De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.5.2.2:II.5.2.2 De regering
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.5.2.2
II.5.2.2 De regering
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284960:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bij de bepaling over het ontslag van ministers mag de vertrouwensregel niet onvermeld blijven. Op basis van de vertrouwensregel bestaat de gewoonte dat een minister zijn of haar ontslag aanbiedt aan de Koning, als de Tweede Kamer blijk heeft gegeven onvoldoende te hebben. Formeel ligt de beslissing tot het daadwerkelijke ontslag van een minister bij de regering.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het volgende hoofdstuk verankert de institutionele bepalingen over de regering. In dit hoofdstuk staan veel bepalingen aangaande de Koning (§1) en waarborgen voor de vormgeving en positie en bevoegdheden van de ministerraad en de regering (§2).
Op basis van artikel 43 Grondwet benoemt en ontslaat de regering de minister-president en overige ministers. De regering stelt ook de ministeries in, zie artikel 44 Grondwet. Deze bevoegdheden liggen niet bij het parlement.1 Deze eigenstandige positie van de regering is een onderdeel van het principe van machtenscheiding. Een grondwettelijke waarborg ligt bij al deze aspecten voor de hand, omdat de gewone wetgever de onafhankelijke positie en bevoegdheden van de regering op deze punten niet zelfstandig kan aantasten. Zonder grondwettelijke waarborging zou deze eigenstandige positie van de regering als tegenwicht van het parlement te makkelijk herzien en/of ongedaan kunnen worden gemaakt. De Grondwet biedt zo stabiliteit en continuïteit, zodat het Nederlandse regeringsstelsel zich verder in de dagelijkse praktijk heeft kunnen (en kan) ontwikkelen.
In hoofdstuk 2 staan nog meer wezenlijke aspecten waarbij een grondwettelijke bescherming past. Artikel 47 Grondwet begrenst de bevoegdheden van de Koning door middel van het contraseign. Dat is een duidelijk aspect van checks and balances. Dat betekent dat de Koning niet eigenstandig over de bekrachtiging van wetten en koninklijke besluiten gaat. De wetgever (ook al is er een hang naar een machtig staatshoofd) is niet in staat om eigenstandig de Koning de sterke positie te geven van vóór 1840. De Grondwet gaat zo machtsconcentratie tegen. Het is in het huidige tijdsgewricht overigens niet voorstelbaar dat een wetgever een dergelijke positie van de Koning zou wensen. De artikelen 42 en 68 Gw staan in het teken van de ministeriële verantwoordelijkheid. Stel dat de wetgever deze bepalingen wil afzwakken. Dan betekent dit waarschijnlijk een afzwakking van de democratische controleerbaarheid van bewindspersonen. Dat zou weer tot machtsconcentratie kunnen leiden. Het is daarom begrijpelijk dat hier extra waarborgen gelden en dat niet alleen de wetgever in één instantie over de wijziging van deze bepalingen heeft te beslissen.