Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.8:8.8 Begrenzingen van het begrip `Teilwert'
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.8
8.8 Begrenzingen van het begrip `Teilwert'
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS347977:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In onder meer de Beck'scher Bilanzkommentar1 is aangegeven dat er bij de bepaling van de `Teilwerf uitgegaan wordt van een boven- en een benedengrens. Op zichzelf genomen een logische redenering maar op welk niveau liggen die grenzen?
De bovengrens: bestaat uit de historische aanschaffings- of voortbrengingskosten en is verankerd in de wet (§ 6, lid 1 nr. 1 eerste volzin en nr. 2 eerste en derde volzin EStG).
De benedengrens: bestaat uit de directe opbrengstwaarde bij individuele vervreemding van het goed. Daarbij wordt uitgegaan van een fictieve verkrijger van de onderneming en hetgeen deze voor het desbetreffende goed zou willen betalen.
Herrmann/Heuer / Raupach2 spreken bij toepassing van deze begrenzingen over een zogenaamde ervaringsregel. dat wil zeggen, een fictieve verkrijger van de onderneming zou voor een individueel actief slechts maximaal en minimaal bovengenoemde bedragen willen betalen.
Iets anders omschrijven Tipke/Lang3 een dergelijke situatie: 'Unteres Richtmass ist der Einzelverausserungspreis (=was sich bei der Verausserung des einzelnen Wirtschaftsgutes erzielen lasst), er kommt in Betracht f0r tiberfhissige Gilter.' In hun visie is de directe opbrengstwaarde uitsluitend relevant wanneer het desbetreffende bedrijfsmiddel niet meer binnen de onderneming wordt aangewend en derhalve al dan niet buiten gebruik is gesteld.
Michielse4 borduurt voort op Tipke / Lang en stelt onder verwijzing naar § 6, lid 1, nr. 1 EStG: 'Hiermee wordt in feite de totale vermoedelijke verkoopopbrengst van de onderneming geprojecteerd op de individuele bedrijfsmiddelen. In feite betreft het dus de marktwaarde vermeerderd met een stukje winstcapaciteit. In de praktijk levert dit vaak problemen op, omdat een dergelijke verkoopprijs slechts schattenderwijs vast te stellen is. Derhalve wordt als bovengrens voor de bedrijfswaarde de vervangingswaarde aangehouden, terwijl als ondergrens de directe opbrengstwaarde (in extremo: de schrootwaarde) geldt. In dit opzicht verdient het Nederlandse systeem dat uitgaat van de marktwaarde de voorkeur.'
Wat bedoelt Michielse met deze laatste opmerking? Gaat hij ervan uit dat de bedrijfswaarde de waarde op de verkoopmarkt (zijnde de directe opbrengstwaarde) is? Dit is onjuist want in Nederland kan de bedrijfswaarde niet gelijkgesteld worden met de directe opbrengstwaarde behoudens in gelimiteerde uitzonderingssituaties (zie ook in dit verband paragraaf 4.8.3).