Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.6.9
7.6.9 Conclusie aansprakelijkheid
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS303765:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband ook: Maeijer in zijn annotatie bij het Nimox-arrest.
Hoofdstuk 6, voetnoot 182 en 183.
Evenzo: Assink 2009, p. 78-79.
Opvallend is dat, hoewel is vastgesteld dat een beroep op de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2:8 BWenkel kan worden ingeroepen door een institutioneel betrokkene, in het kader van doorbraak van aansprakelijkheid toch een zorgplicht voor de aandeelhouder jegens crediteuren (die, in ieder geval in die hoedanigheid, niet tot de kring van institutioneel betrokkenen behoren) wordt aangenomen. Klaarblijkelijk kan de onrechtmatige daad dus een zelfstandige grondslag zijn voor een verplichting tot een doen. Zie in dit verband ook voetnoot 199 van dit hoofdstuk.
Zie over het derde criterium ook hoofdstuk 6, voetnoot 137.
Uit de jurisprudentie omtrent de aansprakelijkheid van aandeelhouders blijkt dat het uitgangspunt van beperkte aansprakelijkheid van de aandeelhouder dat aan de kapitaalvennootschap ten grondslag ligt en zoals thans verwoord in artikel 2:81 BW nog steeds strikt wordt gehandhaafd. Dit sluit goed aan bij het uitgangspunt dat het een aandeelhouder vrij staat om in beginsel zijn eigen belang te behartigen. Voor aansprakelijkheidstelling van de aandeelhouder lijkt in de regel geen ruimte, tenzij sprake is van een hechte concernstructuur, maar dan vervult de aandeelhouder ook een meer prominente rol dan ‘slechts’ die van aandeelhouder in de klassieke zin. Een hechte concernstructuur is echter op zichzelf niet voldoende; er moet sprake zijn van een aanvullende omstandigheid die de zorgplicht met zich brengt. Een eerste uitzondering hierop is de jurisprudentie betreffende vermogensonttrekking door de aandeelhouder, in de regel in de vorm van een dividenduitkering. Hoewel ook in Nimox sprake was van een enig aandeelhouder ten tijde van het nemen van het besluit tot uitkering van het dividend en de Hoge Raad dit feit ook specifiek benoemt,1 lijkt daar meer ruimte te liggen voor een meer algemene regel van aandeelhoudersaansprakelijkheid. Een tweede uitzondering hierop is wanneer de aandeelhouder aansprakelijk wordt gehouden als feitelijk beleidsbepaler, maar daarmee wordt hij eigenlijk ook niet meer aansprakelijk gehouden als aandeelhouder.
In hoofdstuk 6 werd reeds aangehaald dat een toetsingsnorm niet hetzelfde is als een aansprakelijkheidsnorm.2 Voor aansprakelijkheid is niet alleen vereist dat een toetsingsnorm is geschonden, maar ook dat sprake is van schade, een causaal verband, relativiteit en van toerekenbaarheid.3 Wordt dit geplaatst in de sleutel van de onrechtmatige daad als aangewezen aansprakelijkheidsnorm voor de aandeelhouder, dan ziet de toetsingsnorm die in hoofdstuk 6 uiteen is gezet, alleen op de vraag of sprake is van een onrechtmatige gedraging, zijnde de eerste van de vijf voorwaarden voor de onrechtmatige daad. Daarbij maakt het mijns inziens geen verschil of sprake is van overtreding van een beperkende norm (een zorgvuldigheidsplicht) of een positieve norm (een zorgplicht). Beide normen hebben immers inhoudelijk dezelfde verantwoordings- en toetsingsnorm en worden dus onder dezelfde omstandigheden geschonden. Het onderscheid tussen een zorgvuldigheids- en zorgplicht is slechts in zoverre van belang dat (i) een onderscheid moet worden gemaakt tegenover wie die kan worden ingeroepen (de zorgplicht geldt enkel tegenover de institutioneel betrokkenen)4 en (ii) of van de aandeelhouder niet alleen een verplichting tot een niet doen, maar ook een verplichting tot een doen kan worden gevorderd.
Deze redenering sluit goed aan bij hetgeen hierboven met betrekking tot de kwalificatie van een onrechtmatige gedraging is overwogen, want om te bepalen of een gedraging als zodanig te kwalificeren is, moeten de belangen van de aandeelhouder en degene wiens belang geschaad is als gevolg van de gedraging van de aandeelhouder tegen elkaar worden afgewogen. Ook daar staat de belangenafweging centraal. Van een onrechtmatige gedraging is dan ook onder meer sprake wanneer (i) een ontoelaatbare onevenredigheid tussen het belang van de aandeelhouder en de andere belanghebbende bestaat, (ii) de aandeelhouder enkel het doel heeft het belang van een ander te schaden en (iii) de aandeelhouder zijn bevoegdheden uitoefent met een ander doel dan waarvoor zij zijn verleend.5 Daarnaast kan een aandeelhouder zich onrechtmatig gedragen wanneer hij inbreuk maakt op een recht of iets wordt gedaan of nagelaten in strijd met een wettelijke plicht.