Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/5.4.3
5.4.3 EET-waarmerking achteraf en de bevoegde rechter
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS379482:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ook in het kader van de exequaturverlening is de voorzieningenrechter de bevoegde instantie (vgl. art. 39 EEX-Vo jo. Bijlage II bij de EEX-Verordening). De voorzieningenrechter maakt immers deel uit van het gerecht dat de beslissing heeft gegeven. Zie ook A. Stein, IPRax 2004, p. 189 ten aanzien van het verschil tussen de 'Ursprungsrichter' en het 'Ursprungsgericht'.
Ook ingevolge het Oostenrijks procesrecht is voor de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing het volgen van een 'Bewilligungsverfahren' en van een 'Vollstreckungsverfahren' nodig.
In dit geval zou de tenuitvoerleggingsrechter in de lidstaat van herkomst een oordeel over de uitvoerbaarheid van de beslissing moeten geven, waarbij de uiteindelijke executie in een andere lidstaat zou moeten geschieden.
De vraag kan mijns inziens rijzen welke rechter bevoegd is tot EET-waarmerking indien het EET-verzoek pas ingediend wordt, nadat een beslissing is gewezen. In verband met de definitie van de term 'gerecht van oorsprong' in art. 4 onder 6, kan worden gesteld dat het verzoek terecht moet komen bij de rechter die de beslissing heeft gewezen. In art. 4 onder 6 staat immers dat onder het gerecht van herkomst het gerecht moet worden verstaan dat bevoegd was op het moment waarop aan de voorwaarden voor de EET-verlening werd voldaan. Dit betekent dan dat de behandeling van het verzoek in een dergelijk geval door dezelfde rechter moet geschieden. Indien het verzoek tot EET-waarmerking ingediend wordt, nadat de beslissing is gegeven, kan hierdoor inbreuk worden gemaakt op het interne verdeelmodel dat binnen een bepaald gerecht bestaat. Zo is het in Nederland niet mogelijk om bij het inleiden van een procedure aan te geven dat de procedure door een bepaalde rechter dient te worden behandeld. Welke rechter een zaak in behandeling neemt, wordt door de interne organisatie van het gerecht bepaald. Een andere mogelijkheid is om de aanwijzing van art. 4 onder 6 als een algemene bevoegdheidstoedeling te beschouwen, dat wil zeggen dat daardoor niet een bepaalde rechter wordt aangewezen maar slechts de rechterlijke instantie (het gerecht). In dit geval dient dan - wat Nederland betreft - de voorzieningenrechter bij de rechtbank waar de beslissing is gegeven die van een EET moet worden voorzien, met deze taak belast te worden.1
Indien tegen een EET-gewaarmerkte beslissing een rechtsmiddel wordt ingesteld, geschiedt de verlening van een nieuwe EET door de rechter die in de procedure op het rechtsmiddel bevoegd is. Een probleem ontstaat in de situatie dat in de eerste instantie een verstekbeslissing over een schuldvordering is gewezen en de eiser tegen deze beslissing een rechtsmiddel instelt. Wordt in de procedure op het rechtsmiddel tevens een verstekbeslissing gewezen en wordt een EET-verlening pas verzocht nadat de beslissing in de procedure op het rechtsmiddel is gewezen, dan rijst de vraag bij welke rechter dit dient te geschieden. Dient dezelfde rechter te worden aangezocht als de rechter die de beslissing zelf heeft gewezen? Of dient binnen de rechterlijke instantie waarvan de desbetreffende rechter een onderdeel uitmaakt, een bepaalde rechter door deze instantie te worden aangewezen? Gezien art. 4 onder 6 dient de EET-verlening mijns inziens in een dergelijk geval niet te geschieden door de rechter die het rechtsmiddel heeft behandeld, maar door de rechter in de eerste instantie, dat wil zeggen de rechter die de beslissing heeft gegeven waartegen een rechtsmiddel is ingediend. Bij deze rechter is immers de vordering aanhangig geweest op het moment dat de voorwaarden van art. 3 lid 1 sub a, b en c EET-Vo vervuld waren.
De definitie van het begrip 'gerecht van oorsprong' in art. 4 onder 6 houdt geen rekening met de verschillen in de rechtsstelsels van de diverse lidstaten. Zo is het naar Duits procesrecht, alvorens tot de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing over te gaan, noodzakelijk om op grond van § 764 ZPO een 'Vollstreckungsantrag' bij het 'Vollstreckungsgericht' in te dienen. Dit gerecht verklaart dan de beslissing executabel.2 De vraag rijst door welke rechter een EET verleend moet worden. Zou dit door de 'gewone' rechter - de rechter die het geschil inhoudelijk beoordeelt - dan wel door de tenuitvoerleggingsrechter - de rechter die de toestemming tot executie verleent - moeten geschieden? Het is verdedigbaar dat de EET-verlening een onderdeel is van de procedure bij de 'gewone' rechter. Immers, er wordt door de EET-verlening een 'Vollstreckungstitel' gecreëerd die vervolgens de titel voor de executie vormt. Tegen de EET-waarmerking door de 'Vollstreckungsrichter' bestaan mijns inziens bezwaren. Allereerst dient te worden opgemerkt dat uit art. 6 blijkt dat de rechter van de lidstaat van herkomst op een verzoek een EET verleent. Uit art. 4 onder 6 blijkt dat hieronder moet worden verstaan de rechter die op het moment van het vervullen van de voorwaarden voor de EET-verlening bevoegd was in de procedure. Hieruit volgt naar mijn mening duidelijk dat hiermee de rechter die over de vordering oordeelt die aan de met een EET te waarmerken beslissing ten grondslag ligt, tevens bevoegd is om een EET te verlenen. Een ander bezwaar tegen de waarmerking door de 'Vollstreckungsrichter' is dat in een dergelijk geval soms twee keer een tenuitvoerleggingsrechter wordt ingeschakeld, enerzijds in de lidstaat van herkomst van de beslissing, anderzijds ingevolge art. 20 in de lidstaat van tenuitvoerlegging.3