Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.5:8.5 Bepaling van de `Teilwert' in de rechtspraak
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.5
8.5 Bepaling van de `Teilwert' in de rechtspraak
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS351684:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
G. Horch, Zum Begriff des Teilwerts, dissertatie, Bern, 1970, blz. 34.
Tmp., blz. 35.
Aantekening 569 bij § 6 EStG.
W Dger, Der Teilwert, dissertatie, Bochum, 1984, blz. 71.
E. Becker, EStG 1925, Stuttgart 1925, band 2, blz. 1071, aantekening 230.
BFH 30 november 1988, II R 237/ 83, BStBI 1989 II, nr. 4, blz. 183-185.
RFH 14 december 1926, VI A 575/ 26, RFHE 20, 87 (88f.).
Ta.p., blz. 69 en 70.
HR 18 december 1968, nr. 16 035, BNB 1969/23.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de jurisprudentie zijn een tweetal methoden te onderscheiden, al naar gelang vanuit welk gezichtspunt de waarde van een individueel activum wordt benaderd.
a. De Repartitionsmethode' (ook wel omschreven als de toedelingsmethode)
Bij de waardering van een individueel activum wordt als uitgangspunt de waarde van de gehele onderneming genomen. Vervolgens wordt deze waarde verdeeld over de in de onderneming aanwezige activa en passiva, waarbij Horch1 oordeelt dat de jaarlijkse opbrengst de overheersende relevante factor is. Hij ziet in dit geval de waarde van de onderneming als de jaarlijkse opbrengst vermenigvuldigd met een bepaalde kapitalisatiefactor. Daarna moet in de opvatting van Horch2 de goodwill uit de totale waarde van de onderneming worden geëlimineerd aangezien dit een zelfstandig bedrijfsmiddel is en het EStG individuele waardering van activa en passiva voorschrijft. Tot slot dient de resterende waarde van de onderneming over de overige activa en passiva te worden uitgesplitst.
Deze waarderingsmethode heeft zich in de jurisprudentie niet staande kunnen houden, sterker nog, Herrmann/ Heuer /Raupach3 stellen dat de zogenaamde `Repartitionsmethode' in de praktijk nimmer is toegepast. hger4 bevestigt dit en probeert hiervoor een verklaring te geven. Hij zegt dat er afgezien van de moeilijkheden met betrekking tot de waardebepaling van de gehele onderneming geen adequate verdeelsleutel is gevonden voor toedeling van deze waarde aan de activa en passiva. Het toedelingsprobleem is volgens .Mger naar objectieve maatstaven niet oplosbaar.
Al in 1925 wijst Becker5 op de problemen aangaande de toedelingsmethode en adviseert deze niet toe te passen. Hij schrijft: 'Die Sache liegt nicht so, als ob zurd.chst der Wert der ganzen wirtschaftlichen Einheit zu ermitteln und die-ser Wert auf die einzelnen positiven und negativen Teile der wirtschaftlichen Einheit — hier des ganzen Betriebes oder Unternehmens — zu verteilen witre.'
Het zal nog vele tientallen jaren duren voordat het Bundesfinanzhof zich expliciet over de toerekeningsmethode uitspreekt. In zijn uitspraak van 30 november 19886 wijst het Bundesfinanzhof de `Repartitionsmethode' onomwonden af door te overwegen dat weliswaar bij de bepaling van de Teilwert van een activum rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat het object onderdeel van een groter geheel (zijnde de onderneming) uitmaakt maar `daraus folge aber nicht, dass zunkhst der Wert der ganzen wirtschaftlichen Einheit zu ermitteln und dieser Wert dann auf die einzelnen Wirtschaftsgter zu verteilen sei'.
b. De Differenzmethode'
Op 14 december 1926 werd de zogenaamde `Differenzmethode' door het Reichsfinanzhof, de voorloper van het Bundesfinanzhof voor het eerst verwoord en toegepast7. Deze methode werkt als volgt: Allereerst wordt (uitgaande van een fictieve koper) de waarde van de gehele onderneming bepaald en vervolgens wordt op dezelfde wijze de waarde van de onderneming bepaald, waarbij het te waarderen object niet tot de onderneming behoort. De `Differenzmethode' gaat niet uit van de waarde van de onderneming minus de waarde van het te waarderen object, maar van de vraag wat een fictieve koper voor de onderneming zou betalen indien het te waarderen object daarvan geen onderdeel zou uitmaken. De `Teilwert' van het te waarderen object is in dat geval het verschil tussen beide waarderingen van de onderneming. Bij deze waarderingsmethode wordt rekening gehouden met het feit dat het te waarderen object niet op zichzelf staat maar onderdeel uitmaakt van een groter geheel zijnde de onderneming. Opvallend is dat deze methode in Nederland op geen enkele wijze ingang heeft gevonden. Zou het daaraan kunnen liggen dat deze methode onwerkbaar geacht wordt nu het toch vrijwel onmogelijk lijkt, om de waarde van een onderneming (met en zonder het in geding zijnde bedrijfsmiddel) op een fiscaal eenduidige wijze te bepalen?
En ook op deze methode is in Duitsland weer de nodige kritiek geuit. Zo is n.ger8 de mening toegedaan dat de `Differenzmethode' in strijd is met de grond idee van de `Teilwert', want door toepassing van de `Differenzmethode' is de som van de aldus gevonden `Teilwerte' van de activa en passiva hoger dan de waarde van de onderneming als geheel (omdat aan elk actief een stukje goodwill wordt toegerekend). Aldus is er sprake van een te hoge `Teilwert' of beter gezegd van een waarde die boven de `Teilwert' ligt en derhalve niet acceptabel is.
Overigens is op grond van een arrest van de Hoge Raad van 18 december 19689 voor de Nederlandse situatie duidelijk dat de Hoge Raad ervan uitgaat dat bij de toerekening van de overnemingswaarde van de onderneming aan de afzonderlijke activa, geen restpost aan goodwill overblijft.