Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/6.1.1
6.1.1 Wet verbetering poortwachter
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS577988:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Door te verwijzen naar de afwegingen over verantwoordelijkheidsverdeling bij het wetsvoorstel Wet Suwi, Kamerstukken II 2000/01, 27 588.
Onder claimbeoordeling wordt verstaan de beoordeling of een werknemer in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Kamerstukken II 2000/01, 27 588, nr.3, p.3-4 en 6.
Kamerstukken II 2000/01, 27 678, nr.3, p.6. Bovendien heeft het UWV een re-integratierol bij vangnetgroepen, wat ook beslag legt op de capaciteit, nr.5, p.11.
Kamerstukken II 2000/01, 27 678, nr.5, p.10-11.
Artt. 7:658a, 660a en 670b lid 3 BW zijn ingevoerd via diverse amendementen, zoals bijv. Kamerstukken II 2000/01, 27 678, nr.13.
Kamerstukken II 2000/01, 27 678, nr.3, p.11-12 en 36.
Stb. 2001, 628, Stb. 2001, 685. De plicht om bij re-integratie ook inschakeling bij een andere werkgever na te streven werd uiteindelijk pas van kracht vanaf 1 januari 2004 (Stb. 2002, 607).
In 1999 trok de regering de conclusie dat de procesgang die tot re-integratie moest leiden onvoldoende resultaten opleverde. Re-integratie eerste spoor én tweede spoor kwamen te weinig van de grond, er trad tijdsverlies op door wachttijden en overdrachtsmomenten terwijl de beoordeling van de inspanningen voornamelijk aan de hand van procedurele en administratieve criteria gebeurde:
‘…(W)erkgevers blijken zich nog onvoldoende bewust te zijn van de grote financiële consequenties van ziekte en arbeidsongeschiktheid en nemen te vaak een afwachtende houding aan. Van de werknemer wordt te weinig initiatief verwacht, waardoor ook hij vaak een te passieve houding aanneemt…In het huidige poortwachtersmodel is teveel bureaucratische rompslomp ontstaan die vroegtijdige reïntegratie eerder belemmert dan bevordert. Tevens blijkt dat snellere helderheid bij werkgevers en werknemers over het te volgen herstel- en werkhervattingstraject is geboden. Een inhoudelijk door het veld gedragen normenkader is hierbij een cruciaal instrument.’1
Het wetsvoorstel Wet verbetering poortwachter was daarom bedoeld om ‘weeffouten’ uit de procesgang te halen en duidelijkere inhoudelijke criteria te geven voor de toetsing van re-integratie-inspanningen. Vanaf de aanvang was de insteek van het wetsvoorstel een wijziging van met name socialeverzekeringswetten. In de parlementaire behandeling is echter ook aandacht besteed aan de meer fundamentele keuze tussen publieke en private verantwoordelijkheid voor re-integratie. Twee argumenten werden aangevoerd om re-integratie privaat te laten uitvoeren. Allereerst wees de regering op de gewenste taakverdeling in de uitvoering van sociale zekerheid.2 Hij onderscheidde vier taken op het gebied van werk en inkomen:
premieheffing
claimbeoordeling3
uitkeringsverstrekking
preventie en re-integratie.
Tussen deze taken zit verschil:
‘De eerste drie taken vormen de kern van de inkomensbeschermende functie van de sociale zekerheid. Naast bevordering van de arbeidsparticipatie beoogt de sociale zekerheid immers ook bestaanszekerheid te bieden aan degenen die buiten hun schuld niet of niet meer in staat zijn om door het verrichten van arbeid in hun levensonderhoud te voorzien.’
Deze drie taken zouden moeilijk van elkaar te scheiden zijn omdat dit veel overdrachtsmomenten tussen verschillende organisaties zou betekenen. Uitvoering door één organisatie kon bovendien leiden tot uniformiteit in de praktijk en schaalvoordelen. Maar omdat deze taken (vanuit de waarborgfunctie van de overheid) niet commercieel zouden mogen worden beïnvloed, moest die uitvoering publiek blijven.
‘De andere doelstelling van de sociale zekerheid, de bevordering van de arbeidsparticipatie, maakt het wenselijk een koppeling aan te brengen tussen de financiële prikkels in het stelsel en de wijze waarop de verantwoordelijkheden voor preventie en reïntegratie worden belegd. Dit brengt met zich mee dat degene die de financiële lasten draagt, in beginsel verantwoordelijk moet worden gesteld voor preventie en reïntegratie. Het kabinet heeft er daarom voor gekozen om werkgevers(organisaties) en werknemers (organisaties) verantwoordelijk te stellen voor de preventie en reïntegratie van arbeidsgehandicapte werknemers.’4
Als tweede reden voor private uitvoering van re-integratie werden ‘dwingende, praktische overwegingen’ genoemd. Voor het UWV zou het onmogelijk zijn om effectief inzicht te krijgen in de vele honderdduizenden ziektegevallen die zich jaarlijks voordoen. Bovendien zou het UWV zijn schaarse capaciteit aan verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen bij voorrang moeten gebruiken voor de claimbeoordeling en de versterking van zijn poortwachtersfunctie.5 Tegelijkertijd moest volgens de regering duidelijk zijn dat private partijen hun verantwoordelijkheid moeten nemen in de wachttijd van de publieke verzekering:
‘Als polisvoorwaarde geldt dat zij alles doen om een beroep op die verzekering te voorkomen. De uitvoerder van de publieke verzekering heeft dan ook het recht en de plicht om aan de poort van die verzekering daarover verantwoording te vragen en bij niet voldoen aan de voorwaarden de toegang te weigeren…De poortwachter moet de poort dicht houden wanneer werkgever en werknemer onvoldoende re-ïntegratie-inspanningen hebben verricht.’6
De Tweede Kamer aanvaardde deze privatisering van de re-integratie, maar zorgde er wel voor dat de private verantwoordelijkheid ook in het BW terecht kwam waar die thuis hoorde.7 In socialezekerheidswetten werd de verhouding met de uitvoeringsinstelling geregeld en niet de verhouding tussen werkgever en werknemer. Bovendien werd op initiatief van de Tweede Kamer een expliciet wettelijk criterium toegevoegd waaraan de inspanningen moesten worden getoetst: of werkgever en werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot hun re-integratie-inspanningen.8
Daarnaast is de verantwoordelijkheidsverdeling tussen werkgever en werknemer besproken:
‘De werkgever en zijn arbo-dienst zijn verantwoordelijk voor het geheel van de reïntegratieactiviteiten; zij kunnen zelf beslissen welke acties er in overeenstemming met de werknemer getroffen moeten worden. Het UWV toetst achteraf of die verantwoordelijkheid ook waargemaakt is. Bij die beoordeling gaat het -anders dan vroeger- om het resultaat van de verrichte inspanningen en om de vraag of partijen datgene hebben ondernomen wat redelijkerwijs van hen kan worden verwacht om te voorkomen dat de werknemer arbeidsongeschikt zou worden of blijven. Tussentijds komt het UWV alleen in actie op verzoek van één der partijen. Dat is in het kort het beeld van de verantwoordelijkheidsverdeling onder de nieuwe Poortwachter.’9
Dit lijkt op enkel een werkgeversverantwoordelijkheid te wijzen. Toch is met ‘Poortwachter’ net zo goed bedoeld de verantwoordelijkheid van de werknemer te vergroten. Dat wordt gezocht in het bieden van de mogelijkheid van een second opinion voor de werknemer, om een impasse over re-integratievragen te voorkomen. Verder is de mogelijkheid om het loon niet meer te betalen als de werknemer niet meewerkt een stimulans om re-integratie serieus te nemen. Een soortgelijke maatregel was al van kracht bij twijfel over de ziekmelding of bij niet-naleving van gedrags- of controlevoorschriften. De regering onderkende dat niet meer dan 4,5% van de werkgevers daadwerkelijk zo’n maatregel oplegde.10
De belangrijkste concrete maatregelen van de Wet verbetering poortwachter zijn deels administratief, deels inhoudelijk:
Afschaffing van het voorlopig en van het definitief re-integratieplan.
Inhouden van het loon door de werkgever en treffen van een maatregel door de uitvoeringsinstelling als de werknemer onvoldoende meewerkt aan zijn re-integratie.
Verval van het opzegverbod tijdens ziekte als de werknemer onvoldoende meewerkt aan re-integratie.
Een expliciete wettelijke plicht voor de werkgever en de zieke werknemer om aan re-integratie te werken.
Invoering van het re-integratieverslag, waarin verantwoording wordt afgelegd over het verloop van en de verrichtte re-integratie-inspanningen: ‘Voor de inhoud van het re-integratiedossier en het daaruit samen te stellen re-integratieverslag wordt in overleg met de huidige uitvoerders een protocol ontwikkeld. In het protocol worden eisen aan het dossier en het verslag gesteld. Het zal normen bevatten over adequate re-integratie-inspanningen. Richtsnoer hierbij is het vroegtijdig verrichten van interventies in het eerste ziektejaar. Deze normen zullen een uitstralingseffect hebben naar het gedrag in het eerste ziektejaar.’11
De werknemer krijgt een eigen rol in de totstandkoming van het re-integratieverslag en moet deze zelf indienen bij aanvraag van de WAO-uitkering.
Het re-integratieverslag moet medische en arbeidsdeskundige basisinformatie bevatten. Hierdoor zouden de administratieve taken in de uitvoering moeten worden verlicht en zou meer tijd vrij moeten komen voor de daadwerkelijke claim- en Poortwachterbeoordeling.
Flexibilisering van het moment van WAO-beoordeling: uitstel op gezamenlijk verzoek van werkgever en werknemer, zodat instroom in de WAO, terwijl het herstelproces nog gaande is, kan worden voorkomen.
Uitstel vanWAO-beoordeling en verlenging loondoorbetalingsverplichting van de werkgever met maximaal 26 weken (loonsanctie) als onvoldoende is gedaan aan re-integratie, met als doel herstel van de tekortkoming.
‘Second opinion’ voor werkgever en werknemer: zij kunnen de uitvoeringsinstelling een oordeel vragen over de vraag of er binnen het bedrijf passende arbeid aanwezig is, dan wel of er voldoende re-integratieactiviteiten worden ontplooid.
Verder is verschillende keren bevestigd dat de werkgever verantwoordelijk blijft voor de re-integratie zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, dus ook als de periode van de loondoorbetalingsplicht is verstreken.
De Wet verbetering poortwachter is van kracht geworden op 1 april 2002.12