Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.6.5
7.6.5 De vierde situatie (bevoordelen bepaalde partijen)
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS299025:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 25 september 1981, NJ 1982, 443 m.nt. Maeijer (Osby).
De belangrijkste overweging van de Hoge Raad luidt: ‘Indien een moedermaatschappij alle aandelen in een dochtermaatschappij bezit en aan de dochter krediet heeft verstrekt en vervolgens de activa van de dochter, toekomstige inbegrepen, volledig of nagenoeg volledig van deze in zekerheidseigendom verwerft, aldus dat de dochter aan nieuwe schuldeisers die haar na de zekerheidsoverdracht krediet geven praktisch geen verhaal meer biedt, kan er, indien de moedermaatschappij nalaat zich de belangen van de nieuwe schuldeisers aan te trekken, onder omstandigheden sprake zijn van een onrechtmatige daad van haar jegens dezen. Met name zal dit zo zijn, indien de moeder een zodanig inzicht in en zeggenschap over het beleid van de dochter heeft, dat zij, gelet op de omvang van haar vordering en van de zekerheidsoverdracht en het verloop van zaken in het bedrijf van de dochter, ten tijde van gedragingen als voormeld wist of behoorde te voorzien dat nieuwe schuldeisers zouden worden benadeeld bij gebrek aan verhaal, en desalniettemin nalaat zorg te dragen dat die schuldeisers worden voldaan.’
HR 12 juni 1998, NJ 1998, 727 m.nt. Van Schilfgaarde (Coral/Stalt).
In de vierde situatie is sprake van een aandeelhouder die op onrechtmatige wijze zijn eigen positie verbetert ten opzichte van die van andere crediteuren. Hiervan was bijvoorbeeld sprake in het Osby-arrest.1 Een belangrijk onderdeel van de financiering van Osby Nederland (de dochtervennootschap) is een aandeelhouderslening van Osby Zweden (de moedervennootschap). Als zekerheid voor deze lening had Osby Zweden een stil pandrecht op nagenoeg alle activa van Osby Nederland. De Hoge Raad oordeelt dat Osby Zweden zich onder deze omstandigheden de belangen van de schuldeisers moet aantrekken en dat sprake kan zijn van een onrechtmatige daad wanneer zij dit niet doet.2 De Hoge Raad overweegt dat dit met name zo is, wanneer de moeder een zodanig inzicht in en zeggenschap over het beleid van de dochter heeft, dat zij wist of behoorde te voorzien dat nieuwe schuldeisers benadeeld zouden worden bij gebrek aan verhaal, en desalniettemin nalaat zorg te dragen dat die schuldeisers worden voldaan. Een ander belangrijk arrest in dit verband is Coral/Stalt.3 De vennootschap (Forsythe International) had haar belangrijkste actief, de aandelen in Forsythe Cypres, verkocht aan haar aandeelhouder, Stalt Holding (Stalt). Met de opbrengst van deze verkoop heeft zij haar handelscrediteuren voldaan alsmede een groot aantal inter company vorderingen. Zij heeft echter één crediteur, Coral Navigation Company (Coral), niet voldaan. Coral stelt Stalt aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad. De Hoge Raad bepaalt dat wanneer Stalt zich inderdaad intensief heeft bemoeid met de gang van zaken bij Forsythe International, zij de hand heeft gehad in het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten en wist of behoorde te weten dat de handelscrediteuren en zustermaatschappijen konden worden voldaan, maar Coral niet, vast komt te staan dat Stalt een onrechtmatige daad heeft gepleegd.
In deze situatie is de normschending gelegen in de intensieve bemoeienis en betrokkenheid bij beëindiging van de bedrijfsactiviteiten, waarbij vervolgens een specifieke crediteur wordt benadeeld.