Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.16
9.4.16 Overlijden
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940617:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor enkele voorbeelden waarin de boeteling overleed gedurende de (hoger) beroepsfase (en de boetes dus kwamen te vervallen) Hof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2020, V-N 2020/41.15, r.o. 2.34 en 4.38 en de zaak die heeft geleid tot HR 22 september 2023, V-N 2023/47.23.6 (zie r.o. 2.5 van de Hofuitspraak).
Art. 5:42 lid 2, tweede volzin regelt aldus dat ook onherroepelijk vaststaande boetes nog kunnen vervallen. Feteris heeft erop gewezen dat dit (in zijn optiek) verder gaat dan strikt noodzakelijk is op grond van het EVRM of de strafrechtelijke beginselen, zie Feteris 2002, p. 392.
Aldus ook: Feteris 2007, p. 383. Zie uitgebreider: Feteris 2002, p. 391 e.v..
Zie (met betrekking tot de onschuldpresumptie) EHRM 27 september 2007 (Nitschke), nr. 6301/05, FED 2008/4.
EHRM 29 augustus 1997 (E.L. e.a. versus Zwitserland), BNB 1998/61, par. 53.
Zie ook paragraaf 9.3.4.
Bijvoorbeeld door een juridische fusie. De bij die fusie verdwenen rechtspersoon kan (eenmaal verdwenen) geen beboetbare feiten meer begaan, zie Rb Noord-Holland 15 september 2015, V-N 2015/65.24.7.
Een (ontbonden) vennootschap onder firma houdt pas op te bestaan als zowel de vereffening als de verdeling van het vennootschappelijke vermogen is voltooid, zie HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.16, r.o. 3.2.2.
HR 19 september 2003, V-N 2003/48.7, BNB 2003/370.
Zie HR 12 augustus 2005, V-N 2005/38.9, BNB 2006/110 (inzake een ontbonden commanditaire vennootschap). De enkele omstandigheid dat een vennootschap was ontbonden, belette echter niet dat aan die vennootschap een boete werd opgelegd. Zie ook HR 20 oktober 2017, V-N 2017/51.6, BNB 2018/81, r.o. 2.3.3, waarin deze leer, zoals die gold onder het oude recht, werd bevestigd.
HR 20 oktober 2017, V-N 2017/51.6, BNB 2018/81, r.o. 2.3.5.
Dat geldt dus ook voor de vennootschap onder firma (die bevoegdheid vervalt niet pas nadat de vereffening en de verdeling van het vennootschappelijke vermogen is voltooid).
In deze zin: Hof Amsterdam 9 februari 2017, V-N 2017/21.6 (met name r.o. 5.12.2).
Bij een niet-natuurlijke persoon kan in dit verband worden gedacht aan de (voormalige) vertegenwoordiger of de vereffenaar.
Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 5 maart 2015, V-N 2015/25.19.27, r.o. 1.4.
Zie voor een schaars voorbeeld uit de jurisprudentie Hof ’s-Hertogenbosch 5 maart 2015, V-N 2015/25.19.27.
Zie HR 20 oktober 2017, V-N 2017/51.6, BNB 2018/81, r.o. 2.3.5.
Ten minste, omdat gegevens uit het dossier aanleiding kunnen zijn voor nader eigen onderzoek.
Art. 5:42 Awb regelt dat geen boete meer wordt opgelegd na het overlijden van de boeteling en dat een nog niet onherroepelijk vaststaande1 of nog niet betaalde2 boete komt te vervallen. Het verval van de boete na het overlijden van de boeteling, is een fundamenteel beginsel van strafrecht.3 Dat uitgangspunt wordt ook rechtstreeks gedekt door de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM en het door art. 6 lid 3 onder c EVRM gegarandeerde recht om zichzelf te verdedigen.4 Het erven van schuld (in de zin van verwijtbaarheid) van een overledene is voorts niet in overeenstemming met de rechtvaardigheidsnormen die gelden in een rechtsstaat.5 Het verwijt is hoogstpersoonlijk.6
Bij rechtspersonen en andere niet-natuurlijke personen (zoals vennootschappen onder firma), kan er uiteraard geen sprake zijn van overlijden. Wel kan de betreffende persoon ophouden te bestaan,7 en als het tevens een civielrechtelijke rechtspersoon betreft, worden ontbonden en vereffend (geliquideerd).8 In dergelijke gevallen kan voor wat betreft de boete een parallel worden getrokken met het overlijden van een natuurlijke persoon. De jurisprudentie uit de sfeer van de heffing staat het opleggen van aanslagen na ontbinding van een rechtspersoon, over perioden waarin de rechtspersoon nog bestond, toe.9 Reeds uit de jurisprudentie van de Hoge Raad van vóór de invoering van de Vierde Tranche Awb kan worden afgeleid dat deze leer in de boetesfeer niet ongeclausuleerd geldt.10 Vanaf de invoering van de Vierde Tranche Awb wordt op grond van art. 5:1 lid 3 Awb aangesloten bij het strafrecht (art. 51 Sr). Daaruit volgt volgens de Hoge Raad dat beboeting van een ontbonden rechtspersoon of entiteit slechts mogelijk is in gevallen waarin het opleggen van de boete (of de kennisgeving daarvan) heeft plaatsgevonden voordat de ontbinding van die rechtspersoon of entiteit voor derden kenbaar was (bijvoorbeeld door publicatie in het Handelsregister).11 Kenbaarheid van de ontbinding leidt dus tot verval van de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete.12 Aldus wordt ook onder het huidige recht rekening gehouden met het hoogstpersoonlijke karakter van het verwijt, dat evenzeer voor niet-natuurlijke personen geldt. Naar mijn mening is dat terecht: als die persoon zich niet meer kan verdedigen, zou de boeteoplegging in strijd komen met de onschuldpresumptie.13
De bewijslast ter zake van het overlijden rust bij natuurlijke personen logischerwijs (of beter: noodzakelijkerwijs) op de erven:14 zij zullen – in het uitzonderlijke geval dat de inspecteur het overlijden betwist – aan de hand van bijvoorbeeld een verklaring van overlijden (van de schouwarts), een overlijdensakte (van de gemeente) of een verklaring van erfrecht (van de notaris) het bewijs moeten aandragen.15 Het betreft immers een omstandigheid die de boete vermindert. Indien de inspecteur niet op de hoogte is van het overlijden van de boeteling, zullen de erven hem daarop moeten wijzen. Naar mijn mening zal de rechter, wanneer hij het overlijden van de boeteling vaststelt, echter ook ambtshalve tot verval van de boete moeten concluderen.16 De tekst van art. 5:42 Awb houdt immers in dat de boete van rechtswege komt te vervallen en de rechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.17
Hetzelfde geldt voor niet-natuurlijke personen, waarbij ook de inspecteur een ambtshalve toetsingsplicht heeft. Indien hij ten tijde van de kennisgeving van of het voornemen om een boete op te leggen op de hoogte is geraakt van de ontbinding van de rechtspersoon, dient hij af te zien van het opleggen van die boete. Indien uit de stukken het rechtstreekse en ernstige vermoeden rijst dat de rechtspersoon inmiddels is ontbonden, zal de inspecteur bovendien nader onderzoek moeten verrichten, ook indien is verzuimd het besluit tot ontbinding door publicatie voor derden kenbaar te maken.18 Ik zie niet in waarom dat voor de rechter anders zou moeten zijn. Dat betekent dat er ten minste een ambtshalve toetsingsplicht geldt.19