaak. Omdat aan de verkrijger reeds terstond een voorwaardelijk eigendomsrecht toekomt, heeft vervulling van de voorwaarde goederenrechtelijke werking. Maar ondanks dit verschil in uitgangspunt van de beide rechtsstelsels, staan het Duitse en het Nederlandse recht uiteindelijk minder ver van elkaar af dan het lijkt. Weliswaar neemt het Duitse recht tot uitgangspunt dat de vervreemder hangende de voorwaarde nog onvoorwaardelijk eigenaar is,10 maar aangezien § 161 BGB bescherming biedt tegen tussenbeschikkingen door de verkoper, bewerkstelligt die bepaling uiteindelijk in zekere zin een beperking van de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder.11
Wanneer men bovendien bedenkt dat de op § 161 BGB gebaseerde beperking van de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder aan de wieg heeft gestaan van de ontwikkeling van het Anwartschaftsrecht,12 nu de keerzijde van de beperking van de beschikkingsbevoegdheid immers de beschermde rechtspositie van de verkrijger is, bereikt het Duitse recht in resultaat uiteindelijk ook een met de beperking van de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder corresponderende rechtspositie van de verkrijger onder opschortende voorwaarde.13 Omgekeerd is een (vrijwel) noodzakelijke consequentie van de aanvaarding van het Anwartschaftsrecht van de verkrijger als een subjectief recht waarover kan worden beschikt dat men aanneemt dat de vervreemder nog maar beperkt beschikkingsbevoegd is, omdat anders sprake zou zijn van een curieuze vermenigvuldiging van het eigendomsrecht: voor de beschikking onder opschortende voorwaarde is de vervreemder onvoorwaardelijk eigenaar en na totstandkoming van die beschikking zou hij nog steeds onvoorwaardelijk eigenaar zijn, terwijl de verkrijger daarnaast bovendien een eigen subjectief verwachtingsrecht heeft.14 De aanvaarding van het Anwartschaftsrecht van de verkrijger heeft daarmee noodzakelijkerwijs ook haar weerslag op de positie van de vervreemder.15 Wanneer daarbij bovendien bedacht wordt dat de nadere vormgeving van het Anwartschaftsrecht in de rechtspraak en literatuur heeft geleid tot een verdeling van bevoegdheden tussen verkoper en koper, wekt het weinig verbazing dat in de Duitse literatuur geregeld wordt aangenomen dat de voorwaardelijke beschikking leidt tot een splitsing van het eigendomsrecht in een eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde en opschortende voorwaarde.16
Uiteindelijk komen het Oostenrijkse, Duitse en Nederlandse recht via verschillende wegen daarmee tot vergelijkbare uitkomsten. Om die reden acht ik het niet problematisch om in het navolgende te vergelijken met het Oostenrijkse recht en het Duitse recht waar het aankomt op de rechtspositie van de verkrijger en de nadere inpassing van diens rechtspositie in het vermogensrechtelijk systeem, zij het dat daarbij de hierboven geschetste verschillen in uitgangspunt in acht (moeten) worden genomen.