Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/5.6
5.6 Vonnvereisten: betekeningsperikelen
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS381872:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De betekeningsstandaarden zijn ingevolge art. 10 lid 2 ook van toepassing wanneer de rechter in een procedure op het rechtsmiddel tegen een beslissing verzocht wordt een EET dan wel een vervangend bewijs van waarmerking te verlenen.
Ook zullen de vormvoorschriften in acht moeten worden genomen, ingeval de schuldenaar buiten de EU woont c.q. gevestigd is. Heeft de schuldenaar - waar dan ook - geen bekend adres, dan zal nooit een EET kunnen worden verleend. Vgl. ook art. 14 lid 2 EET-Vo.
Nr. 19 van de Considerans.
Art. 14 in de redactie van resp. het oorspronkelijke voorstel voor de EET-Verordening (COM (2002) 159 def.) en het gewijzigde voorstel (COM (2003) 341 def.) stond een alternatieve betekening c.q. kennisgeving slechts toe, wanneer een poging tot de persoonlijke betekening c.q. kennisgeving vruchteloos bleek te zijn. Nu deze beperking in de definitieve versie van de EET-Verordening niet voorkomt, is de betekening c.q. kennisgeving conform art. 14 te allen tijde toegestaan. Zie ook Becker (2004), p. 279.
Zie over de verhouding tussen de EG-Betekeningsverordening en de EET-Verordening: Rauscher (2004), p. 43 e.v.
Art. 19 lid 2 EET-Vo staat toe dat in het nationale recht van de lidstaten een ten opzichte van art. 19 lid 1 gunstigere regeling wordt getroffen.
Vgl. art. 143 lid 2 jo. lid 3 Rv.
Th. Rauscher, Die erste Seite, RIW11/2004 (Europäischer Vollstreckungstitel für unbestrittene Forderungen). Hess verdedigt dat een dergelijke aanpassing van het nationale procesrecht ook in zuiver nationaal geval van toepassing dient te zijn. Zie B. Hess, 'Europäischer Vollstreckungstitel und nationale Vollstreckungsgegenklage', IPRax 2004, p. 493-494.
Aangezien de EET-waarmerking slechts bedoeld is voor de niet-betwiste vorderingen, moet de tot waarmerking aangezochte rechter ingevolge art. 12 lid 1, ingeval de schuldenaar niet in de procedure over de onbetwiste schuldvordering is verschenen, onderzoeken of bij het initiëren van de gerechtelijke procedure de vereisten voor de betekening en de kennisgeving van de gerechtelijke stukken in acht zijn genomen. Een dergelijke toetsing moet niet alleen worden verricht in de gevallen dat de schuldenaar in een ander land woonachtig is.1 Het feit dat de EET-regeling een eigen systeem van minimumnormen voor de kennisgeving van het gedinginleidende stuk kent, brengt met zich mede dat een schuldeiser reeds bij het inleiden van de (bodem)procedure hiermee rekening moet houden, voorzover hij om een EET-waarmerking wil verzoeken. Aan de minimumnormen dient derhalve ook te zijn voldaan indien de eiser tegen een schuldenaar met een woonplaats in dezelfde lidstaat als de eiser een vordering instelt.2 Overweegt de eiser de rechterlijke beslissing vervolgens in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst te executeren, dan moet reeds in de procedure die tot de met een EET-gewaarmerkte beslissing heeft geleid, rekening worden gehouden met de minimumnormen zoals opgenomen in Hoofdstuk III van de EET-Verordening. Hierdoor beïnvloedt de EET-Verordening het nationaal procesrecht, ook al wordt in de preambule bij de EET-Verordening het volgende overwogen:
'Deze verordening behelst geen verplichting voor de lidstaten hun nationale wetgeving aan te passen aan de minimale procedurele normen die in deze verordening zijn vastgesteld. Zij verschaft daartoe wel een prikkel, door een snellere en efficiëntere tenuitvoerlegging van beslissingen in andere lidstaten slechts mogelijk te maken indien aan deze minimumnormen wordt voldaan:3
Voor de verstekbeslissingen in de zin van art. 3 lid 1 sub b en sub c bevat de EET-Verordening een eigen systeem van minimumnormen waaraan de betekening van het gedinginleidende stuk moet voldoen. Dit stuk mag aan de schuldenaar op verschillende manieren ter kennis worden gebracht en worden betekend. De EET-Verordening staat ingevolge art. 13 een viertal manieren van betekening toe. Allereerst, de persoonlijke betekening of kennisgeving aan de schuldenaar zelf, die uit een door de schuldenaar ondertekende ontvangstbevestiging blijkt. Vervolgens, de persoonlijke betekening of kennisgeving die uit een verklaring blijkt van de daartoe bevoegde persoon die de betekening of kennisgeving heeft verricht. Uit deze verklaring moet blijken dat de schuldenaar het stuk in ontvangst heeft genomen of zonder geldige reden heeft geweigerd om in ontvangst te nemen. Ook een postale betekening of kennisgeving of een betekening per e-mail of ander elektronisch medium zijn geldige manieren van betekening in de zin van de EET-Verordening, mits een ontvangstbevestiging door de schuldenaar wordt teruggezonden. De ontvangstbevestiging dient in alle vier gevallen de datum van de ontvangstneming te vermelden en dient door de schuldenaar te zijn ondertekend.
Art. 14 EET-Vo kent ook een aantal manieren van alternatieve betokening.4 De alternatieve betekening kan bestaan uit een persoonlijke betekening of kennisgeving aan de persoonlijke woonplaats van de schuldenaar, aan de persoon die woonplaats heeft in een en hetzelfde huishouden als de schuldenaar, dan wel in het huishouden van de schuldenaar werkzaam is. Tevens is het toegestaan, ingeval sprake is van een zelfstandige ondernemer of een rechtspersoon, dat de betekening of kennisgeving ten kantore van de schuldenaar plaatsvindt aan de personen die aldaar werkzaam zijn, dan wel door het deponeren van het stuk in de 'zakelijke' brievenbus dan wel door het achterlaten van een schriftelijke mededeling in een dergelijke brievenbus dat het stuk op het postkantoor of bij de daartoe bevoegde autoriteiten is achtergelaten.
De EET-Verordening regelt niet de wijze van betekening c.q. kennisgeving van de processtukken. De verordening geeft slechts aan welke wijzen voldoende worden geacht om een EET te kunnen verlenen. De uiteindelijke wijze van betekening wordt door het nationale recht van de rechter van de lidstaat van herkomst bepaald. Moet de betekening of kennisgeving van het stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat worden verricht, dan is de EG-Betekeningsverordening van toepassing. Dit blijkt ook uit art. 28 dat bepaalt dat de EET-Verordening de toepassing van de EG-Betekeningsverordening onverlet laat.5
Aangezien de alternatieve betekening ertoe kan leiden dat de schuldenaar niet tijdig op de hoogte wordt gebracht van het feit dat tegen hem een procedure wordt gevoerd, wordt door art. 19 lid 1 sub a EET-Vo aan de schuldenaar onder voorwaarden de mogelijkheid tot heroverweging van de met een EET gewaarmerkte beslissing geboden. Wanneer het gedinginleidende stuk volgens een van de methoden van art. 14 is betekend of ter kennis is gebracht aan de schuldenaar dan wel aan diens wettelijke vertegenwoordiger en de schuldenaar buiten zijn schuld niet voldoende tijd heeft gehad om zijn verdediging voor te bereiden, mag een EET slechts worden verleend indien overeenkomstig het recht van de lidstaat van herkomst voor de schuldenaar een mogelijkheid tot algehele rechterlijke toetsing van de beslissing bestaat en deze onmiddellijk handelt zodra hij van het inleiden van een procedure kennisneemt. Ingevolge art. 19 lid 1 sub b kan een EET ook worden verleend ingeval de schuldenaar de vordering niet heeft kunnen betwisten wegens overmacht ('force majeure') dan wel wegens buitengewone omstandigheden, die buiten zijn wil zijn ontstaan. De begrippen 'overmacht' en 'buitengewone omstandigheden' worden niet door de EET-Verordening gedefinieerd. Een communautaire uitleg van deze begrippen lijkt mij wenselijk waarbij moet worden opgemerkt dat deze termen vooral feitelijk ingekleurd zullen worden.
Art. 19 lid 1 EET-Vo vereist dat overeenkomstig het recht van de lidstaat van herkomst aan de schuldenaar een mogelijkheid tot een algehele rechterlijke toetsing wordt gegeven. De schuldenaar moet onmiddellijk handelen zodra hij in de gelegenheid is om van deze mogelijkheid gebruik te maken.6
Ingevolge art. 15 is het mogelijk om het gedinginleidende stuk aan de wettelijke vertegenwoordiger of gevolmachtigde te betekenen. Dit geldt niet alleen voor de plaatsvervangende betekening of kennisgeving maar tevens voor de betekening of kennisgeving in de zin van art. 13.
Wordt aan een schuldenaar het gedinginleidende stuk overeenkomstig art. 14 niet in persoon betekend, dan zal deze tegen een door de Nederlandse rechter gewezen verstekbeslissing het rechtsmiddel van verzet moeten instellen uiterlijk binnen 4 weken - bij het ontbreken van een woonplaats in Nederland, 8 weken - nadat de feitelijke executie van de EET-gewaarmerkte beslissing haar aanvang heeft genomen.7 De vraag rijst nu of deze regeling aan de vereisten van art. 19 lid 1 sub b EET-Vo voldoet. Dit artikel vereist immers een mogelijkheid tot herziening die niet aan een bepaalde termijn is gebonden. Verloopt de termijn voor het instellen van verzet, dan staat naar Nederlands burgerlijk procesrecht geen gewoon rechtsmiddel tegen de beslissing meer open.8 Teneinde aan de minimumvoorwaarden voor de EET-waarmerking te voldoen zal de verzettermijn kunnen worden verlengd voor het geval dat de schuldenaar wegens overmacht of wegens buitengewone omstandigheden de vordering niet heeft kunnen betwisten. Nadat de overmacht of de buitengewone omstandigheden opgehouden zijn te bestaan, zal de schuldenaar een nieuwe termijn voor het instellen van verzet worden gegund.9 Het niet bestaan van een rechtsmiddel in de bijzondere situatie van art. 19 lid 1 sub b EET-Vo maakt echter de EET-verlening in de overige gevallen niet onmogelijk. Tevens dient er op te worden gewezen dat de verzettermijn per 1 januari 2002 zowel voor de binnenlandse als ook voor de buitenlandse verweerder verdubbeld is. Hierbij kan de vraag naar het praktische nut van een dergelijke bijzondere regeling worden gesteld, nu dit probleem niet in de praktijk blijkt voor te komen.