Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/6.4.1
6.4.1 Startfase
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174076:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
De voorzitter stelde de aanwezigen in de meeste gevallen op de hoogte van de aanwezigheid van een onderzoeker tijdens de zitting en het raadkameren. Hun werd meegedeeld dat de onderzoeker geheimhoudingsplicht had en dat hij zich in zijn onderzoek niet richtte op de zaak of op de partijen, maar op het verschijnsel meervoudige behandeling.
Volgens de wetsgeschiedenis hebben partijen na de comparitie recht op pleidooi wanneer er nog bewijsverrichtingen hebben plaatsgehad of er nog stukken in het geding zijn gebracht (Kamerstukken II 1999-2000, 26.855, nr. 5, p. 61).
De Handleiding regie vanaf de conclusie van antwoord beveelt aan om de comparitie te beginnen met vast te stellen wie aanwezig zijn, met het voorstellen van de rechters en griffier, met het inventariseren van de stukken en met uitleg over de rol van de comparitie aan partijen (zie paragraaf 6.1.2). Ten slotte kan de rechter een agenda geven van onderwerpen die aan de orde kunnen komen.
De aanvang van de geobserveerde zittingen verliep door de bank genomen als volgt. De voorzitter van de meervoudige kamer opende de zitting door de aanwezigen welkom te heten en hun te vragen plaats te nemen. De voorzitter stelde vervolgens vast wie de procespartijen en hun raadslieden waren. In een van de pleitzittingen gebeurde dat niet. De voorzitter informeerde bijna altijd naar de overige aanwezigen, ook op de publieke tribune. Zo kon de voorzitter vernemen of zij betrokken waren bij een procespartij. De voorzitter droeg bij aanvang van het deskundigenverhoor de deskundige op zijn taak ‘gewetensvol te vervullen’.1
Hoewel de Handleiding regie het aanbeveelt, stelden de rechters zichzelf niet persoonlijk voor. Wel kwam het voor dat de voorzitter meedeelde dat ‘deze kamer’ de zaak zou gaan behandelen. Eenmaal stelde een bijzittende rechter aan de voorzitter voor ‘ons ook te introduceren’, waarna de voorzitter de functies van de rechters benoemde en toevoegde dat zij deze zaak zouden gaan behandelen. Hij wees daarbij tevens op de griffier en diens rol: ‘Die zal opschrijven wat wij zeggen.’
Bij aanvang van een comparitie legde de voorzitter uit waarom de rechtbank tot een zitting had besloten:
‘De rechtbank wil aanvullende inlichtingen en die kun je het beste krijgen in een comparitie. Dat is effectief. Ook proberen we een schikking tot stand te brengen. De partijen liggen weliswaar al een tijd met elkaar overhoop, maar een schikking moeten we niet bij voorbaat uitsluiten. Daarna kunnen we een streep onder de procedure zetten of besluiten hoe we verder gaan.’
Tijdens de opening van een pleitzitting legde de voorzitter uit dat bij de comparitie na antwoord ‘feitelijke en juridische aspecten onvoldoende belicht waren’, wat voor de rechtbank reden was om pleidooi toe te laten.2
In één zaak deelde de voorzitter mee dat de samenstelling van de meervoudige kamer anders was dan eerder bekendgemaakt. Hiervoor werd geen reden aangevoerd en de procespartijen informeerden er ook niet naar. In weer een andere zaak had de beoogde voorzitter van de meervoudige kamer die de zaak ter terechtzitting zou behandelen daags vóór de zitting geconstateerd dat hij een van de betrokkenen in het proces kende. Daarop was een nieuwe voorzitter aangezocht en gevonden. De nieuwe voorzitter had zich niet op de zaak voor kunnen bereiden, maar dit werd niet ter zitting gemeld. De procespartijen merkten er ook niets over op. Twee keren verantwoordde de voorzitter de keuze om de zaak in een meervoudige kamer te behandelen:
‘Vandaag behandelen we de zaak meervoudig, dus met z’n drieën, omdat de zaak serieus wordt genomen en omdat meervoudige behandeling een kwaliteitsbevorderende maatregel is.’
En tijdens de opening van een zitting in een intellectuele-eigendomszaak:
‘Normaliter kan een enkelvoudige kamer prima een comparitie doen, maar nu doen we het meervoudig: vanwege de beoordeling van de originaliteit en het scheppend karakter van de industriële producten. De persoonlijke inbreng zit ’m in het subjectieve element van de rechter. Daarom is het goed om met z’n drieën te zitten. Dan krijg je niet het oordeel van één rechter op een regenachtige zondagmiddag na ruzie met zijn echtgenote, maar een oordeel na rustig overleg van drie functionarissen. Dat komt de objectiviteit ongetwijfeld ten goede.’
In vier zittingen namen de rechters de processtukken door om te controleren of alle stukken in het bezit waren van de rechtbank, wat eenmaal niet het geval bleek. Daarop overhandigde een van de advocaten het ontbrekende stuk aan de rechtbank, waarmee haar dossier compleet werd. In de andere zittingen werd er slechts aan de stukken gerefereerd (‘De rechtbank heeft de dagvaarding en het antwoord ontvangen’) of werd er in het geheel niet over gesproken.
In zeven zittingen, namelijk in vier comparities, twee pleitzittingen en het deskundigenverhoor, gaf de voorzitter een korte uiteenzetting van het geschil. De meeste rechters hielden het bij enkele zinnen; een enkeling was uitvoeriger in de beschrijving van het geschil. Terugkerende elementen in de samenvatting waren de manier waarop partijen met elkaar in contact waren gekomen, de oorzaak van het geschil, (wederzijdse) verwijten en de eventuele voorgeschiedenis van de procedure. Soms verifieerde de voorzitter bij partijen of hij het geschil juist had samengevat.
In bijna alle comparitiezittingen merkte de voorzitter op dat de mogelijkheden van een schikking zouden worden afgetast en/of dat partijen toelichting konden geven op hun processtukken. Eenmaal riep de voorzitter op niet te herhalen wat al bekend was en ook niet te pleiten: ‘Daarvoor is de comparitie niet bedoeld.’ Bij aanvang van een comparitie kondigde de voorzitter op de volgende wijze aan wat partijen tijdens de zitting konden verwachten:
‘Er zijn twee dossiers oftewel zaken, die de rechtbank gescheiden wil behandelen: de hoofdzaak en de zaak in vrijwaring. De rechtbank wil deze twee apart behandelen. Ik zal vragen stellen, maar ook mijn collega’s zullen dat doen. We zoeken een praktische weg naar een oplossing. Dat kan eventueel met een vonnis. Alles kan worden besproken!’
De voorzitter gaf met deze beknopte introductie een drievoudige boodschap af: hij kondigde structuur in de behandeling aan, hij deelde mee dat er een vrije discussie kon plaatsvinden en hij gaf aan dat daarop een vonnis kon volgen, als een andere oplossing er niet in zat.
De voorzitter was van de drie rechters in de meervoudige kamer tijdens de zitting bijna altijd het meeste aan het woord en zo ook tijdens de startfase. Eenmaal gaf de voorzitter na de formaliteiten van de opening het woord meteen aan de oudste rechter. Hij zou het vervolg van de zitting inhoudelijk leiden. Uit navraag na afloop van de zitting bleek dat de leden van de meervoudige kamer hiertoe op eigen initiatief hadden besloten, omdat de oudste rechter eerder een aantal tussenvonnissen in de zaak had gewezen.