Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.2.5
8.2.5 De betekenis van artikel 3:84 lid 4 BW
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS397343:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 318. Ik merk nogmaals (zie voetnoot 47 van hoofdstuk 4) op dat Meijers de begrippen levering en overdracht niet scherp onderscheidde. Ik ga er dan ook van uit dat met levering onder voorwaarde overdracht onder voorwaarde is bedoeld. Daarvoor pleit bovendien dat een overeenkomst niet tot levering verplicht, maar tot overdracht.
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.3.
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.3.1.
Zie ook Stolz 2015, p. 934.
E.M. Meijers, ‘Levering en rechtstitel’, WPNR 1917 (2456), p. 23.
Stolz 2015, p. 935. Anders: H.B. Reehuis 2016, p. 133.
Vgl. Mijnssen 1981, p. 646.
Zie ook T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 185, alwaar wordt opgemerkt dat bij een opschortende voorwaarde ‘de rechtshandeling eerst na (…) de vervulling der voorwaarde haar volledig gevolg [heeft]’ (curs. toegevoegd), waaruit kan worden afgeleid dat er voor die tijd ook reeds een zeker rechtsgevolg intreedt.
Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 411, Scheltema 2013, p. 161. Zie ook Verstijlen 2007, p. 825 en Rongen 2014, p. 313-314.
Vgl. Reehuis 2010, nr. 93, alwaar gesproken wordt van een doorwerking van de titel in de gevolgen van de levering, in die zin dat de levering resulteert in een recht dat aan dezelfde voorwaarde is onderworpen, welke constructie door Reehuis echter alleen wordt aanvaard voor de ontbindende voorwaarde.
Zo bijv. Stolz 2015, p. 927, p. 933, p. 939, p. 949 en p. 996 die opmerkt dat het lastig te verklaren is dat een aan een van de vereisten verbonden voorwaarde leidt tot een beperking van hetgeen wordt overgedragen. Die verklaring volgt m.i. uit de doorwerking van de modificatie van de titel of de levering in de rechtsgevolgen van de overdracht. Als gevolg van de voorwaarde die wordt verbonden aan de titel of de levering, wordt een overdracht gerealiseerd die aan dezelfde voorwaarde is onderworpen, waaraan art. 3:84 lid 4 BW vervolgens het rechtsgevolg verbindt dat een recht wordt verkregen dat aan dezelfde voorwaarde is onderworpen. Helder komt deze doorwerking tot uitdrukking in V.C. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1235.
Zwalve 2006, p. 270-271. Vgl. Scheltema 2003, p. 316.
Zie paragraaf 8.2.7.
Anders: Vriesendorp 1985a, p. 88-89 volgens wie de voorwerkingen van art. 3:84 lid 4 BW zich beperken tot het rechtsgevolg dat de koper door vervulling van de voorwaarde eigenaar wordt. Dat stemt echter niet overeen met de tekst van de bepaling, waarin tot uitdrukking komt dat een recht wordt verkregen dat aan dezelfde voorwaarde is onderworpen. Zou dit recht pas met vervulling van de voorwaarde worden verkregen, zou raadselachtig zijn waarom dit recht ondanks de vervulling van de voorwaarde nog afhankelijk zou zijn van die voorwaarde, afgezien van het feit dat in deze benadering niet valt te beredeneren hoe de goederenrechtelijke werking is gewaarborgd, waarover in de volgende voetnoot.
Zie voor het Nederlandse recht over het begrip Vorwirkung vrijwel uitsluitend Stolz 2015, p. 242-254.
Vgl. Von Tuhr 1910, p. 183-184, Von Tuhr 1918, p. 292, E. Kühne, Tatbestandsteilung, Rostock: Hinstorff 1936, p. 32, Forkel 1962, p. 59 en Flume 1962, p. 390. Zie ook Von Jhering 1871, p. 458-462 die spreekt van ‘passive Wirkungen’. Anders: Stolz 2015, p. 252-253 die de Vorwirkungen verklaart vanuit de partijwil. In een zeer algemene benadering van de partijwil is dat juist – partijen willen immers dat vervulling van de voorwaarde tot het gewenste effect leidt – maar partijen laten zich in het algemeen niet uit over de wijze waarop dat resultaat valt te bereiken. De Vorwirkungen moeten dan ook worden beschouwd als een vormgeving van de veronderstelde partijwil door de wetgever. Zie daarvoor het in de volgende voetnoot aan te halen citaat van Flume. Meer in deze zin Stolz 2015, p. 131-132.
Vgl. Flume 1992, p. 700-701: ‘In aller Regel werden bei einem bedingten Rechtsgeschäft durch das Rechtsgeschäft keine besonderen Bestimmungen darüber getroffen, was für die Zeit bis zum Eintritt der Bedingung gelten soll. Die rechtsgeschäftliche Regelung erschöpft sich vielmehr darin zu bestimmen, was im Falle des Eintritts der Bedingung gilt. Die gesetzliche Regelung für die Zeit, bis die Ungewiûheit entschieden ist, bis der zur Bedingung erhobene ungewisse Umstand eingetreten ist (…), ist zu verstehen als die Regelung der naturalia negotii des bedingten Rechtsgeschäfts. Der Sinn der gesetzlichen Regelung besteht in nichts anderem als darin, für die rechtsgeschäftliche Regelung, daû die gesetzte Rechtsfolge erst mit Eintritt der Bedingung gelten soll, betreffs des Zeitraums des Schwebens der Bedingung die kongruente rechtliche Regelung zu finden.’ In vergelijkbare zin Raiser 1961, p. 18.
Vgl. voor het Duitse recht § 161 BGB die in de literatuur algemeen wordt beschouwd als dÉ Vorwirkung van de voorwaardelijke beschikking. Zie Blomeyer 1954, p. 243-244, Schiemann 1973, p. 2, Flume 1992, p. 701, Soergel/Wolf 1999, § 161 BGB, Rn. 1, HKK-BGB/Finkenauer 2003, §§ 158-163 BGB, Rn. 20 en Staudinger/Bork 2015, § 161 BGB, Rn. 1. Anders: Stolz 2015, p. 132. Zie kritisch over deze benadering Rinke 1998, p. 29 vanwege het feit dat het rechtsgevolg van § 161 BGB pas intreedt met vervulling van de voorwaarde. Dat is weliswaar juist, maar doordat dit rechtsgevolg met vervulling van de voorwaarde noodzakelijkerwijs intreedt, leidt zij toch tot een Vorwirkung, nu dit aanstaande rechtsgevolg zijn schaduw in die zin achteruitwerpt, doordat vóór vervulling van de voorwaarde getroffen beschikkingen met vervulling van de voorwaarde ongeldig worden. Zie Georgiades 1963, p. 5.
Vgl. Flume 1962, p. 408 die spreekt van de ‘Rechtsstellung, die sich aus der rechtlichen Gewährleistung des Eigentumserwerbs für den Fall des Eintritts der Bedingung ergibt.’
Vgl. reeds Fitting 1856, p. 64-68 die de ‘Gebundenheit der Sache’ beschouwde als de Vorwirkung van de voorwaardelijke beschikking. Zie i.h.b. p. 102: ‘Hier [met betrekking tot de Vorwirkung bij eigendom; toevoeging EFV] ist vor Eintritt des entscheidenden Umstandes (…) schon eine rechtliche Wirkung vorhanden. Die Sache selbst nämlich ist in einem Zustand rechtlicher Gebundenheit.’ Zie ook de analyse van Klang/Beclin 2011, § 897 ABGB, Rn. 53 voor het Oostenrijkse recht, die de splitsing van het eigendomsrecht beschouwt als een ‘dingliche Vorwirkung.’
Vriesendorp 1985a, p. 30, Kortmann 1992, p. 211, Zwalve 2006, p. 272, Peter 2007, p. 137-138, Wibier 2013, p. 288-290, Kok 2015, p. 689, Nieuwesteeg 2015, p. 170 en p. 173, Wibier 2016, p. 214 enA.F. Salomons & G.á.C. Orbán in hun noot onder HR 3 juni 2016, INS 2016, 206. Door een aantal van deze auteurs wordt daarbij opgemerkt dat art. 3:84 lid 4 BW niet meer bepaalt dan dat vervulling van de voorwaarde eigendomsovergang bewerkstelligt. Zij laten daarbij na te onderbouwen hoe een dergelijk rechtsgevolg zou kunnen plaatsvinden, indien de overdracht voordien nog geen enkel effect sorteert. De onvoorwaardelijk eigendomsverkrijging van de koper is namelijk uitsluitend gegarandeerd omdat hij terstond een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkrijgt, als gevolg waarvan de verkoper nog slechts een eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde heeft.
Zie met name Stolz 2015, p. 933-936 en H.B. Reehuis 2016, p. 121-145. Vgl. ook Zwalve 2006, p. 272, voetnoot 131 volgens wie Meijers dit een ‘dwaasheid’ zou vinden, waarbij hij verwijst naar Meijers 1948, p. 285 waar echter niet meer te lezen valt dan dat Meijers het een dwaasheid vond om in een algemene rechtsleer een onderscheid te maken tussen de vestiging van een pandrecht en de zekerheidsoverdracht, waarbij de positie van de zekerheidsgever tegen derden was beschermd, omdat de positie van de betrokkenen in beide constructies zozeer hetzelfde is dat ‘er geen enkele grond is om hier twee verschillen zekerheidsrechten van geheel verschillen constructie aan te nemen.’ Een dergelijk conceptueel onderscheid tussen twee in wezen gelijksoortige rechten is volgens Meijers dwaas, wanneer men de doelmatige ordening van de rechtsstof voorop stelt. Met de splitsing van eigendom bij een voorwaardelijke overdracht heeft dat nietsvan doen. De beschouwingen op p. 91 lijken er veeleer op te wijzen dat Meijers gedurende de periode van onzekerheid wel reeds van een bestaand recht zou willen spreken, waarover bovendien zou kunnen worden beschikt. Zie bovendien p. 281-282 alwaar de eigendomsoverdracht onder voorwaarde wordt besproken in het kader van afsplitsing van rechten.
W. Snijders, ‘Boekbespreking’, WPNR 2006 (6689), p. 831.
Faber 2007, p. 52 en Rongen 2014, p. 312. Zie ook Stolz 2015, p. 936-938 die opmerkt dat alles erop wijst dat de wetgever art. 3:84 lid 4 BW als noodzakelijke grondslag is gaan zien voor de goederenrechtelijke werking. Zie ook HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser), rov. 4.2.2-4.2.3. Vgl. ook de notitie van Van Ewijk d.d. 20 augustus 1969, p. 28-30 (te raadplegen in het Nationaal Archief te Den Haag via archiefinventarisnummer 2.09.75 en inventarisnummer 2192) die opmerkt dat de koper ingevolge art. 3:84 lid 4 BW eigenaar onder opschortende voorwaarde wordt en de verkoper dus gedegradeerd wordt tot eigenaar onder ontbindende voorwaarde, waarmee “aan Meijers’ constructie van het voorwaardelijke (eigendoms)recht” (onderstreping in origineel) wordt vastgehouden. Met deze systematiek instemmend is de notitie van Ten Kate t.a.v. Boek 3, Titel 4, Afdeling 1 en 2 d.d. 28 september 1969, p. 12 (te raadplegen in het Nationaal Archief te Den Haag via archiefinventarisnummer 2.09.75 en inventarisnummer 2192): ‘Dat de koper nog geen eigenaar zou zijn na de overdracht onder opschortende voorwaarde, is inderdaad niet juist.’ Uiteindelijk is dit uitgemond in de passage in de M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388-389, alwaar valt te lezen dat de koper voorwaardelijk eigenaar wordt. Zie ook de notitie van W. Snijders d.d. 24 juni 1982 bij de nota van Mr. Meijer van 14 juni 1982 betreffende de artt. 3.4.2.5a en 5b (te raadplegen in het Nationaal Archief te Den Haag via archiefinventarisnummer 2.09.75 en inventarisnummer 724) die opmerkt dat in art. 3:84 lid 4 BW tot uiting komt ‘dat levering krachtens een voorwaardelijke verbintenis tot een voorwaardelijk recht leidt d.w.z. al naar de aard van het geval een recht onder opschortende dan wel ontbindende voorwaarde’ en daaraan de conclusie verbindt dat bij een eigendomsvoorbehoud in het vermogen van zowel de verkoper als de koper een voorwaardelijk recht valt dat beschikbaar is voor hun schuldeisers.
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1238.
M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1238. Volgens A.F. Salomons & G.á.C. Orbán in hun noot onder HR 3 juni 2016, INS 2016, 206 maakt deze passage uitsluitend duidelijk dat sprakeis van een onvoorwaardelijke levering. In die richting ook Van Boom 2017, p. 421. Met alle goede wil kan ik een dergelijke beperkte interpretatie daar niet inlezen. Aldaar betoogt de wetgever immers dat art. 3:90 BW niet goed past bij het eigendomsvoorbehoud, omdat de koper pas bezitter wordt na vervulling van de voorwaarde. In een dergelijke benadering zou de koper – anders dus dan in het door de wetgever gekozen stelsel waarbij de levering door machtsverschaffing geschiedt, die meteen is voltooid – nog geen ‘zakenrechtelijke positie’ toekomen (p. 1237) en zou niet goed te verklaren zijn waarom de koper meteen beschermd wordt tegen beschikkingsonbevoegdheid. Die zwakke positie van de koper zet de wetgever af tegen het door hem gekozen stelsel, waarin de koper ‘terstond een voorwaardelijk recht heeft verkregen’, omdat de macht verkrijgt die correspondeert met zijn ‘terstond ingaand eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde’ (p. 1238). De levering door machtsverschaffing doet dus meteen een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde ‘ingaan’ of – zoals de wetgever het verderop uitdrukt – ‘ontstaan’, waar hij duidelijk maakt dat de leveringshandeling van art. 3:91 BW direct is voltooid, omdat deze onmiddellijk een voorwaardelijk eigendomsrecht doet ontstaan. Anders dan Scheltema 2017, p. 97-98 meent, heeft de desbetreffende passage dus wel degelijk betrekking op de goederenrechtelijke werking. De goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde is namelijk gewaarborgd doordat hij terstond een voorwaardelijk recht heeft verkregen, waarvoor noodzakelijk is dat de leveringshandeling daaraan voorafgaand onvoorwaardelijk heeft plaatsgevonden. Het argument van Salomons en Orbán dat sprake is van ‘cherry picking’ overtuigt evenmin, nu zij nalaten passages aan te wijzen in de parlementaire geschiedenis waarin een andersluidende opvatting besloten zou liggen. Ook de door Van Boom 2017, p. 421-422 genoemde passages wijzen niet in een andere richting, nu deze redeneren vanuit de zaak en dus geen betrekking hebben op de kwestie van de voorwaardelijke gerechtigdheid. Zie voor dit onderscheid de noot van F.M.J. Verstijlen onder HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 (Rabobank/Reuser).
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 592-593.
Vgl. Snijders 2006, p. 225.
Zie bijv. T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 186, waar duidelijk tot uidrukking komt dat de voorwaarde het recht beperkt dat wordt overgedragen. Zie ook T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 185 alwaar Meijers opmerkt dat een eigendomsoverdracht onder tijdsbepaling zou leiden tot ‘tijdelijke eigendom’, hetgeen hij niet wenselijk achtte. Bij gebreke van een bepaling als art. 3:85 BW zou deze tijdsbepaling in de visie van Meijers kennelijk doorwerken in het recht dat wordt verkregen. Vgl. Scheltema 2003, p. 254, voetnoot 103. Zie ook hierna in paragraaf 8.3.1.
De conceptbepaling luidde: ‘Wordt ter uitvoering van een voorwaardelijke verbintenis geleverd, dan wordt slechts een recht verkregen, dat aan dezelfde voorwaarde als die verbintenis onderworpen is.’
Notulen van de Negentigste Vergadering van de Subcommissie Burgerlijk Recht van de Staatscommissie tot herziening van de Nederlandse Burgerlijke Wetgeving, p. 285, in te zien in het Nationaal Archief te Den Haag via archiefinventarisnummer 2.09.75, inventarisnummer 181.
Om die reden verbaast het niet dat in de negentiende eeuw deze verklaring van de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde in Duitsland in zwang raakte, als alternatief voor de terugwerkende kracht en bij gebreke van een bepaling als § 161 BGB. Zie bijv. Zie bijv. Fitting 1856, p. 65-68, Von Jhering 1871, p. 472-473, p. 494, p. 510, p. 523-524, p. 529-530, p. 532-536 en Vangerow 1863, p. 147 die allen uitgaan van een door de voorwaarde beperkte eigendom. Niet altijd wordt duidelijk of zij ook aanvaarden dat beide betrokkenen een door de voorwaarde beperkt recht hebben (zo in ieder geval Fitting 1856, p. 102-104), maar – zoals in de hoofdtekst nog wordt betoogd – is een andersluidende opvatting inconsequent. Vgl. voor de opvatting van Vangerow ook Scheltema 2003, p. 202. Zie ook reeds Everts 1883, p. 100 die in ieder geval voor de overdracht onder ontbindende voorwaarde opmerkt ‘dat de ontbindende voorwaarde aanstonds bij het aangaan der verbindtenis (…) was vastgesteld en als bestanddeel in de overeenkomst opgenomen, zoodat zij aan het zakelijk regt zelf, dat de schuldeischer kreeg, verbonden was.’
Vermelding verdient nog dat bij de bespreking van het concept van artikel 3:84 lid 4 BW door Bregstein aan Meijers werd gevraagd ‘of de voorzitter Wiarda’s stelling onderschrijft, dat in deze gevallen de overdrager eigenaar blijft onder ontbindende resp. opschortende voorwaarde, terwijl de verkrijger tegelijkertijd eigendomsrecht onder opschortende resp. ontbindende voorwaarde heeft’ Meijers antwoordde ‘dat bij levering onder opschortende voorwaarde de overdrager zeker het recht onder ontbindende voorwaarde behoudt; bij levering onder ontbindende voorwaarde is het zeker niet de bedoeling van partijen, dat de overdrager eigenaar onder opschortende voorwaarde blijft. In de praktijk rijst dit punt vooral in het erfrecht, wanneer geregeld moet worden aan wie het onder ontbindende voorwaarde vermaakte toekomt bij vervulling van de voorwaarde. Dezelfde regels, die deze materie in het Erfrecht beheersen, zou de Voorzitter ook bij de levering onder voorwaarde willen toepassen.’ De tegenwerping van Meijers laat zich niet geheel plaatsen, omdat hij slechts opmerkt dat het in de praktijk niet altijd de bedoeling zal zijn dat de vervreemder onder ontbindende voorwaarde eigenaar onder opschortende voorwaarde blijft. Daaruit kan in ieder geval worden afgeleid dat Meijers dit op zichzelf genomen wel voor mogelijk lijkt te houden. Bovendien doet de omstandigheid dat partijen zoiets niet beogen op zich niets af aan het feit dat dit wel een gevolg is van de systematiek van de goederenrechtelijke werking bij de voorwaardelijke beschikking, hetgeen ook blijkt uit het feit dat Meijers dit – anders wel degelijk uit het systeem voortvloeiende – resultaat wil vermijden door bepaalde regels toe te passen. Anders: H.B. Reehuis 2016, p. 128. Wanneer partijen bepaalde consequenties bovendien niet beogen, dan kunnen zij altijd afzien van de goederenrechtelijke werking van vervulling van de voorwaarde, die immers van regelend recht is. Ook wordt niet geheel duidelijk welke problemen in het erfrecht bestaan. Als de erflater alleen een erfstelling onder ontbindende voorwaarde heeft gemaakt, zonder een daarbij aansluitende erfstelling onder opschortende voorwaarde (vgl. art. 4:138 lid 3 BW), komt het vermaakte immers bij vervulling van de opschortende voorwaarde toe aan de erfgenamen bij versterf. Vgl. Asser/Perrick 4 2013, nr. 200. Zie ook N.v.W. 1, Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 806, alwaar wordt opgemerkt dat bij een erfstelling onder een ontbindende voorwaarde ‘aan het intestate erfrecht’ wordt overgelaten wie de laatstgeroepenen zullen zijn. Zo ook T.M., Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 809: ‘Is daarentegen een ontbindende voorwaarde gesteld en niet aangegeven aan wie bij de vervulling der voorwaarde het vermaakte ten deel valt, dan komt na de vervulling der voorwaarde het vermaakte op aan degene, die dit ontvangen zou hebben, wanneer de ganse making achterwege ware gebleven.’ In zoverre kan dus wel degelijk worden gezegd dat de overdrager eigenaar onder opschortende voorwaarde blijft, nu dit eigendomsrecht in de nalatenschap valt. Indien de erflater dat niet beoogt, valt dit door een aansluitende making onder opschortende voorwaarde te ondervangen (vgl. art. 4:141 BW). Overigens is het nooit gekomen tot een overeenkomstige toepassing van de erfrechtelijke bepaling die de rechtsverhouding tussen partijen gedurende de periode van onzekerheid vormgeeft (art. 4:138 BW) op de overdracht onder voorwaarde, waarop Meijers lijkt te zinspelen. Zie ook hierna in paragraaf 8.3.1. Zie voor een kwalificatie van de positie van de koper als vruchtgebruiker in Spielbüchler 1981, p. 505-511.
Scheltema 2003, p. 252-257 en Zwalve 2006, p. 257. Vgl. ook Hartkamp 2003, p. 894.
Wiarda 1937, p. 115, overigens uitsluitend met betrekking tot een aanvangstermijn. Voor de eindtermijn aanvaardt hij alleen de tweede constructie. Zie Wiarda 1937, p. 122.
Wiarda 1937, p. 122: ‘materieel zijn zij volkomen gelijk, omdat bij beide tusschen 1 Januari en 1 Maart zoowel de vervreemder als ook de verkrijger “tijdelijk eigenaar” is.’
Wiarda 1937, p. 120.
Wiarda 1937, p. 125.
Wiarda 1937, p. 127.
Het raadsel wordt ontsluierd door artikel 3:84 lid 4 BW. Uit de Toelichting-Meijers blijkt dat het artikellid een vermoeden beoogt te geven met de strekking dat wanneer ter uitvoering van een voorwaardelijke verbintenis wordt geleverd, óók de overdracht onder dezelfde voorwaarde geschiedt:
‘Een levering kan onder voorwaarde geschieden. Is een overeenkomst, die tot levering verplicht, onder voorwaarde aangegaan, dan is de bedoeling van partijen, dat ook de levering onder dezelfde voorwaarde geschiedt, al zou dit niet bij de levering nogmaals overeengekomen zijn. Het vierde lid zegt dit met zoveel woorden, om kwesties dienaangaande te voorkomen.’1
Zoals in hoofdstuk 4 is uiteengezet, volgt een dergelijke systematiek reeds uit de doorwerking van de aan de titel verbonden voorwaarde: de aan de titel ver- bonden voorwaarde bewerkstelligt dat de overdracht onder dezelfde voorwaarde geschiedt.2 Zij berust op de werking van het causale stelsel van overdracht, waarin de modaliteiten van de titel de omvang en werking van de overdracht bepalen, zodat het enigszins onduidelijk is waarom artikel 3:84 lid 4 BW dit nog eens uitdrukkelijk bepaalt.
Meijers lijkt met name geschillen hebben willen voorkomen over de vraag of partijen bij de levering niet alsnog een onvoorwaardelijke overdracht zouden zijn overeengekomen. Op welke wijze een dergelijke afspraak op dat moment haar beslag zou moeten krijgen, wordt daarbij echter niet duidelijk. Denkbaar is dat Meijers met artikel 3:84 lid 4 BW het verweer heeft willen voorkomen dat uit de omstandigheid dat partijen de zaak direct leveren, zou moeten worden afgeleid dat partijen de verbintenis hebben willen wijzigen in een onvoorwaardelijke verbintenis. Dan zou de bepaling echter wel een zeer specifiek geval op het oog hebben, omdat partijen gewoonlijk met de levering ter uitvoering van de verbintenis onder opschortende voorwaarde zullen beogen dat de overdracht onder dezelfde voorwaarde geschiedt.3
Ook valt niet geheel uit te sluiten dat Meijers ten tijde van de redactie van artikel 3:84 lid 4 BW de gevolgen van het causale stelsel van overdracht nog niet geheel doorgrondde. Dat dit geen volstrekt speculatieve aanname is, blijkt uit de omstandigheid dat de toelichting bij artikel 3:84 lid 4 BW een opmerkelijke gelijkenis vertoont met een passage uit een opstel van Meijers uit 1917 waarin hij de verhouding van een overdracht onder voorwaarde tot een abstract stelsel van eigendomsoverdracht uiteenzet:4
‘De erkenning van een levering onder ontbindende voorwaarde met werking ten nadeele van derde-verkrijgers is zeer goed vereenigbaar met het losmaken van de rechtsgeldigheid der levering van die van het daaraan voorafgaand contract. Zoo vindt men b.v. (…) in het Duitsche Burgerlijk Wetboek het verband tusschen contract en levering verbroken, desniettemin erkent men (…) leveringen onder ontbindende voorwaarden, die ook ten nadeele van latere eigenaars werken. Men zal opmerken, dat aldaar sprake is van ontbindende voorwaarden die bij de levering gesteld moeten zijn. Echter in de eerste plaats zal nog moeten blijken, dat dit in ons tegenwoordig recht anders is. In de tweede plaats zal men moeten toegeven, dat wanneer partijen bij een contract om te geven een ontbindende voorwaarde stellen, zij toch deze voorwaarde wel tevens bedoeld hebben als een ontbindende voorwaarde voor de levering.’5
In een abstract stelsel van eigendomsoverdracht is een zodanig vermoeden van belang, omdat een aan de titel verbonden voorwaarde niet doorwerkt in de overdracht. Voor een causaal stelsel van eigendomsoverdracht is dit vermoeden daarentegen, afgezien van de hiervoor besproken mogelijkheid dat partijen de titel bij de levering wijzigen, overbodig.6Artikel 3:84 lid 4 BW maakt dan slechts duidelijk dat partijen vermoed worden bij de levering niet (impliciet) alsnog de titel hebben gewijzigd in een onvoorwaardelijke titel.
Artikel 3:84 lid 4 BW bepaalt echter meer dan dat alleen. Zou Meijers hebben willen volstaan met een dergelijk vermoeden, dan had artikel 3:84 lid 4 BW als volgt kunnen luiden:
‘Wordt ter uitvoering van een voorwaardelijke verbintenis geleverd, dan geschiedt de overdracht onder dezelfde voorwaarde.’
Maar artikel 3:84 lid 4 BW bepaalt niet enkel dat de overdracht onder dezelfde voorwaarde geschiedt, maar maakt tegelijkertijd duidelijk wat het rechtsgevolg is van een zodanige voorwaardelijke overdracht. Wanneer een overdracht plaatsvindt onder (opschortende) voorwaarde, wordt door de verkrijger namelijk een recht verkregen dat is onderworpen aan dezelfde voorwaarde.7 Daarmee is voor een systematiek gekozen waarbij niet de gehele werking van de overdracht is opgeschort,8 maar de overdracht reeds voor vervulling van de voorwaarde bepaalde rechtsgevolgen heeft, juist om de goederenrechtelijke werking te garanderen. De wet verleent in artikel 3:84 lid 4 BW namelijk toch een zekere werking aan de overdracht onder opschortende voorwaarde, in die zin dat de aan de over dracht verbonden voorwaarde niet belet dat de overdracht haar werking heeft, maar veeleer bewerkstelligt dat de aan de overdracht verbonden voorwaarde door- werkt in het recht dat wordt verkregen uit hoofde van de overdracht.9 Net zoals de aan de verbintenis tot overdracht verbonden opschortende voorwaarde niet ver- hindert dat reeds een overdracht tot stand wordt gebracht, belet de aan de over dracht verbonden opschortende voorwaarde evenmin dat reeds een rechtsovergang plaatsvindt, zij het dat het recht dat uit hoofde van die overdracht wordt verkregen eveneens afhankelijk is van de voorwaarde.10
Men kan dat een merkwaardige systematiek vinden,11 maar daarbij dient wel bedacht te worden dat het in de eerste plaats de wet is die bepaalt welke gevolgen aan een (voorwaardelijke) overdracht worden toegekend. Bovendien laat zich, bij gebreke van aan vervulling van de voorwaarde verbonden terugwerkende kracht of een met § 161 BGB vergelijkbare bepaling, de goederenrechtelijke werking van de vervulling anders niet construeren.12 Het terstond doen overgaan van een door de voorwaarde beperkt recht is derhalve noodzakelijk om de goederenrechtelijke werking te handhaven in een stelsel dat niet uitgaat van terugwerkende kracht en geen wettelijke beschermingsbepaling in de trant van § 161 BGB kent. Hierna zal bovendien blijken dat het Nederlandse recht met deze systematiek sterk lijkt op het Oostenrijkse recht en ook minder ver verwijderd staat van het Duitse recht dan op het eerste gezicht gedacht zou kunnen worden.13 Zij past tot slot ook goed in de systematiek van voorwaardelijke rechtshandelingen, waaraan dikwijls bepaalde voorwerkingen toekomen teneinde te garanderen dat het beoogde rechtsgevolg met vervulling van de voorwaarde ook daadwerkelijk intreedt.14
Zoals in paragraaf 8.2.1 is uiteengezet, is in de loop der tijd de constructie van de terugwerkende kracht van de vervulling van de voorwaarde als verklaringsmechanisme verlaten en is daarvoor, op basis van de bevindingen van Fitting, een stelsel in de plaats gekomen waarin wordt uitgegaan van het terstond tot stand komen van de voorwaardelijke rechtshandeling met een uitgestelde werking gecombineerd met een zekere Vorwirkung. Onder het begrip Vorwirkung laten zich de rechtsgevolgen samenvatten die niet door de opgeschorte werking van de rechtshandeling worden getroffen.15 Het gaat derhalve om de rechtsgevolgen die, ondanks de opschortende voorwaarde, terstond met de totstandkoming van de rechtshandeling intreden. De grondslag van de Vorwirkungen is gelegen in de strekking van de opschortend voorwaardelijke rechtshandeling. Enerzijds staat partijen bij een opschortend voorwaarde rechtshandeling voor ogen dat de werking van de rechtshandeling niet intreedt voordat de voorwaarde in vervulling gaat, maar anderzijds willen partijen ook bewerkstelligen dát de rechtshandeling zonder meer werking verkrijgt op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat. De opschortende voorwaarde heeft derhalve twee dimensies: enerzijds het uitstellen van het rechtsgevolg, maar anderzijds ook het garanderen dat het rechtsgevolg wel intreedt als de voorwaarde in vervulling gaat. De direct intredende rechtsgevolgen van een rechtshandeling onder opschortende voorwaarde – of in dit geval: een overdracht onder opschortende voorwaarde – laten zich dan ook alle terugvoeren op dit laatste aspect: het waarborgen dat vervulling van de voorwaarde ook daadwerkelijk tot het door partijen beoogde gevolg leidt.16
Gewoonlijk laten partijen zich door het verbinden van een voorwaarde aan een rechtshandeling slechts uit over het eerste aspect – het uitstellen van de rechtsgevolgen – en niet zozeer over de situatie gedurende de periode van onzekerheid. Aangezien in de partijafspraak echter besloten ligt dat partijen willen dat de vervulling van de voorwaarde ook tot het beoogde rechtsgevolg kan leiden, geeft de wet nadere regels over de situatie gedurende de periode van onzekerheid waar het aankomt op de voorwerkingen van de voorwaardelijke rechtshandeling.17Artikel 3:84 lid 4 BW moet worden beschouwd als een zodanige Vorwirkung van de voorwaardelijke beschikking.18 Doordat de wet reeds een zekere werking toekent aan de overdracht, door terstond een recht te laten overgaan op de verkrijger, is gewaarborgd dat vervulling van de voorwaarde ook leidt tot eigendomsverkrijging. Het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde is daarmee een hulpfiguur die dient ter overbrugging van de periode van onzekerheid. Omdat de koper terstond een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkrijgt, is dat eigendomsrecht immuun tegen gebeurtenissen in de periode van onzekerheid die de onvoorwaardelijke eigendomsverkrijging zouden kunnen verijdelen, waardoor de verkrijging van de eigendom bij vervulling is gewaarborgd. In het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde manifesteert zich derhalve de mogelijkheid om door vervulling van de voorwaarde eigenaar te worden. Aldus wordt in zekere zin voorgesorteerd op de vervulling van de voorwaarde, juist om te bewerkstelligen dat de vervulling van de voorwaarde ook leidt tot het door partijen beoogde rechtsgevolg. Het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde is daarmee een erkenning en verwezenlijking van het tegenwoordig belang van de koper als toekomstig eigenaar.19 De splitsing van het eigendomsrecht die artikel 3:84 lid 4 BW teweegbrengt, bewerkstelligt daarmee de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde.20
Door sommige auteurs wordt artikel 3:84 lid 4 BW een te smalle basis genoemd om daaraan zodanige verstrekkende conclusies te verbinden.21 Daarvoor pleit dat de toelichting inderdaad alleen gewag maakt van het hierboven beschreven vermoeden en met geen woord rept over de materieelrechtelijke consequentie van een voorwaardelijke overdracht, namelijk dat een recht wordt verkregen dat aan dezelfde voorwaarde is onderworpen als de overdracht. Bovendien zou het volgens sommige auteurs nooit de bedoeling van Meijers zijn geweest om een zodanig rechtsgevolg in artikel 3:84 lid 4 BW te verankeren.22 Bedacht moet echter worden dat het uiteindelijk niet aankomt op wat Meijers heeft gewild of bedoeld, maar op hetgeen in de wetsbepaling terecht is gekomen en wat voor voorstelling de wet- gever zich heeft gemaakt van de functie van de wetsbepaling. Voor artikel 3:84 lid 4 BW geldt dan ook volledig wat Snijders over de omgang met Meijers’ con- cepten in het algemeen heeft opgemerkt:
‘Bij het werk na de dood van Meijers in 1954 is uitgegaan van wat toen als de voor de hand liggende uitleg van die bepalingen werd beschouwd. Het is niet goed meer na te gaan of deze uitleg volledig samenvalt met wat Meijers precies voor ogen stond. Dat betekent dat die latere uitleg voor een goed begrip van het eindresultaat m.i. van groter belang kan zijn dan wat men uit eerdere geschriften van Meijers zelf omtrent diens opvattingen zou kunnen afleiden.’23
Uit de latere parlementaire geschiedenis blijkt duidelijk dat de wetgever van de hierboven beschreven systematiek is uitgegaan, alwaar de wetgever uiteenzet wat de rechtsgevolgen zijn van een overdracht onder voorwaarde.24 Volgens hem heeft de overdracht onder opschortende voorwaarde tot gevolg dat de koper voorwaardelijk eigenaar wordt,25 terstond een voorwaardelijk recht verkrijgt,26 een levering ex artikel 3:91 BW ‘onmiddellijk een voorwaardelijk eigendomsrecht [doet] ontstaan’27 en dat in geval van cessie onder voorwaarde ‘degene die onder ontbindende voorwaarde een vordering aan een ander overdraagt, zelf een recht onder opschortende voorwaarde [behoudt].’28
Afgezien van het feit dat Meijers persoonlijke opvattingen niet per se het thans geldende recht behoeven weer te geven, wijst er bovendien van alles op dat Meijers met artikel 3:84 lid 4 BW wel degelijk de hier verdedigde systematiek voor ogen had. In de eerste plaats is de tekst van het artikellid op dat punt glashelder.29 Niet goed laat zich verklaren dat, wanneer Meijers slechts een vermoeden voor ogen had dat de overdracht onder dezelfde voorwaarde plaatsvindt, hij de bepaling aldus redigeerde dat een recht wordt verkregen dat aan dezelfde voorwaarde is onderworpen. De bepaling drukt veeleer uit wat volgens Meijers het rechtsgevolg is van een zodanige voorwaardelijke overdracht: het terstond verkrijgen van een voorwaardelijk recht.30 Bovendien blijkt uit de ongepubliceerde Notulen van de Subcommissie Burgerlijk Recht duidelijk dat Meijers niet enkel een vermoeden wilde scheppen, maar ook – en gelet op de volgorde van de argumenten: vooral – wilde bepalen dat ter uitvoering van een voorwaardelijke overdracht een voorwaardelijk recht wordt verkregen en Meijers dus de figuur van voorwaardelijke eigendom omarmde. Bij de discussie in de negentigste vergadering van de Subcommissie, waarbij een vrijwel gelijkluidend concept van het huidige artikel 3:84 lid 4 BW wordt besproken,31 licht Meijers de bepaling als volgt toe:
‘Deze bepaling houdt, naar de Voorzitter toelicht, in: 1. Dat eigendomsrecht onder voorwaarde mogelijk is; 2. Dat de voorwaarde bij een verbintenis om te geven zich uitstrekt tot de levering.’32
Meijers wenste met artikel 3:84 lid 4 BW derhalve meer dan enkel een vermoeden te scheppen dat de overdracht onder dezelfde voorwaarde geschiedt als de verbintenis. Het eigendomsrecht zelf wordt door een overdracht onder voorwaarde ook onderworpen aan de voorwaarde. Zoals gezegd, ligt een dergelijke benadering ook voor de hand in een stelsel dat de terugwerkende kracht van vervulling van de voorwaarde afschaft. Teneinde de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde te bewerkstelligen moet men dan namelijk wel aanvaarden dat de vervreemder en verkrijger gedurende de periode van onzekerheid beide voorwaardelijke rechten hebben, omdat zich anders de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde niet laat volhouden.33 Wie derhalve niet aanvaarden wil dat de koper gedurende de periode van onzekerheid al eigenaar onder opschortende voorwaarde is, kan niet volhouden dat vervulling van de voorwaarde goederenrechtelijke werking heeft en kan evenmin volhouden dat de verkoper gedurende de periode van onzekerheid eigenaar onder ontbindende voorwaarde is.
Op zichzelf laat zich natuurlijk ook voorstellen dat de wetgever weliswaar goederenrechtelijke werking aan de vervulling van de voorwaarde heeft willen toekennen, maar daarvoor niet de nodige wettelijke voorzieningen heeft getroffen, waardoor alsnog zou moeten worden geconstateerd dat vervulling van de voorwaarde geen goederenrechtelijke werking heeft. Daarvan is echter geen sprake. De tekst van artikel 3:84 lid 4 BW, de Toelichting-Meijers en de latere parlementaire geschiedenis, zoals hiervoor aangehaald, wijzen alle duidelijk in de richting van de hier verdedigde systematiek van de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde.
Al met al heeft Meijers – en in navolging daarvan de wetgever – met artikel 3:84 lid 4 BW in feite gekozen voor een stelsel zoals dat voor het oude recht reeds werd verdedigd door Wiarda.34 Dat laat zich zowel inhoudelijk als ook wat betreft het tijdstip waarop Meijers zijn concepten vervaardigde ook goed verklaren. Meijers wilde afrekenen met de terugwerkende kracht van de vervulling van de voorwaarde, maar tegelijkertijd vasthouden aan de goederenrechtelijke werking van de voorwaarde. Door Wiarda werd, kort voor de totstandkoming van Meijers concepten, nu juist een dergelijk stelsel verdedigd, waarin de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde niet werd verklaard door middel van een beroep op de beweerdelijke terugwerkende kracht. Het ligt dan ook voor de hand dat Meijers bij dit stelsel aanknoopte voor het nieuwe recht.35
Wiarda werkte deze constructie eerst uit voor de overdracht onder tijdsbepaling. Wiarda erkent zowel de overdracht onder tijdsbepaling van eigendom, alsook de overdracht van ‘eigendom onder tijdsbepaling’.36 Beide constructies leiden er volgens hem toe dat de vervreemder gedurende de tussenliggende periode nog slechts een eigendomsrecht heeft dat door de tijdsbepaling is beperkt, terwijl de verkrijger reeds terstond een daarmee corresponderend complementerend eigendomsrecht verkreeg onder tijdsbepaling.37 De opschortende tijdsbepaling stelt volgens Wiarda de overdracht derhalve niet uit tot het moment van verstrijken van de overeengekomen tijd, maar bewerkstelligt dat terstond een eigendomsrecht wordt overgedragen dat onderworpen is aan de tijdsbepaling. De vervreemder heeft in de tussenliggende periode nog enkel een eigendomsrecht onder eindtermijn, zodat hij ook uitsluitend kan beschikken over het door de tijdsbepaling beperkte recht.38 De goederenrechtelijke werking van het verstrijken van de tijdsbepaling is daarmee gewaarborgd doordat het eigendomsrecht zelf onderworpen is aan de tijdsbepaling, waardoor de nemo-plus-regel tot gevolg heeft dat beide eigenaars niet meer kunnen overdragen dan hun eigendomsrecht onder tijdsbepaling:
‘Bij dit stelsel van tijdelijken eigendom worden de zaken geenszins aan het verkeer onttrokken. Beide tijdelijke eigenaars kunnen over de zaak beschikken zooveel zij willen. Zij kunnen evenwel nooit meer overdragen dan zij zelven in eigendom hebben, d.i. tijdelijken eigendom.’39
Voor de overdracht onder voorwaarde verdedigde Wiarda hetzelfde systeem.40 De aan de overdracht verbonden opschortende voorwaarde belet niet dat reeds terstond een overdracht tot stand komt onder dezelfde voorwaarde, welke overdracht terstond leidt tot het overgaan van een eigendomsrecht dat onderworpen is aan dezelfde voorwaarde. Het is dit stelsel dat duidelijk doorklinkt in artikel 3:84 lid 4 BW.