Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.2.2
8.2.2 De derdenwerking van de voorwaardelijke beschikking
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS394943:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Illustratief is dat Windscheid 1851, p. 21-22, die aan de wieg stond van de nieuwe opvatting, hiervoor geen sluitende verklaring weet te geven. Zie Schiemann 1973, p. 97-98, Radke 2001, p. 84 en Scheltema 2003, p. 200. Later werd deze visie verder ontwikkeld en werd ook aangenomen dat sprake was van een ‘Gebundenheit der Sache’. Zie bijv. Fitting 1856, p. 65-68, i.h.b. voetnoot 103 waar het aankomt op de opvatting van Windscheid, Vangerow 1863, p. 147 en Von Jhering 1871, p. 472-473, p. 494, p. 510, p. 523- 524, p. 529-530, p. 532-536. In zekere zin treft men deze visie ook nog aan in de huidige literatuur. Zie hierna in paragraaf 8.2.4.
Zie Vriesendorp 1985a, p. 52, Scheltema 2003, p. 326, i.h.b. voetnoot 31 en Stolz 2015, p. 945, p. 988, p. 993-994 en p. 1019-1021. Vgl. ook Radke 2001, p. 84.
Vriesendorp 1985a, p. 45-55, waarbij hij verwijst naar art. 1:438 lid 2 BW.
Vgl. Blomeyer 1954, p. 244: ‘Sie bildet die Grundlage für das Anwartschaftsrecht des Erwerbers.’ In gelijke zin Raiser 1961, p. 18-19, Serick 1963, p. 245 en p. 251, Soergel/Wolf 1999, § 161 BGB, Rn. 1 en Staudinger/Bork 2015, Vorbem zu §§ 158 ff BGB, Rn. 55. Zie Hoffmann 2016, p. 291 die bekritiseert dat ‘diese gesetzliche “Keimzelle” der Dinglichkeit in der Lehre vom Anwartschaftsrecht mittlerweile immer mehr zur Fuûnote wird.’
Met het verlaten van het terugwerkingsdogma en het tot uitgangspunt nemen van de gebondenheid van partijen gecombineerd met een uitgestelde werking van de opschortend voorwaardelijke rechtshandeling, ontstaat een lacune in geval van een beschikking onder opschortende voorwaarde.1 De gebondenheid van partijen kan immers wel verklaren waarom partijen gedurende de periode van onzekerheid niet eenzijdig kunnen verhinderen dat de rechtsgevolgen van de rechtshandeling intreden met het in vervulling gaan van de voorwaarde, maar kan niet verklaren waarom deze werking ook intreedt ten opzichte van derden.2
Als men namelijk blijft steken bij de constatering dat de overdracht weliswaar tot stand is gekomen, maar nog geen werking heeft, zou niet goed zijn te verklaren waarom derden de uiteindelijke werking van de overdracht op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat tegen zich moeten laten gelden. De derdenwerking van een overdracht berust gewoonlijk namelijk op het rechtsgevolg van de overdracht, namelijk de eigendomsovergang. Als A een zaak aan B overdraagt, is deze overdracht vervolgens aan C tegenwerpbaar, niet omdat tussen A en B een overdracht tot stand is gekomen, maar omdat B door deze overdracht eigenaar is geworden, terwijl dit eigendomsrecht als goederenrechtelijk recht tegenwerpbaar is aan C. Het is aldus de wijziging in toebehoren die enerzijds bewerkstelligt dat de verkrijger een aan derden tegenwerpbaar recht krijgt, terwijl de vervreemder daardoor zijn beschikkingsbevoegdheid verliest: omdat A de zaak al aan B heeft overgedragen, kan hij de zaak niet meer aan C overdragen.
Problematisch wordt dit bij een overdracht onder opschortende voorwaarde. Omdat de overdracht nog geen werking heeft, vindt er vooralsnog geen goederenrechtelijke mutatie plaats. Zonder nadere systematiek zou zich dan ook niet goed laten verklaren waarom de vervulling van de voorwaarde goederenrechtelijke werking heeft. Indien de overdracht nog geen werking heeft, zou men moeten concluderen dat de verkoper gedurende de periode van onzekerheid nog onvoorwaardelijk eigenaar is. Een tussentijdse vervreemding door de verkoper zou vervolgens verhinderen dat de koper door vervulling van de voorwaarde eigenaar wordt. Weliswaar is de verkoper gebonden aan de overdracht aan de koper, die werking verkrijgt op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat, maar aangezien het object van de overdracht niet meer aanwezig is in het vermogen van de verkoper, zou de overdracht alsnog geen effect sorteren. Evenmin zou zich een eigendomsovergang van de derde aan wie de verkoper de zaak tussentijds heeft overgedragen op de koper bij vervulling van de voorwaarde laten verklaren, nu de derde van een beschikkingsbevoegde heeft verkregen en zelf niet gebonden is aan de voorwaardelijke overdracht die de verkoper en koper tot stand hebben gebracht. Vriesendorp ziet hierin dan ook een leemte in de huidige systematiek en bepleit een wettelijke bepaling die de verkoper zou beperken in diens beschikkingsbevoegdheid, omdat ‘de verkoper na de levering aan hem [de koper; toevoeging EFV] slechts beschikkingsbevoegd [dient] te zijn indien hij handelt met toestemming van de koper onder eigendomsvoorbehoud.’3
Ook de Duitse wetgever zag hierin een lacune in de systematiek die uitgaat van het terstond tot stand komen van een opschortend voorwaardelijke rechtshandeling, maar met een uitgestelde werking. Omdat de werking van de beschikking is uitgesteld, zou de verkoper als volledig eigenaar de zaak aan een derde kunnen vervreemden, waardoor de voorwaardelijke overdracht in het water zou vallen.4 Teneinde de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde desondanks te waarborgen, is door de Duitse wetgever § 161 BGB opgenomen, die bepaalt dat een tussentijdse beschikking door de verkoper – ondanks het feit dat hij volledig eigenaar is – de eigendomsverkrijging door de koper niet kan frustreren.5 Met de bepaling is de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voor-waarde naar Duits recht gewaarborgd. Als gevolg daarvan heeft de koper een beschermde rechtspositie: zijn eigendomsverkrijging kan niet worden gefrustreerd door tussentijdse gebeurtenissen in de periode van onzekerheid. Deze beschermde rechtspositie heeft in de Duitse doctrine geleidt tot de erkenning en ontwikkeling van het Anwartschaftsrecht.6