Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.16:8.16 Vaststelling van de `Teilwert': enkele doorslaggevende aspecten
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.16
8.16 Vaststelling van de `Teilwert': enkele doorslaggevende aspecten
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS347990:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het moge inmiddels duidelijk zijn dat bij de vaststelling van de 1eilwere verschillende omstandigheden een rol kunnen spelen. Herrmann/Heuer /Raupach1 stellen dat zogenaamde 'verkeersopvattingen' maatgevend zijn bij de vaststelling van de 'Teilwere zelfs als die af zouden wijken van een objectieve waarde van het goed. Volgens hen moet daarbij gedacht worden aan een goed waaraan een bepaalde waarde wordt 'toegedacht' terwijl achteraf blijkt dat deze waarde in werkelijkheid nihil is.
Misschien klinkt het enigszins paradoxaal, wanneer Herrmann/Heuer / Raupach (terecht) opmerken dat enerzijds subjectieve factoren (de persoonlijke, zakelijke of technische kennis, alsmede de ervaring van de huidige eigenaar van de- onderneming) bij de waardering geëlimineerd dienen te worden, maar anderzijds het oordeel van de eigenaar omtrent de waarde van de onderneming (of de waarde van een goed) tot op zekere hoogte 'meegewogen' moet worden, omdat deze immers de verhoudingen binnen zijn eigen onderneming het beste kent.
Het Finanzgericht (FG) van Rheinland-Pfaltz (EFG 1981, blz. 441) gaat in zijn uitspraak van 17 december 1980 zelfs zover te stellen dat de schatting van de zittende ondernemer maatgevend is, tenzij deze aantoonbaar onjuist of willekeurig is.
Het Bundesfinanzhof maakt enkele restricties door aan te geven dat het goed gewaardeerd dient te worden met inachtneming van de omstandigheid dat het deel uitmaakt van het vermogen van een specifieke onderneming en tevens haar belang (deels) aan deze specifieke onderneming ontleent. Het Bundesfinanzhof2 omschrijft het als volgt: 'soli der Teilwert von Wirtschaftsgntern jeweils unter Berticksichtigung aller Umsdnde des einzelnen Falles und der Eigenart des Betriebs ermittelt werden'.
Bij de vaststelling van de `Teilwert' moeten volgens Herrmann/Heuer /Raupach3 enkele andere aspecten niet uit het oog worden verloren, namelijk de rentabiliteit (met name de onderrentabiliteit) van de onderneming, de (onder)-rentabiliteit van het te waarderen actief en de mate van gebruik/benutting van het te waarderen actief.
Van deze laatste situatie geven de drie auteurs twee voorbeelden.
Een veerboot heeft een vervoerscapaciteit van 2000 passagiers. Door overheidsmaatregelen mogen er telkenmale slechts 1200 passagiers worden vervoerd. Deze omstandigheid betekent voor een fictieve koper een waarde-drukkende omstandigheid.
Een kraan met een hefvermogen van 20 ton wordt feitelijk slechts tot een hefvermogen van 1 ton gebruikt. Hieraan zal in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid niets veranderen omdat vervanging van de kraan onevenredig hoge kosten met zich meebrengt. Een fictieve verkrijger zal in beginsel niet méér voor de kraan willen betalen dan de kostprijs van een kraan met een hefvermogen van 1 ton.