Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.23:8.23 Conclusie
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.23
8.23 Conclusie
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS343119:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
BFH 30 november 1988, II R 237/83, BStBI 1989 II, nr. 4, blz. 183-185.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bestudering van de ontwikkeling van het begrip `Teilwert' in de Bondsrepubliek Duitsland toont belangrijke parallellen met de bedrijfswaardeproblematiek in Nederland, bijvoorbeeld ten aanzien van het hanteren van een zogenaamd 'Teilwertvermoeden'. Belangrijk te noemen zijn bovendien twee in de Bondsrepubliek Duitsland gehanteerde methodes aangaande de bepaling van de `Teilwerf, de Repartitionsmethode (ook wel omschreven als de toedelingsmethode) en de Differenzmethode. Eerstvermelde methode is in de jurisprudentie1 afgewezen terwijl de Differenzmethode in de praktijk weinig ingang heeft gevonden. Deze laatste methode gaat uit van de vraag: Wat zou een fictieve koper voor de onderneming betalen indien het te waarderen object daarvan geen onderdeel zou uitmaken? De `Teilwere van het te waarderen object is in dat geval gelijk aan het verschil tussen deze waardering en de waarde van de onderneming als geheel (inclusief het bewuste activum). Opvallend is dat de Differenzmethode bij de bedrijfswaardebepaling in Nederland geen enkele rol speelt.
Al in een vroeg stadium ging het Reichsfinanzhof (RFH) over tot het hanteren van een zogenaamd `Teilwertvermoeden', hetgeen vergelijkbaar is met de situatie in Nederland.
Uit een analyse van de jurisprudentie van het Reichsfinanzhof (RFH) en het Bundesfinanzhof (BFH) komt naar voren dat het Teilwertvermoeden' op de volgende gronden kan worden weerlegd, waardoor afwaardering op de lagere `Teilwere is toegestaan:
een aanwijsbare miskoop (`Fehlmassnahme')
een opvallend lager prijsniveau op het waarderingsmoment in verhouding tot het niveau ten tijde van de aanschaf waarbij de prijsdaling tevens duurzaam en substantieel is
bij de aankoop van een activum heeft prijsopdrijving plaatsgevonden omdat de huidige ondernemer zich in een dwangpositie bevond
structurele onderrentabiliteit van de onderneming
structurele onderrentabiliteit van een individueel actief
structurele onderbezetting of buitengebruikstelling van een bedrijfsmiddel.