Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.5.2.6
II.5.2.6 Rechtspraak
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284991:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 21 februari 2018, Stb. 2018, 88, zie ook Kamerstukken 34517. Het recht op een eerlijk proces omvat ook de rechterlijke onafhankelijkheid.
Venice Commission, European standards on the independence of the judiciary, a systematic overview, CDL-JD(2008)002, p. 2; Venice Commission, Report on the independence of the judicial system, part I: the independence of judges, CDL-AD(2010)004, p. 17.
Kortmann acht het vooral ongewenst als een ontgrondwettelijking zou plaatsvinden waar het gaat om de verhouding tussen rechter en wetgever. De wetgever wordt dan op het rechtsprekend terrein soeverein, zie: Kortmann, RM Themis 1976, p. 159.
Zie ook: Kortmann 2016, p. 320, nt. 103.
Het zesde hoofdstuk geeft bepalingen over de rechtspraak. De Grondwet draagt in de artikelen 112 en 113 de bevoegdheid om recht te spreken op aan de rechterlijke macht.1 Daarmee is de onafhankelijke positie nog niet gegeven. Artikel 117 Gw geeft bepalingen omtrent de rechtspositionele onafhankelijkheid; dit komt vooral tot uitdrukking in de benoeming van rechters voor het leven (lid 1), de bepaling over schorsing en ontslag van rechters (lid 3). Artikel 116 lid 4 Gw bepaalt dat het toezicht op de ambtsvervulling van de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast geschiedt door diezelfde leden. Een waarborging van de functionele onafhankelijkheid staat niet in de huidige Grondwet, maar wel – weliswaar beperkt - in de Wet RO.2 Inmiddels is een verklaringswet aangenomen met als doel het recht op een eerlijk proces in de Grondwet op te nemen.3 Naar verwachting zal het voorstel op dit punt in tweede lezing gaan leiden tot een grondwetsherziening. Door de afgescheiden en onafhankelijke positie is de rechter in staat om een overheidsregeling en overheidsoptreden op hun rechtmatigheid te beoordelen. In zoverre heeft de rechter een matigende of inkaderende werking op de andere staatsmachten.
Indien de inhoud van artikel 117 Gw alleen in een gewone wet vervat zou zijn, dan was er geen enkel beletsel voor de wetgever om met een eenvoudige meerderheid een regeling te treffen om concreet rechters te ontslaan. Zolang de grondwetgever hierover niets wijzigt, blijft deze bevoegdheid tot ontslag binnen de rechterlijk macht zelf. Zonder verzwaarde bescherming is het evident dat de rechtspositionele onafhankelijkheid van de rechtspraak eenvoudiger in het geding zou kunnen komen. De Europese Commissie voor Democratie door Recht (hierna: Venice Commission), benadrukt dan ook al jaren dat de onafhankelijkheid van de rechter in een Grondwet behoort te staan.4
Om een cruciale reden past bij dit hoofdstuk een verzwaarde herzieningsprocedure. Één van de meest basale onderscheidingen binnen de Nederlandse rechtsorde is namelijk dat de wetgever wetten maakt (zie artikel 81 Gw e.v.) en dat de rechter exclusief de bevoegdheid heeft om in een concreet geval bindend civiele geschillen te beslechten en strafbare feiten te berechten (zie artikel 112 en 113 Gw).5 Als deze verdeling enkel was neergelegd in een gewone wet, dan is de volgende situatie – naar nationaal recht - volstrekt legaal: stel dat de rechter een verdachte vrijspreekt van een levensdelict. Er ontstaat nationale ophef over deze vrijspraak en er gaan stemmen op om bij wet te bepalen dat de verdachte een straf krijgt. Dit is uiteraard een vorm van wetgeving voor een concreet geval (in het Duits noemt men dit Einzelfallgesetzgebung).6 Zou er geen verzwaarde procedure zijn, dan staat niks de wetgever in de weg om in te grijpen in een concreet geval. Een dergelijke interventie van de wetgever zou altijd een latere en meer specifieke wet opleveren welke voorrang heeft. Een dergelijke ‘interventiewet’ in het rechterlijke domein is niet acceptabel in een democratische rechtsstaat. Als de wetgever voor concrete gevallen zou beslissen, dan is dat een vorm van machtsconcentratie, waarbij willekeur en rechtsonzekerheid in de hand kan worden gewerkt. De Grondwet maakt dit door haar verzwaarde herzieningsprocedure juridisch bezien onmogelijk.7