Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.18:8.18 De `Teilwert' van voorraden
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.18
8.18 De `Teilwert' van voorraden
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS343133:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
O.a. BFH 13 oktober 1976 I R 79/ 74, BFHE 122, 37, BStB1 II 1977, 540.
Vergelijk het `Urteil' van de Senaat van de Bundesfinanzhof van 27 oktober 1983 IV R 143/80, BFHE 139, 282, BStBI II 1984, 35.
BFHE 93, 378, BStB1 II 1968, 801 en BFH/NV 1986, 204.
BFH 5 juni 1985 I R 65/ 82, BFH/NV 1986, 204.
H. Wilke/U. Kesselmeier, Die Teilwertermittlung von Handelswaren bei gesunkenen Verkaufspreisen, DStR 1/96, blz. 6-8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met betrekking tot de waardering van voorraden is er sprake van een constante rechtspraak, waarbij het Bundesfinanzhof steeds het rechtsvermoeden uitspreekt dat de `Teilwerr op het moment van de aankoop overeenkomt met de aanschaffingskosten en op een later moment met de marktwaarde op de inkoopmarkt 1.
De `Teilwert' van voor de afzet bestemde goederen en overige voorraden hangt niet alleen af van de heraanschafwaarde op de inkoopmarkt, maar ook van de vermoedelijk te realiseren opbrengst bij verkoop. Dekt deze prijs niet de kostprijs, de nog te verwachten eventuele opslagkosten en een gemiddelde winstmarge, dan mogen de aanschaffingskosten met dit ontbrekende bedrag worden verminderd in het kader van een waardering op de `Teilwert' 2.
Een lange opslagtijd van voorraden rechtvaardigt volgens het Bundesfinanzhof op zichzelf nog geen afwaardering op de `Teilwert', zolang de desbetreffende waren nog tegen de oorspronkelijke of zelfs verhoogde prijzen worden aangeboden3.
Uit de jurisprudentie van het Bundesfinanzhof komt naar voren dat er sprake is van een lagere `Teilwert' van voorraden wanneer de verkoopprijs daadwerkelijk verlaagd is4. Verlaagt een belastingplichtige zijn oorspronkelijk gecalculeerde verkoopprijzen niet, dan is (overigens open voor tegenbewijs) te vermoeden, dat hij zelfs deze prijzen nog realiseerbaar acht. Alsdan is een lagere `Teilwert' niet aan de orde.
In de Bondsrepubliek Duitsland zijn in feite alle aspecten rondom de bedrijfswaardeproblematiek gecompliceerd te noemen. Wilke en Kesselmeier5 tonen dit aan met betrekking tot de vaststelling van de `Teilwert' van voorraden in het licht van gedaalde verkoopprijzen. Op basis van enkele aanwijzingen van de belastingadministratie (in R 36 EStR 1993) wordt een bepaalde berekeningsformule gehanteerd voor de waardering van voorraden. Citaat uit het artikel: Nach der hier erstmals angegebenen Formel berechnen sich die dem Wirtschaftsgut zuzurechnenden Betriebskosten sowie der Gewinnzuschlag nicht auf der Basis der Anschaffungskosten ("bottom up"); vielmehr werden sie aus dem verminderten Verkaufswert unter Verwendung des Rohgewinnaufschlagsatzes retrograd herausgerechnet ("top down").' De auteurs geven in hun artikel een voorbeeld van een goederenvoorraad met een aanschafwaarde van 200 DM. Volgens de oude methode (vóór R 36 EStR) komt de `Teilwert' uit op 82 DM; op basis van R 36 EStR bedraagt de `Teilwert' 162,04 DM en conform Wilke / Kesselmeier en een door henzelf ontwikkelde formule is de `Teilwert' 131,67 DM. Binnen de fiscale problematiek van de voorraadwaardering leidt een detailonderwerp, als bijvoorbeeld de invloed van de dalende verkoopprijzen op genoemde waardering, in Duitsland reeds tot een uitgebreide polemiek.