Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.6.6
7.6.6 De eerste vier situaties
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS304973:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In het arrest Comsys Holding (HR 11 september 2009, NJ 2009, 656 m.nt. Van Schilfgaarde (Comsys Holding)) speelde bijvoorbeeld ook de schijn van kredietwaardigheid een impliciete rol. In het Securicor-arrest (HR 18 november 1994, NJ 1995, 170 m.nt. Maeijer (NBM/Securicor)) speelde de intensieve bemoeienis en ingrijpmacht een rol.
HR 25 september 1981, NJ 1982, 443 m.nt. Maeijer (Osby); HR 19 februari 1988, NJ 1988, 487 m.nt. Van der Grinten (Albada Jelgersma II); HR 18 november 1994, NJ 1995, 170 m.nt. Maeijer (NBM/ Securicor); HR 12 juni 1998, NJ 1998, 727 m.nt. Van Schilfgaarde (Coral/Stalt); HR 21 december 2001, JOR 2002, 38m.nt. Faber/Bartman (Sobi/Hurks); HR 11 september 2009, NJ 2009, 656 m.nt. Van Schilfgaarde (Comsys Holding).
Bartman & Dorresteijn 2013, p. 315.
Zie voor deze stappen naast Bartman & Dorresteijn: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 842; Verbunt & Van den Heuvel 2007, p. 223 e.v.
Interessant is dat voor deze positieve norm niet wordt aangesloten bij de positieve norm van artikel 2:8 BW, maar dat deze klaarblijkelijk voortvloeit uit de onrechtmatige daad zelf. Betoogd zou kunnen worden dat de aandeelhouder geen positieve zorgplicht heeft jegens crediteuren (voor zover deze niet tot de kring van institutioneel betrokkenen behoren), omdat daar geen wettelijke grondslag voor is, althans niet op basis van Boek 2 BW. De onrechtmatige daad lijkt deze leemte enigszins, voor zover het de aansprakelijkheid betreft, in te vullen. Anders gezegd, de onrechtmatige daad lijkt toch de mogelijkheid te creëren voor niet institutioneel betrokkenen om te verlangen dat aandeelhouders zich op een bepaalde wijze gedragen.
Situatie 1.
Situatie 4.
Situatie 3.
Situatie 2.
Slagter/Assink 2013, p. 2282.
Deze vereiste hechte concernstructuur is van belang voor het bepalen van de bewustheid van de aandeelhouder, in de kern de derde stap van de ‘road to piercing’ van Bartman en Dorresteijn.
A-G Timmerman in overweging 3.8. van zijn conclusie bij HR 12 september 2008, JOR 2008, 297 m.nt. Van Maanen (Van Dusseldrop q.q./Coutts Holding). Zie in dit verband ook: Barneveld 2014, p. 474; Lennarts 2010-2, p. 189; Slagter/Assink 2013, p. 2281. Zie ook: Verbunt & Van den Heuvel 2007, p. 227, die de hechte concernstructuur koppelen aan het bewustheidscriterium. De aandeelhouder moest zich bewust zijn van het feit dat crediteuren op onbetamelijke wijze aan financiële risico’s worden blootgesteld. Vaak zal het bewustzijn echter wel gekoppeld zijn aan de intensieve bemoeienis (evenzo: Lennarts 2010-2, p. 189).
HR 21 december 2001, JOR 2002, 38 m.nt Faber/Bartman (Sobi/Hurks), r.o. 3.1. onder iv.
R.o. 5.3.3.
Evenzo: Slagter/Assink 2013, p. 2261, die in dit verband ook verwijst naar HR 16 januari 1987, NJ 1987, 970 m.nt. Maeijer (Euro-Advertising/Van Tiel).
Zij menen dat de intensieve bemoeienis een gegeven is wanneer de moedervennootschap niet alleen aandeelhouder maar ook bestuurder van de dochtervennootschap is (Bartman & Dorresteijn 2013, p. 319). Daarmee lijken zij te veronderstellen dat in die situatie ook voldaan is aan de eerste stap, zijnde de hechte aard van de concernstructuur.
Hof Amsterdam 21 april 2009, JOR 2009, 267 m.nt. Van Andel (Rexcom Holland/DINS). Het hof overwoog dat niet gebleken was van een dominante invloed van de moedervennootschap, die tevens enig bestuurder van de dochtervennootschap was, over het inkoop en betalingsbeleid van de dochtervennootschap.
Evenzo: Slagter/Assink 2013, p. 2282.
Zijnde: de schijn van kredietwaardigheid (situatie 1); de wetenschap van benadeling (situatie 2); het stopzetten van de noodzakelijke financiering (situatie 3); en het verbeteren van de eigen positie ten opzichte van andere crediteuren (situatie 4).
Deze vier situaties zijn nauw aan elkaar verwant en worden als gevolg daarvan ook niet door iedereen als zodanig van elkaar onderscheiden. Bovendien doet zich in de hierboven aangehaalde jurisprudentie vaak een aantal van de bovenstaande situaties voor en niet slechts één situatie.1 Bartman en Dorresteijn hebben aan de hand van de criteria die de Hoge Raad in de voornoemde arresten2 en in het bijzonder in Sobi/Hurks aanreikt een methode opgesteld voor doorbraakvordering op grond van de onrechtmatige daad bij stilzitten van de moedervennootschap.3 Deze ‘roadmap to piercing’ kent een viertal stappen:
er moet sprake zijn van een hechte aard van de concernstructuur op grond waarvan de moedervennootschap ‘ingrijpmacht’ bij de dochtervennootschap heeft;
de moedervennootschap moet zich intensief bemoeid hebben met het beleid van de dochtervennootschap. Deze intensieve bemoeienis in combinatie met de ingrijpmacht creëren een zorgplicht voor de moedervennootschap;
vervolgens moet bepaald worden op welk tijdstip de moedervennootschap van de deplorabele toestand van de dochtervennootschap op de hoogte behoorde te zijn. Op dat moment wordt de voornoemde zorgplicht geactiveerd; en
tot slot moet worden bepaald of de zorgplicht, vanaf het moment van activering, in voldoende mate is nagekomen.4
Het gaat hierbij, blijkens de voornoemde stappen, om een zorgplicht, dus om een actieve houding (positieve norm) van de moedervennootschap jegens de crediteuren van de dochtervennootschap.5 Het schenden van deze zorgplicht kan leiden tot aansprakelijkheid wanneer de vennootschap verplichtingen aangaat terwijl zij weet of behoorde te voorzien dat zij deze niet zou kunnen nakomen,6 de vennootschap in het zicht van faillissement toestaat dat een bepaalde schuldenaar wordt bevoordeeld, als gevolg waarvan paritas creditorum doorbroken wordt,7 de vennootschap betrokken is bij het stopzetten van de noodzakelijke financiering,8 of wanneer er sprake is van een bepaalde ‘ingrijpmacht’ en wetenschap van benadeling.9
Assink twijfelt eraan of dit stappenplan als maatgevend voor alle vormen van aandeelhoudersaansprakelijkheid op grond van de onrechtmatige daad in groepsverband kan worden beschouwd.10 Hij verdedigt onder meer dat een hechte groepsstructuur en intensieve bemoeienis niet zonder meer met zich meebrengen dat sprake is van een (onder omstandigheden te activeren) zorgplicht van de aandeelhouder, maar dat deze zorgplicht pas ontstaat op het moment dat één van de hierboven beschreven situaties zich voordoet.
Voor aansprakelijkheid van de aandeelhouder op grond van een zorgplicht is volgens de jurisprudentie (vooralsnog) vereist dat sprake is van een hechte (concern)structuur.11Hoewel er blijkens Sobi/Hurks geen sprake hoeft te zijn van daadwerkelijke intensieve bemoeienis, moet er wel een potentiële ingrijpmacht bestaan op basis van de bijzondere inrichting.12
De vraag is wanneer sprake is van deze hechte (concern)structuur, op grond waarvan de vereiste bewustheid van benadeling ontstaat, en er voldoende potentiële ingrijpmacht is. Is hiervan al sprake wanneer de aandeelhouder enig aandeelhouder van de vennootschap is? Dit lijkt niet het geval te zijn. Een hechte (concern)structuur veronderstelt dat er sprake is van een verdergaande mate van hechtheid. In het arrest Coral/Stalt was bijvoorbeeld sprake van een dusdanig hechte aard, dat Stalt (de moedervennootschap) heeft bewerkstelligd dat de Forsythe (dochtervennootschap) haar bedrijfsactiviteiten beëindigde en alle handelscrediteuren met uitzondering van Coral volledig werden voldaan. In Albada Jelgersma II had de Albada Jelgerma Holding (moedervennootschap) de zeggenschap over de bedrijfsvoering vanWijnalda Kuntz (dochtervennootschap), met name ook op het terrein van inkopen. In het Comsys-arrest werd door het Hof overwogen dat sprake was van een nauwe bestuurlijke, bedrijfsmatige en financiële verwevenheid tussen de vennootschappen en dat de Comsys Services (dochtervennootschap) in kwestie afhankelijk was van (onder meer) de Comsys Holding (moedervennootschap). De structuur bracht risico’s voor de crediteuren van Comsys Services met zich mee. Tot slot was ook in Sobi/Hurks sprake van een hechte (concern)structuur die, naast het aandelenbezit, werd gevormd door de bepalingen in de statuten, de arbeidsovereenkomst van de bestuurder en de financieringsstructuur.13 Daaraan wordt de consequentie verbonden van een verplichting tot actief toezicht houden door de aandeelhouder.14
Blijkens de bovenstaande voorbeelden uit de jurisprudentie is het zijn van enig aandeelhouder van de vennootschap op zichzelf onvoldoende voor een (onder omstandigheden te activeren) zorgplicht.15 Er moet sprake zijn van een verdergaande mate van betrokkenheid.
De vraag die in dit kader ook kan worden gesteld, is of het zijn van enig aandeelhouder en enig bestuurder (wel) voldoende is om een voldoende hechte aard in de (concern)structuur te veronderstellen. Bartman en Dorresteijn lijken te veronderstellen dat dit wel het geval is,16 terwijl het Hof Amsterdam daar geheel anders over denkt.17 Zelfs wanneer sprake is van voldoende hechte concernstructuur, is daarmee mijns inziens nog niet gezegd dat er altijd sprake is van een zorgplicht.18 Bij ieder van de vier voornoemde situaties is sprake van een hechte (concern)structuur, maar tevens van een aanvullende relevante omstandigheid.19 Op grond van de combinatie van die structuur en omstandigheid wordt de aandeelhouder aansprakelijk gehouden.
Een aandeelhouder loopt, slechts bezien vanuit zijn hoedanigheid als aandeelhouder, die niet in een andere hoedanigheid betrokken is bij de vennootschap en wanneer er geen sterke bedrijfsmatige verwevenheid bestaat tussen de aandeelhouder en de vennootschap, in de regel geen aansprakelijkheidsrisico binnen het leerstuk van de doorbraak van aansprakelijkheid. Wat dit leerstuk wel leert, is dat de organisatierechtelijke rechten van de aandeelhouder binnen de vennootschap en het daadwerkelijk (intensief) gebruikmaken van deze rechten om het beleid van de vennootschap te beïnvloeden, met zich mee brengen dat de verantwoordelijkheid van de aandeelhouder en daarmee ook het aansprakelijkheidsrisico bij onverantwoord handelen toeneemt.