Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/8.4.3
8.4.3 Moet de overheid haar verplichtingen (nog) nakomen?
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685447:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. HR 13 oktober 2017, ECLI:Nl:HR:2017:2615, AB 2018/37 (Bevolkingskrimp) waarin de gemeente een beroep deed op bevolkingskrimp waardoor zij geen uitvoering meer wilde geven aan afspraken over planologische besluiten. Kritisch is Bloembergen & Slagter (Bloembergen) 1976, p. 45 over de beleidsvrijheid die de overheid zou moeten hebben. “Als zij [de overheid, NvT] contracteert, kan zij de overeenkomst desgewenst zo inrichten, dat zij voldoende armslag voor haar beleid behoudt. Maar zij speelt dubbel spel, als zij zich enerzijds onvoorwaardelijk bindt en anderzijds zegt, dat zij beleidsvrijheid moet hebben.”
Kortmann 2018, p. 137.
Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7971, waarin de gemeente zich verbond zich in te spannen een bestemmingsplan vast te stellen, zodat een burger uitbreidingsplannen op het perceel zou kunnen realiseren. Nadat omwonenden met ingediende zienswijzen vraagtekens hadden gezet bij uitbreiding van de kantoorfunctie op het perceel en nadat de burger de gemeente had laten weten dat haar huurder geen uitbreidingsplannen meer had en zij geen behoefte had om voor leegstand te ontwikkelen, heeft het college van B&W besloten de gemeenteraad te adviseren het bestemmingsplan niet vast te stellen. De gemeenteraad heeft vervolgens dienovereenkomstig besloten. De burger startte – zonder succes – een procedure wegens schending van inspanningsverplichtingen. Het zijn de derdebelangen die ervoor kunnen dat geen nakoming kan worden afgedwongen. Zie bijv. HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1366, NJ 1995/691 (De negende van OMA), waarin nakoming van de overeenkomst in strijd was met de redelijkheid en billijkheid in verband met legitieme bezwaren van de bewoners. Dat de bouwvergunning bestuursrechtelijk rechtmatig was, deed daaraan niet af.
Kortmann 2018, p. 177 merkt op dat art. 6:258 BW zich niet goed leent voor de toepassing op de bevoegdhedenovereenkomst en beter inspiratie kan worden ontleend aan de wijziging van duurbeschikkingen. Art. 6:258 BW is volgens hem in het algemeen ongeschikt als wettelijke basis voor het verdisconteren van nieuwe inzichten in een bestaande contractuele relatie tussen overheid en burger. De Vries 1998, p. 159-160 is kritisch dat ‘met het magische woord beleidswijziging’ praktisch ‘alle bindende overheidstoezeggingen om te toveren [zijn] in uitsluitend tot schadevergoeding verplichtende verbintenissen.’ Zie ook M.W. Scheltema 2009, onder 6.2.
HR 13 oktober 2017, ECLI:Nl:HR:2017:2615, AB 2018/37 (Bevolkingskrimp).
Het gaat bij onvoorziene omstandigheden in de zin van art. 6:258 BW dus niet om voorzienbaarheid. Zie Asser/Sieburgh 6-III 2018/436-454. “De uitdrukking onvoorziene omstandigheden moet daarbij niet in haar letterlijke betekenis worden toegepast; het gaat er slechts om of de partijen het intreden van deze omstandigheden al dan niet hebben verdisconteerd in de voorwaarden waaronder zij tot de overeenkomst zijn toegetreden”, Asser/Sieburgh 6-III 2018/439. Dat afwijken van een bevoegdhedenovereenkomst mogelijk is bij onvoorziene, gewijzigde, niet in de overeenkomst verdisconteerde omstandigheden die maken dat afwijken van de overeenkomst noodzakelijk is bleek al uit HR 4 januari 1961, ECLI:NL:HR:1962:137, NJ 1964/203 en 204 (Landsmeer). Van der Veen 2022, p. 197-199 merkt op dat de rechter een ruime opvatting hanteert ten aanzien van het algemeen belang, zodat snel sprake is van onvoorziene omstandigheden. Gewijzigde omstandigheden kunnen tot gevolg hebben dat het doorzetten van een bestemmingsplanprocedure in strijd komt met gemeentelijk en/of provinciaal beleid: Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7971, rov. 5.5. Zie voor een klassiek voorbeeld HR 10 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1055, NJ 1996/3, AB 1993/586 (Den Dulk) over de totstandkoming van een overeenkomst tot uitgifte van erfpacht. In die zaak was een overeenkomst tot stand gekomen en kon de overheid zich niet beroepen op gewijzigde omstandigheden.
Zie over onvoorziene omstandigheden Asser/Sieburgh 6-III 2018/16.4.
HR 23 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0834, NJ 1991/673, AB 1989/551 (GCN/Nieuwegein). Zoals het hof in het bevolkingskrimparrest HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2615, AB 2018/37 over het beroep op dat belang overweegt: “Het hof meent dat in dezen voldoende rechtvaardiging als zojuist bedoeld ontbreekt. Zelfs indien zou komen vast te staan dat redenen ontleend aan het algemeen belang (de ruimtelijke ordening, als door de Gemeente aangevoerd) de Gemeente daadwerkelijk noopten tot wijziging van haar beleid in die zin dat het Project geen doorgang kon vinden, waarover, tegen de achtergrond van hetgeen [verweerster 1] heeft aangevoerd, nog gerede twijfel mogelijk is, dan zou wel sprake kunnen zijn van onvoorziene omstandigheden, maar dat is voor een beroep daarop zoals uit het voorgaande blijkt onvoldoende. Juist het hiervoor reeds omschreven gegeven dat de bevolkingskrimp reeds bestond bij het aangaan van de overeenkomst tussen partijen, nog wel bestaande in een samenwerkingsovereenkomst, en bij de Gemeente ook bekend althans voor haar kenbaar was dat dit gevolgen voor het aantal te bouwen woningen in haar gemeente met zich zou brengen, weegt voor het hof in dit verband zwaar.”
HR 27 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9457, NJ 1987/726 (Tolkentarieven).
Zie HR 23 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0834, NJ 1991/673, AB 1989/551 (GCN/Nieuwegein) en over dit arrest Van der Veen 2022.
M.W. Scheltema 2009 merkt onder 6.2 op dat daarmee een andere toetsing plaatsvindt dan bij gewone overeenkomsten tussen particulieren. “Dat wordt in de eerste plaats veroorzaakt doordat het niet zozeer gaat om de voorzienbaarheid van de beleidswijziging, maar primair om de zwaarte van de daarbij betrokken belangen.”
Rb. Noord-Nederland 7 februari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:407, rov. 4.7. De gemeente heeft continu medewerking toegezegd tot het mogelijk maken van een tijdelijke supermarkt. Ter uitvoering daarvan heeft de gemeente een omgevingsvergunning verleend en toegezegd dat zij ook privaatrechtelijk zou meewerken aan het realiseren van de tijdelijke supermarkt door verhuur van de daarvoor benodigde gronden. De gemeente weigerde een huurovereenkomst aan te gaan in verband met gewijzigd beleid. Na een aantal jaren besloot de gemeente andere supermarkten toe te staan.
Van der Veen 2022, p. 199; Bröring en De Graaf e.a. 2019, p. 562-563 en Schueler 2012, p. 197. Zie bijv. ook HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2615, AB 2018/37 (Bevolkingskrimp).
Schueler 1987, p. 352 en HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1957, NJ 2022/236, AB 2022/134 (Toezegging aanleg brug).
Rb. Zeeland-West-Brabant 13 maart 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1618.
Rb. Zeeland-West-Brabant 13 maart 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1618, rov. 4.34. Daarbij toetst de rechter of een gewijzigd planologisch inzicht tijdens de duur van de overeenkomst is opgekomen en een bijzondere omstandigheid behelst waarvoor de overeenkomst een specifieke bepaling heeft, rov. 4.27.
Vgl. ook Hof Leeuwarden 24 juli 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BX2527. De gemeente Het Bildt had met een private partij grond geruild. De in dat verband door de gemeente verkregen grond was gelegen nabij een supermarkt in het dorp Sint Annaparochie. In het kader van de grondruil werd door de private partij bedongen dat de (nieuwe) gemeentelijke grond door die private partij gebruikt mocht blijven worden voor het laden en lossen ten behoeve van die supermarkt. Toen later door de gemeente een maatwerkvoorschrift werd opgelegd om nachtelijk laden en lossen te verbieden meende de contractuele wederpartij dat zulks in strijd was met de gemaakte afspraken. Het Hof overweegt evenwel dat de door die partij voorgestane uitleg van de overeenkomst niet redelijk is en zonder nadere onderbouwing niet valt in te zien dat de gemeente haar gehele ruimtelijke ordenings- en milieubeleid betreffende het centrum van Sint Annaparochie ondergeschikt heeft willen maken aan het laden en lossen van de supermarkt en een zodanig in de persoonlijke levenssfeer van haar ingezetenen ingrijpend aspect in zou willen zetten voor de verwerving van een kleine hoeveelheid grond.
Hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2046. Het cassatieberoep tegen het arrest is door de Hoge Raad verworpen, HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1957, NJ 2022/236, AB 2022/134 (Toezegging aanleg brug). Het hof sloot aan bij het stappenplan zoals geformuleerd door de Afdeling. Het gaat mis bij die derde stap, de belangenafweging. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 28 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2408, rov. 3.15.
Sprake was van een door de Staat opgezet programma “Ruimte voor de Rivier”, waar een project deel van uitmaakt dat de bereikbaarheid van de woning van betrokkene beïnvloedt. Eiser kan na de uitvoering van het project zijn woning niet langer 362 dagen per jaar bereiken via een ontsluitingsweg door de uiterwaard en kon bij hoogwater gebruik maken van een brug. Na realisering van het project was het niet langer mogelijk te komen en gaan via de ontsluitingsweg en de brug.
Hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2046, rov. 4.5.
Het vaststellen van een toezegging vindt in het bestuursrecht en civiele recht nagenoeg op dezelfde wijze plaats, zie par. 4.3.
Het cassatieberoep tegen dit oordeel van het hof is verworpen in HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1957, NJ 2022/236, AB 2022/134 (Toezegging aanleg brug).
In de jurisprudentie wordt ook wel eens overwogen dat bij een vordering wegens niet-nakoming van een toezegging een beroep wordt gedaan op het bestuursrechtelijke vertrouwensbeginsel, waar de overheid zich op grond van art. 3:14 BW aan moet houden. Zie bijv. Rb. Overijssel 8 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4682, rov. 4.12-4.14.
De Hoge Raad overweegt in rov. 3.2.3 dat de wijze waarop de maatstaf uit het bestuursrecht moet worden toegepast in een geval als het onderhavige niet verschilt van de wijze van de civielrechtelijke maatstaf. Dit betekent dat een toezegging moet worden nagekomen tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden en het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de overheid nakoming van de toezegging te verlangen.
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, AB 2019/302 (Dakterras).
In Rb. Rotterdam 9 februari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:937 maakte dit uitgangspunt dat de gemeente niet van haar toezegging terug mocht komen met een beroep op slechts financiële overwegingen. In die zaak was toegezegd een rioolgemaal dat voor een woning was geplaatst te verplaatsen. Het belang van eiser is gelegen in een vermindering van woongenot, terwijl het belang van de gemeente van louter financiële aard was, namelijk de kosten van herstel van de door de gemeente zelf gemaakte fout.
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1957, NJ 2022/236, AB 2022/134 (Toezegging aanleg brug), rov. 3.2.3.
Vgl. Rb. Gelderland 22 juni 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:3317.
Par. 3.4, par. 4.3 en par. 6.4.
Zie al HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0875, NJ 1995/704, AB 1993/305 (Landverordening Aruba), rov. 3.4. In die procedure werd op basis van onrechtmatige daad schadevergoeding gevorderd voor het feit dat door het land Aruba de medewerking aan een project van Lopez en Trias was toegezegd, maar dat de voor die medewerking noodzakelijke landsverordening niet tot stand was gekomen.
Van der Veen 2022, par. 11.6 en conclusie A-G Rank-Berenschot, ECLI:NL:PHR:2019:67 voor HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:445 (Voorst/Vitens), onder 2.78-2.82. Zij concludeert dat het niet gaat niet om de vraag of een overheid in redelijkheid tot de beleidswijziging heeft kunnen komen, “maar of de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrachten dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Deze beoordeling vergt een “volle” toets aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval.”
Vanuit de overheid bezien zullen er vaak legitieme redenen bestaan om een fidens teleur te stellen.1 Ook in de literatuur is geconstateerd dat er goede redenen kunnen zijn om overeenkomsten en toezeggingen niet na te komen, hoe bindend die ook zijn.2
Zo kunnen derden gegronde bezwaren aanvoeren tegen een besluit, waardoor de overheid alsnog niet de beoogde planologische medewerking kan verschaffen.3 In de rechtspraak over nakomingsgeschillen in het kader van overeenkomsten komt daarnaast een beroep van een overheid op gewijzigde (onvoorziene) omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW geregeld voor.4 Het gaat dan om omstandigheden die hebben plaatsgevonden ná het sluiten van de overeenkomst (zoals een nieuwe samenstelling van de gemeenteraad na verkiezingen, gewijzigd beleid of gewijzigde externe omstandigheden zoals bevolkingskrimp5), die niet in de overeenkomst zijn verdisconteerd en die maken dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst of toezegging mag verwachten.6 In dat geval moet een afweging plaatsvinden tussen contractuele gebondenheid enerzijds en publiekrechtelijke vrijheid van de overheid anderzijds. Het gevolg van een succesvol beroep op onvoorziene of gewijzigde omstandigheden is dat een nakomingsvordering niet slaagt en slechts een schadevergoedingsvordering voor schending van vertrouwen resteert.7
Bij de vraag of voldoende rechtvaardiging bestaat voor een beroep dat ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst in strijd is met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, dient volgens die rechtspraak onder meer gelet te worden op de aard van de overeenkomst, de aard van de overheidstaak op de uitoefening waarvan het overheidslichaam zich beroept, en, wanneer het om een beleidswijziging gaat, op de aard en het gewicht van de maatschappelijke belangen die met die beleidswijziging zijn gediend.8
Vaak staat de vraag centraal of gewijzigd beleid geldt als onvoorziene omstandigheid. Het staat de overheid vrij om beleid te wijzigen, maar zo’n wijziging moet plaatsvinden via een zorgvuldige belangenafweging.9 De jurisprudentie van de Hoge Raad beantwoordt de vraag of gewijzigd beleid kan worden aangemerkt als onvoorziene omstandigheid bevestigend.10 Of die omstandigheden vervolgens ook afwijking van de overeenkomst rechtvaardigen, is afhankelijk van de ernst en het gewicht van de omstandigheden.11 De civiele rechter beoordeelt of de gewijzigde beleidsinzichten voldoende zwaarwegend zijn om de toezegging niet langer na te komen.12 Hij gaat daarbij verder dan een marginale toetsing.13
De beleidsinzichten moeten bovendien voldoende concreet en realistisch zijn. Ook moet het gestand doen van de afspraak conflicteren met de nieuwe beleidsinzichten. Of het niet waarmaken van een toezegging gerechtvaardigd is, hangt ook af van de aard van de toezegging. Bij een toezegging tot betaling (een verbintenis tot het betalen van een geldsom, bijvoorbeeld schadevergoeding of een compensatie) is afwijking minder snel gerechtvaardigd.14
Illustratief voor een beroep op gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW door de overheid is een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin een beroep door een projectontwikkelaar op wanprestatie slaagde.15 In dat geval stond de rechtmatigheid van het op de bevoegdhedenovereenkomst volgende besluit in de vorm van een bestemmingsplan buiten kijf. De projectontwikkelaar Noorderpolder zocht de civiele rechter op omdat het bestemmingsplan geen woningbouw toestond, terwijl de gemeente Schouwen-Duiveland in de samenwerkingsovereenkomst (“SOK”) haar medewerking tot het mogelijk maken daarvan had toegezegd. De gemeente beriep zich op gewijzigde ruimtelijke planologische inzichten, als gevolg waarvan woningbouw negatieve planologische gevolgen zou hebben.
De rechtbank stelt vast dat de projectontwikkelaar op grond van de SOK ervan mocht uitgaan dat zij in het plangebied 575 woningen mocht realiseren en dat de gemeente diende mee te werken aan het zo spoedig mogelijk nemen van de noodzakelijke publiekrechtelijke besluiten in de zin van de SOK. De gemeente verleende echter, gelet op haar gewijzigde inzichten omtrent het planologisch beleid, geen medewerking aan de realisatie van de woningen. Zij kwam de overeenkomst niet na.
De gemeente voerde onder verwijzing naar de SOK aan dat Noorderpolder geen nakoming van de SOK kon vorderen. De gemeente legde hieraan ten grondslag dat zij op grond van haar publieke functie en taak gehouden is om haar beleid te wijzigen als het algemeen belang dat vergt. Dit beleid kwam erop neer dat reeds geplande nieuwbouw diende te worden ‘afgeboekt’ teneinde leegstand in andere woonkernen tegen te gaan en om zodoende in deze kernen verloedering te voorkomen en het voorzieningenniveau te handhaven. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de SOK, maar slechts van een zelf gekozen beleidswijziging. De gemeente heeft een beroep gedaan op artikel 6:248 BW en artikel 6:258 BW, als gevolg waarvan volgens haar de projectontwikkelaar voor de bouw geen nakoming van de SOK kan vorderen.
De rechtbank overweegt dat het wijzigen van planologisch beleid ten behoeve van het dienen van zwaarwegende belangen als voorkoming van leegstand en verloedering in beginsel legitiem is en door de gemeente in dit geval een beroep kan worden gedaan op artikel 6:258 BW.16 Als hoeders van het algemeen belang moeten politieke organen zich deze belangen aantrekken.17 Dit laat onverlet dat de gemeente op grond van een tekortkoming in de nakoming van de SOK aansprakelijk is om de dientengevolge te lijden schade aan Noorderpolder te vergoeden.
Een fraaie illustratie van gewijzigde omstandigheden in het kader van een eenzijdige overheidstoezegging vormt een arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden dat leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021.18 In dat arrest komt het hof – anders dan de rechtbank – tot het oordeel dat gelet op de gewijzigde omstandigheden een toezegging van de Staat aan betrokkene om naar aanleiding van een onteigening op kosten van de Staat een brug aan te leggen ter garantie van de bereikbaarheid van de woning van betrokkene niet hoefde te worden nagekomen. Het algemeen belang van de Staat bij een doelmatige besteding van overheidsgeld gaat voor.19
Het hof sluit aan20 bij de beoordelingsmaatstaf van de bestuursrechter om te oordelen of sprake is van een concrete, ondubbelzinnige toezegging.21 De toezegging van de Staat voldeed aan die voorwaarden: bij betrokkene is de indruk gewekt van een welbewuste standpuntbepaling van de Staat over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid zou worden uitgeoefend. Bij het derde aspect van het vertrouwensbeginsel – de belangenafweging – gaat het mis voor betrokkene. Zijn belang was gelegen in een goede bereikbaarheid van zijn woning, terwijl het belang van de Staat is gelegen in een doelmatige besteding van overheidsgelden. Voor betrokkene geldt dat door het verhogen van de overlaat de gewenste gemiddelde bereikbaarheid – nagenoeg – behaald kan worden zonder het aanleggen van een brug. Voor de Staat is dan de aanleg van de brug geen doelmatige uitgave. Weliswaar is de route via de verhoogde uitlaat langer dan via de brug, maar de Staat heeft aangeboden de omrijschade te vergoeden. Daardoor is het belang van geintimeerde dat met de toezegging is gediend verminderd en weegt het belang van de Staat van een doelmatige uitgave van overheidsgeld nu zwaarder, aldus het hof.22 Een parallel kan worden getrokken met de bestuursrechtelijke jurisprudentie over het vertrouwensbeginsel.23 Het aanbieden van vergoeding kan ook daar maken dat het belang van een belanghebbende minder zwaar gaat wegen en een overheid haar toezegging – in ruil voor geldelijke compensatie – niet hoeft na te komen.24
In het cassatieberoep is door betrokkene betoogd dat voor de beoordeling of een overheid kan terugkomen van een onvoorwaardelijke toezegging aangesloten moet worden bij artikel 6:258 BW en niet – zoals het hof heeft gedaan – bij het toetsingskader van het bestuursrechtelijke vertrouwensbeginsel zoals geformuleerd in de Dakterras-uitspraak25.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en overweegt dat toezeggingen in beginsel nagekomen dienen te worden, tenzij bijzondere omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het onaanvaardbaar maken van een overheid (in dit geval: de Staat) nakoming van de toezegging te verlangen. Hij verwijst daarbij naar artikel 6:2 lid 2 BW. De bestuursrechtelijke maatstaf uit de Dakterras-uitspraak verschilt ‘in een geval als het onderhavige’ niet van de civielrechtelijke maatstaf. De Hoge Raad overweegt:
“Volgens beide maatstaven dient bij de beoordeling tot uitgangspunt dat het overheidslichaam gehouden is de toezegging na te komen, dat het belang van degene die aanspraak maakt op nakoming zwaar weegt en dat zwaarderwegende andere belangen, waaronder belangen van derden of algemene belangen, aan nakoming in de weg kunnen staan. Hoe deze afweging uitvalt, is telkens afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Naarmate belangen van derden of algemene belangen zich sterker tegen nakoming van de toezegging verzetten, zal zich eerder het geval voordoen dat degene aan wie de toezegging is gedaan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verlangen dat het overheidslichaam de toezegging nakomt. Dat kan in het bijzonder het geval zijn indien het overheidslichaam voorziet in een alternatief of compensatie, waardoor het nadeel door het niet nakomen van de toezegging op adequate wijze wordt ondervangen.
Indien tegenover het belang bij de nakoming van de toezegging alleen een financieel belang van het overheidslichaam staat, zal niet snel mogen worden aangenomen dat nakoming van de toezegging niet mag worden verlangd.26Het algemene belang bij een doelmatige besteding van publieke middelen kan onder omstandigheden evenwel zo zwaarwegend zijn dat dit aan nakoming van de toezegging in de weg staat. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien het belang dat met de toezegging werd gediend door een wijziging van omstandigheden zodanig is verminderd, dat de met de nakoming gemoeide kosten in een onredelijke verhouding tot dat belang zijn komen te staan.”27
De Hoge Raad overweegt dat de beoordeling of een overheid tot nakoming van een toezegging kan worden gehouden, in het civiele recht in dit geval hetzelfde wordt beoordeeld als in het bestuursrecht. Dit betekent dat van een toezegging nakoming kan worden verlangd, maar dat een (nadere) belangenafweging alsnog aan die nakoming in de weg kan staan.28 De Hoge Raad laat het arrest van het hof in stand, maar benadrukt tegelijkertijd het civielrechtelijke kader waarin de nakomingsverplichting – en daarmee de burger dus in beginsel een sterkere positie heeft dan in het bestuursrecht29– op grond van artikel 6:2 BW voorop staat.
Een overheid mag zich weliswaar beroepen op gewijzigde (planologische) inzichten, maar indien sprake is van een door een overheid zelf gekozen beleidswijziging die maakt dat zij niet langer haar verplichtingen nakomt, is zij in de regel wel aansprakelijk voor de gevolgen van niet-nakoming.30 Of een beleidswijziging of andere algemene belangen kunnen leiden tot een succesvol beroep op artikel 6:2, artikel 6:248 BW of artikel 6:258 BW toetst de civiele rechter vol, althans niet terughoudend.31
De reden voor een niet-nakoming van een toezegging kan ook gelegen zijn in een nadere (financiële) belangenafweging. Een relatief klein nadeel voor de fidens tegenover een grote financiële last van de overheid in geval van niet-nakoming van een toezegging, kan in de belangenafweging in het voordeel van de overheid uitvallen met het argument van een doelmatige besteding van overheidsgelden.