Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.6.7
7.6.7 De vijfde situatie
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS301412:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 november 1991, NJ 1992, 174 m.nt. Maeijer (Nimox/Van den End q.q.).
De dividenduitkering lag in deze zaak complexer dan het ‘gewoon’ uitkeren van dividend aan een aandeelhouder. De vordering tot betaling van het dividend werd omgezet in een lening. Deze lening werd vervolgens verkocht aan de bank, waarbij Nimox een bankgarantie af gaf voor hetzelfde bedrag en de bank geen beroep zal doen op deze garantie, dan nadat alle goederenrechtelijke zekerheden van de bank op Auditrade zijn uitgewonnen.
R.o. 3.3.3., Dit is een cryptische overweging van de Hoge Raad, waar in hoofdstuk 9 nader op in wordt gegaan.
Buijn/Storm 2013, p. 434.
Asser/Maeijer 2000, nr. 625; Slagter/Assink 2013, p. 2271. Dit criterium ligt in het verlengde van een eerdere zaak waarbij sprake was van een publiekrechtelijke rechtspersoon die de controle heeft over een stichting (HR 9 mei 1986, NJ 1986, 792 m.nt. Van der Grinten (Bouwmaatschappij Keulen/Bouwfonds voor Limburgse Gemeenten). Ook daar oordeelde de Hoge Raad dat de beheersende rechtspersoon onrechtmatig handelt wanneer hij zijn vordering jegens de beheerste rechtspersoon voor 100% laat voldoen terwijl de overige schuldeisers te kort komen, wanneer hij ten tijde van het voldoen van zijn vordering ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid van een tekort. Het ging daar wel om de moedervennootschap als crediteur en niet als aandeelhouder, welke laatste hoedanigheid ook niet aanwezig was, omdat de beheerste rechtspersoon een stichting was. Zie over dit arrest onder meer: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 843; Slagter/Assink 2013, p. 2267-2269. Zie voor recentere uitspraken van lagere rechters waar dit criterium wordt gehanteerd: Rb. Amsterdam 21 april 2010, RO 2011, 5; Rb. ’s-Gravenhage 11 mei 2011, JOR 2012, 1; Rb. Rotterdam 15 februari 2012, JOR 2012, 166; Rb. Midden-Nederland 22 mei 2013, RO 2013, 56.
Zie over de vraag in hoeverre de uitkeringsregels voor de besloten vennootschap analoog moeten worden toegepast bij de naamloze vennootschap: Beckers & Raaijmakers 2014, p. 295-296; De Jong 2014-1, p. 24.
Kamerstukken II 2006/07, 31058, nr. 3, p. 33. Zie ook: Kamerstukken I 2011/12, 31058, C, p. 13-14 (‘Ik kan niet genoeg benadrukken dat ook thans aandeelhouders en bestuurders zich rekenschap moeten geven van de verhaalsmogelijkheden die de vennootschap biedt bij het al dan niet doen van een uitkering aan aandeelhouders’). Zie in dit verband ook de kritiek van Barneveld, die opmerkt dat de verkeerde onrechtmatige daads-norm is gecodificeerd (Barneveld 2009-2; Barneveld 2014, p. 486-487).
Evenzo: Barneveld 2014, p. 484. Zie ook Lennarts 1999, p. 214, die overweegt dat ook wanneer sprake is van meerdere aandeelhouders aansprakelijkheid op grond van deze situatie kan voorkomen. Dit is ook de reden dat ik, in tegenstelling tot Assink, een onderscheid maak tussen de vierde en vijfde situatie. In de vierde situatie speelt de nauwe concernstructuur wel een belangrijke rol, terwijl dit bij de vijfde situatie minder relevant is.
Barneveld in zijn annotatie onder Rb. ’s-Gravenhage 9 januari 2013, JOR 2013, 96. Denkbaar is volgens mij ook dat een aandeelhouder die zich onthoudt van stemmen, wetende dat als gevolg daarvan de overige aandeelhouders de onrechtmatige dividenduitkering kunnen doen, daarmee een onrechtmatige daad pleegt.
Evenzo: Barneveld 2014, p. 484.
Barneveld 2014, p. 487.
Barneveld 2014, p. 488.
De vijfde situatie betreft die waarin de aandeelhouder op onrechtmatige wijze vermogen heeft onttrokken aan de vennootschap. Het standaardarrest voor deze situatie is Nimox/Van den End.1
Nimox N.V. was enig aandeelhouder van Auditrade B.V. Zij besloot als aandeelhouder tot het doen van een dividenduitkering en betaalbaarstelling, als gevolg waarvan nagenoeg alle reserves waren verdwenen.2 De dag na het besluit verkocht Nimox N.V. 51% van de aandelen die zij hield in Auditrade B.V. aan derden. Ongeveer een half jaar later wordt Auditrade B.V. failliet verklaard. Het stemmen voor het besluit tot uitkering van het dividend door Nimox B.V. wordt door de rechtbank en het hof als onrechtmatig geoordeeld tegenover de crediteuren van Auditrade B.V. Beiden oordelen dat het besluit tot dividenduitkering van de algemene vergadering van aandeelhouders (een rechtshandeling die wordt toegerekend aan Auditrade), en daarmee ook het stemgedrag van Nimox als aandeelhouder, onrechtmatig was. De Hoge Raad sanctioneert de beslissing van het hof en voegt daar aan toe dat dit niet betekent dat het tot stand brengen van dit besluit door de enig aandeelhouder (het stemmen voor het besluit) niet (ook) onrechtmatig tegenover de crediteuren kan zijn, ook wanneer het besluit geen aan Auditrade toe te rekenen onrechtmatige daad zou zijn.3 Het meewerken aan een besluit kan dus klaarblijkelijk ook een onrechtmatige daad opleveren wanneer het voor de rechtspersoon geen onrechtmatige daad tot gevolg heeft.4 Het doorslaggevende criterium voor aansprakelijkheid dat in dit verband wordt gehanteerd is of de aandeelhouder ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid van een tekort op grond van de financiële positie van de vennootschap.5 Hierbij is een mogelijkheid voldoende, zolang met die mogelijkheid maar ernstig rekening moet worden gehouden. Het tekort hoeft dus niet zonder (redelijke) twijfel vast te staan.
Deze vorm van aansprakelijkheid heeft zich in de jurisprudentie ontwikkeld. In het kader van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht is besloten om dit voor de besloten vennootschap te codificeren.6Artikel 2:216 lid 3 BW bepaalt:
‘(…) Degene die de uitkering ontving terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zou kunnen voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden is gehouden tot vergoeding van het tekort dat door de uitkering is ontstaan, ieder voor ten hoogste het bedrag of de waarde van de door hem ontvangen uitkering, met de wettelijke rente vanaf de dag van de uitkering. (…).’
De in het Nimox-arrest en artikel 2:216 lid 3 BW gehanteerde criteria vertonen belangrijke gelijkenissen. Het gaat hier om een voorzienbaarheids- of wetenschapscriterium. De aandeelhouder had moeten voorzien dat hij – kort gezegd – de vennootschap in financieel gevaar bracht. De Minister verdedigt dan ook dat er geen sprake is van een materiële wijziging, maar veeleer van een codificatie.7
De vijfde situatie onderscheidt zich van de andere vier doordat hier geen sprake behoeft te zijn van een hechte concernstructuur en ‘ingrijpmacht’.8 Het enkel voor stemmen bij het nemen van een besluit tot dividenduitkering in samenhang met het feit dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van een tekort op grond van de financiële positie van de vennootschap (de bewustheid) is voldoende voor een onrechtmatige daad.9 Uit het Nimox-arrest blijkt dus dat de concernstructuur en ‘ingrijpmacht’ en de daaruit voortvloeiende zorgplicht niet noodzakelijk zijn voor de aansprakelijkheid van de aandeelhouder, er kunnen zich ook andere omstandigheden voordoen. Desalniettemin zal de benodigde voorzienbaarheid/ wetenschap eerder aanwezig zijn wanneer sprake is van intensieve bemoeienis.10
Een tweede onderscheid is de omvang van de aansprakelijkheid. Op grond van artikel 2:216 lid 3 BW kan het tekort dat is ontstaan door de uitkering worden teruggevorderd. Voor een vordering op grond van artikel 6:162 BW geldt hetzelfde, aldus Barneveld.11 De individuele aandeelhouder kan bovendien slechts worden aangesproken voor het door hem ontvangen deel van de uitkering, niet voor de gehele uitkering.12