Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.15
8.15 Gronden voor een waardering op lagere bedrijfswaarde
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS343120:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Aussensenat Freiburg, uitspraak van 21 juni 1991, 3K 336/87, EFG 1992,63; DStR 10/92, blz. 320.
BFH 12 februari 1956, BStBI III 56, 102.
Zo ook BFH 23 november 1983, BStBI II 84, 277, 280.
T.a.p., blz. 926.
BFH 2 maart 1973, BstBl II 73, 475; BFH 13 december 1979, BStBL 1980, 346, 348.
BFH BStBI II 73, 475. In gelijke zin een uitspraak van de BFH van 20 september 1989 II R 96,86 (BStbl 1990, II, nr. 5., blz. 206-207).
BFH 14 maart 1990, I R 191/ 85. Gepubliceerd in tijdschrift BFH /NV, Sammlung amtlich nicht veffiffentlichte Entscheidungen des Bundesfinanzhofs, nr. 6, juni 1991, blz. 365,
Het Finanzgericht (FG) Baden-WilIttemberg1 formuleert de gronden voor afwaardering op de lagere `Teilwert' als volgt: 'Eine Abschreibung des Geschaftswert auf den niedrigeren Teilwert ist miiglich, wenn sich der Ansatz des Geschaftswert als Fehlmassnahme erwiesen hat oder der Geschaftswert durch rcklufige Entwicklung des Unternehmens unter den aktivierten Betrag gesunken ist'
Op het eerste gezicht lijkt deze formulering duidelijk, maar vervolgens moet toch geconstateerd worden dat het Bundesfinanzhof van oordeel is dat voor een afwaardering de lagere bedrijfswaarde aanzienlijk van de boekwaarde moet afwijken en geringe waarderingsverschillen niet in aanmerking worden genomen. In een procedurele2 betreffende afwaardering op lagere bedrijfswaarde in verband met een daling van de index voor bouwkosten bevestigde het Bundesfinanzhof nog eens dit standpunt, namelijk dat het om een aanzienlijke en langdurige afwijking van de boekwaarde moet gaan, wil een afwaardering van een activum op de lagere `Teilwerf fiscaal acceptabel zijn. Tijdelijke, mogelijk te 'repareren' waardeveranderingen zijn geen voldoende voorwaarde om tot afwaardering over te gaan3. Het Bundesfinanzhof wees de geclaimde afwaardering dan ook af.
Elementair is volgens Littmann/Bitz/Meincke4 om de afwaardering op lagere bedrijfswaarde géén bijzondere positie ten opzichte van de normale afschrijving toe te delen. Het gevaar zou anders groot zijn om bijna elke situatie van buitengewone waardevermindering te zien als een redengeving voor afwaardering van een activum op lagere `Teilwerf. Bijvoorbeeld kan worden gedacht aan de zogenaamde extra-afschrijving op onroerende zaken. Indien daaraan dusdanige schade is toegebracht dat de kosten van herstel dienen te worden geactiveerd is onder omstandigheden een extra-afschrijving mogelijk; dit heeft echter niets met afwaardering op lagere bedrijfswaarde te maken.
Ook op het gebied van de bedrijfswaardeproblematiek komen Littmann/Bitz/ Meincke met een voor de praktijk relevante schematisering. In situaties dat de gewone afschrijving voorrang heeft boven de afwaardering op lagere bedrijfswaarde zijn er volgens hen de volgende twee gronden voor afwaardering te geven:
daling van de kosten van heraanschaf (vervangingswaarde). Indien er sprake is van een verlies uit afwaardering op lagere bedrijfswaarde wordt ervan uitgegaan dat een fictieve verkrijger van de onderneming voor het activum niet meer zou willen betalen dan hij zou moeten opbrengen bij verwerving van het activum buiten het verband van de onderneming (Wiederbeschaffungskosten'). Een eventuele meerwaarde van het goed (ontstaan doordat het goed operationeel in de onderneming is opgesteld) is toe te rekenen aan de goodwill. (Ter verduidelijking zie uitspraak van het Bundesfinanzhof5.)
onderrentabiliteit van de onderneming. Niet de onderrentabiliteit van het specifiek te waarderen activum is doorslaggevend maar de onderrentabiliteit van de gehele onderneming. Bij een tijdelijke situatie van onderrentabiliteit oordeelt het Bundesfinanzhof6 afwaardering van een activum op lagere 'Teilwere niet gerechtvaardigd. Er moet te dier zake sprake zijn van een situatie van dreigende sluiting casu quo liquidatie van de onderneming. Een citaat uit voormelde uitspraak: `Vielmehr muss die Lage des Unternehmens Anlass zu Massnahmen der Stillegung oder Liquidation des Unternehmens geben.' Ergo, afwaardering is te rechtvaardigen wanneer er dusdanig structurele verliezen door de onderneming worden gegenereerd, dat een fictieve verkrijger van de onderneming niet in staat is om deze op een economisch verantwoorde wijze voort te zetten.
Het Bundesfinanzhof bevestigt dit standpunt nog eens in een uitspraak van 14 maart 19907. In deze procedure buigt het Bundesfinanzhof zich over een uitgeverij die nog geen twee jaar na aankoop van de uitgaverechten van een tijdschrift, de uitgave van dit tijdschrift wegens onrentabiliteit staakt. De 'Teilwere van deze uitgaverechten moet naar het oordeel van het Bundesfinanzhof normaliter nihil bedragen want voor de uitgeverij bezit het tijdschrift geen bedrijfseconomische waarde meer. Dit wordt evenwel anders indien de titel (inclusief de idee die in het tijdschrift is belichaamd), haar naam bij lezers en adverteerders of de lijst met abonnees nog met winst (tegen een bepaald bedrag) verkocht kunnen worden. Alsdan moet met deze waarde bij de vaststelling van de 'Teil-werf rekening worden gehouden.