Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.6.3
7.6.3 De tweede situatie (ingrijpmacht)
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS297714:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 februari 1988, NJ 1988, 487 m.nt. Van der Grinten (Albada Jelgersma II).
HR 21 december 2001, JOR 2002, 38 m.nt. Faber/Bartman (Sobi/Hurks).
Interessant is dat de Hoge Raad hier dus – klaarblijkelijk – overweegt dat de positieve norm ook van toepassing is ten aanzien van crediteuren, terwijl crediteuren niet tot de kring van institutioneel betrokkenen behoren. Hier zal in voetnoot 199 van dit hoofdstuk nader op in worden gegaan.
Zie over deze uitspraken uitgebreid onder meer: Bartman & Dorresteijn 2013, p. 307-310, 314-316; Van den Heuvel 2012, p. 119, 121-122; Slagter/Assink 2013, p. 2277-2281.
In de tweede situatie is sprake van een hechte concernstructuur tussen de aandeelhouder en de vennootschap als gevolg waarvan de aandeelhouder ‘ingrijpmacht’ heeft alsmede wetenschap van de benadeling. In dit verband kan onder meer worden gewezen naar de arresten inzake Albada Jelgersma II1 en Sobi/Hurks2. Uit deze arresten van de Hoge Raad kan – kort gezegd – worden opgemaakt dat de aandeelhouder een zorgplicht (de plicht tot actief handelen overeenkomstig de positieve norm) had ten opzichte van de crediteuren van de vennootschap,3 omdat sprake was van inzicht in en zeggenschap over het beleid van de vennootschap en daaruit blijkt dat voor de aandeelhouder voorzienbaar was dat de crediteuren geschaad konden worden in hun belang.4 De aandeelhouder had op basis van haar inzicht en zeggenschap moeten ingrijpen om onjuiste veronderstellingen bij crediteuren te vermijden en zich de belangen van de crediteuren voldoende moeten aantrekken.
De normschending is hier gelegen in het bestaan van een structuur waarin de aandeelhouder inzicht had in de financiële toestand van de vennootschap, de aandeelhouder de mogelijkheid had in te grijpen, voor de aandeelhouder voorzienbaar was dat de crediteuren benadeeld zouden worden en dat de aandeelhouder niet heeft ingegrepen om de belangen van de crediteuren te ontzien.