Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/9.4.3
9.4.3 Toerekening bij onrechtmatige informatieverstrekking
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685376:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een voorstel daartoe bijv. Schutgens 2018.
Vgl. ook Jansen die in het kader van een scheiding tussen daad en dader opmerkt dat het niet wenselijk is een strikte scheiding aan te houden. De toerekenbaarheid ligt besloten in het contextgebonden zorgvuldigheidsoordeel. Bij de invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm wordt al rekening gehouden met het (subjectieve) perspectief van de dader. Hij benadrukt wel het belang van het (dogmatische) onderscheid tussen de twee vereisten, Jansen 2012, p. 385. Zie ook Scheltema & Scheltema 2013, p. 350-351 en p. 411.
Zie onder rov. 4 van Rb. Rotterdam 21 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1727 waarin wordt beoordeeld of is voldaan aan ‘het vereiste van toerekenbaar onrechtmatig handelen’ en de rechtbank in rov. 4.3 simpelweg overweegt dat de wijze van informatieverstrekking onrechtmatig is, ‘welk onrechtmatig aan de gemeente Zwijndrecht kan worden toegerekend’.
Hof Den Haag 8 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1629, rov. 5.21.
Hof ’s-Hertogenbosch 7 april 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1213, rov. 6.20.
Hof Arnhem-Leeuwarden 25 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8554, rov. 2.13.
Hoewel de grondslag voor toerekening niet altijd duidelijk wordt gemaakt, is wel helder dat toerekening van onrechtmatige informatieverstrekking aan het aangesproken overheidslichaam geen serieuze horde vormt voor een teleurgestelde burger. Deze lijn in de rechtspraak waarbij in beginsel sprake is van toerekening van het onrechtmatig handelen in de vorm van een schending van de waarheidsplicht kan mijns inziens slechts wijzigen indien de rechtspraak van toerekening bij onrechtmatige besluitvorming ook minder royaal wordt.1 Er zouden mijns inziens dus geen verschillende toerekeningsmaatstaven moeten gelden afhankelijk van het soort onrechtmatig overheidshandelen. Indien is geoordeeld dat de informatieverstrekking onrechtmatig is, is daarmee de toerekening (op basis van schuld dan wel verkeersopvattingen) gegeven.2
In de drie casus van dit hoofdstuk speelde toerekening een ondergeschikte rol, in die zin dat het criterium duidelijk geen obstakel vormt voor de burger nadat de hobbel van onrechtmatigheid van het overheidshandelen was genomen. Dit onrechtmatig handelen lijkt de overheid op grond van verwijtbaarheid te worden toegerekend.
Bij de beoordeling van de casus van de afgebrande woning is de toerekenbaarheid betrokken in de oordeelsvorming over de onrechtmatigheid van de informatieverstrekking nu wordt beoordeeld of sprake is van ‘toerekenbaar onrechtmatig handelen.’3 In hoger beroep laat het hof het oordeel in stand dat sprake is van ‘verwijtbaar handelen van de Gemeente dat eruit bestaat dat zij verkeerde informatie heeft verstrekt’.4
Bij de niet verplaatste coffeeshop lijkt de rechter bij het vaststellen van de onrechtmatigheid tevens aan het vereiste van toerekenbaarheid te hebben getoetst. Aan het eind van de beoordeling van de onrechtmatigheid van de per brief door de burgemeester verstrekte informatie overweegt het hof slechts ‘dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] en aansprakelijk is voor de schade die hij hierdoor heeft geleden’.5
In de casus van het misgelopen appartementengebouw overweegt het hof dat de onjuiste informatie onder andere een gevolg is van een fout in het interne kennissysteem van de gemeente, ‘wat toerekening van de onjuiste inlichtingen aan de gemeente mede rechtvaardigt’.6