Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/6.1.5
6.1.5 Wat achter de poort ligt: de WIA
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS579178:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr.12, p.112, Kamerstukken I, 2005/06, 30 034/30 118, nr.C, p.57. Naast de WIA is er een aparte wet Invoering en financiering WIA (30 118) gekomen, om financiële en technische aspecten van het nieuwe arbeidsongeschiktheidsstelsel te regelen en een reparatiewet, de Aanpassings- en verzamelwet Wet WIA (30 318).
Kamerstukken I 2005/06, 30 034/30 118, nr.E, p.8-9.
Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr.3, p.88-91.
Art. 28 lid 1 WIA: De verzekerde voorkomt het ontstaan van arbeidsongeschiktheid of verminderde arbeidsgeschiktheid en beperkt het bestaan van arbeidsongeschiktheid of verminderde arbeidsgeschiktheid, voorzover dit redelijkerwijs van hem verwacht mag worden.
Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr.12, p.129-130.
De wijziging is tot stand gekomen na overleg met de zogeheten Stuurgroep verbetering poortwachter. CRvB 22 februari 2006, RSV 2006, 99 (waarin de rechter de minimumtermijnen onverbindend achtte) bevestigde later dat de wetswijziging terecht was, zie verder Kamerstukken II 2005/06, 30 318, nr.12.
Bij een administratieve tekortkoming zal eerst een termijn worden gegeven om ontbrekende stukken alsnog in te dienen.
Kamerstukken II 2005/06, 30 318, nr.6, p.18-22.
Hofman/Pennings, p.38.
Art. 38b lid 1 ZW.
Wat kort gezegd inhoudt dat de werkgever voor een arbeidsongeschikte werknemer die twee jaar arbeidsongeschiktheid heeft ‘vol’ gemaakt en een WIA-keuring heeft ondergaan, bij een hernieuwde uitval geen risico loopt twee jaar lang het loon door te betalen. De werknemer heeft dan vanaf de eerste dag recht op een ZW-uitkering. Die uitkering kan in het eerste jaar méér dan 70% zijn als de werkgever verplicht zou zijn méér dan 70% van het loon door te betalen (art. 29b ZW).
Stb. 2005, 619.
Bij de invoering van Wulbz II werd al duidelijk gemaakt dat dit één stap was in een veelomvattender herziening van de WAO-wetgeving. Het sluitstuk van die herziening is de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) geworden.1 Net als bij de invoering van ‘Poortwachter’ en Wulbz II is voortgebouwd op de conclusies van de commissie Donner II en het daaropvolgende SER-advies 2002-5. ‘Het belangrijkste doel van de onderhavige wetsvoorstellen is om zoveel mogelijk mensen aan het werk te houden of weer aan het werk te krijgen.’ Daarvoor gaf de regering verschillende redenen. Teveel gedeeltelijk arbeidsgeschikten staan nog aan de kant en meer arbeidsparticipatie vergroot het draagvlak wat weer bijdraagt aan een sterkere economie. Dat is nodig vanwege de vergrijzing van de beroepsbevolking en de groter gebleken kans voor vrouwen om arbeidsongeschikt te raken.2 Net als eerder -in oorsprong- de WAO is ook de WIA in hoofdzaak een re-integratiewet. De nadruk op inkomensbescherming die in de WAO was ontstaan, wordt verschoven naar activering van arbeidsgeschiktheid: ‘Activerende werking is het uitgangspunt van de Wet WIA.’3
De uitgangspunten voor re-integratie worden in de wetsgeschiedenis nog eens herhaald. Voor werknemer, werkgever, arbo-dienst, private verzekeraar en het UWV moet bij de vormgeving van het re-integratiebeleid gelden:
Optimale aansluiting van de re-integratieactiviteiten tijdens en ná de loondoorbetalingsperiode.
Optimale inzet van menskracht en middelen: snelle interventie, een actieve betrokkenheid van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte en een evenwichtig systeem van rechten en plichten.
Maatwerk voorop: het re-integratietraject moet aansluiten bij de individuele situatie van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte.
Eenvoud in regelgeving: voldoende ruimte en flexibiliteit voor de uitvoering.
Duidelijkheid en zakelijkheid: voornemens en verwachtingen vastleggen in concrete schriftelijke afspraken en het opleggen van sancties als deze afspraken niet worden nagekomen.
De wet is op een aantal vlakken van belang voor re-integratie in de eerste twee jaar van ziekte. Allereerst is de vraag aan de orde gekomen of het risque social nu nog steeds een uitgangspunt is. Bij de invoering van de WAO in 1967 is daarvoor gekozen. De Raad van State heeft het advies gegeven in de memorie van toelichting expliciet op die vraag in te gaan, omdat hij een (internationale) beschouwing miste. De regering heeft er op gewezen dat Nederland gelet op verschillende internationale verdragen moet voorzien in zowel een dekking van het beroepsrisico als het risque social. In onze wetgeving wordt daarin geen onderscheid gemaakt, waarmee Nederland het enige land in West Europa is, dat dit onderscheid niet maakt. De regering zag -ondanks toenemende internationalisering- geen aanleiding tot herinvoering van afzonderlijke regelingen voor het risque professionnel en het risque social, omdat ons stelsel ondanks het ontbreken daarvan toch in lijn zou zijn met die verdragen.4 Het risque social leidt er toe dat de oorzaak van arbeidsongeschiktheid niet van belang is om toch onder het stelsel te vallen. In het verlengde daarvan werd voorgesteld in de Wet WIA een bepaling op te nemen met de plicht om het ontstaan van arbeidsongeschiktheid of verminderde arbeidsgeschiktheid te voorkomen.5 Door de PvdA werd uitleg gevraagd over de betekenis van die bepaling en daarbij werd een aantal voorbeelden aangehaald, waarin de werknemer door eigen toedoen arbeidsongeschikt werd:
‘iemand, die in een zwembad duikt op een plek met een bordje ‘verboden te duiken’ en daarbij een dwarslaesie vanaf de nek oploopt;
iemand, die als deelnemer aan een illegale straatrace, eenzelfde aandoening oploopt bij een auto ongeluk;
iemand, die eenzelfde aandoening oploopt na een ongeluk op een opgevoerde brommer;
iemand, die off-piste skiet op een plek waar dat niet is toegestaan en aldaar vergelijkbaar letsel oploopt.’
De vraag is interessant omdat het antwoord duidt hoe wordt gedacht over de eigen verantwoordelijkheid voor het ontstaan van arbeidsongeschiktheid, wat weer zijn weerslag zou kunnen hebben op de regeling voor de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid. De regering antwoordde dat de voorgestelde bepaling de algemene plicht van schadelastbeperkend gedrag bevat. De plicht houdt in dat men -zowel preventief als repressief- voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de beperking van de schadelast moet tonen en daarnaar moet handelen. Er is sprake van schending van dat besef bij een voldoende causaal verband tussen de gedraging van de betrokkene en de schadelijke gevolgen. Daarnaast moet de causale bijdrage aan de schade, aan de betrokkene kunnen worden toegerekend. De betrokkene dient de plicht na te leven voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verwacht:
‘Als iemand een aandoening oploopt, bijvoorbeeld als deelnemer aan een illegale straatrace of met een opgevoerde brommer, dan moet bekeken worden of het redelijk en billijk is hem deze opgelopen schade (in meer of mindere mate) aan te rekenen. De beantwoording van de vraag wat redelijk is en wat niet, is afhankelijk van de individuele omstandigheden van het geval.’
Persoonlijke omstandigheden zoals competenties, kennis, ervaring, arbeidsverleden en dergelijke kunnen in een individueel geval de grens van de schadebeperkingsplicht verleggen ‘maar zij kunnen de betrokkene niet van elke zorg ontheffen.’6
Uitvoeringstechnisch zijn voor re-integratie in veel opzichten de WAO-regels overgenomen, zoals de regels rond de beoordeling van de re-integratie-inspanningen en die rond de loonsanctie.7 Bij de allerlaatste technische aanpassingen van de WIA is de systematiek van de loonsanctie gewijzigd. Het tot dan toe geldende stelsel van vaste sancties, afhankelijk van de ernst van de tekortkomingen, werd ingeruild voor een systeem waarin de nadruk meer lag op het reparatoire karakter van de loonsanctie. Onderdeel daarvan was de invoering van de mogelijkheid bekorting van de sanctie te vragen als de inhoudelijke of de administratieve tekortkomingen waren hersteld.8 In het nieuwe systeem heeft de Minister een evenwicht proberen te vinden tussen de belangen van werkgever en werknemer en de uitvoerbaarheid door het UWV.
Allereerst moet het UWV in de beschikking waarbij de loonsanctie wordt opgelegd voldoende duidelijk aangeven waaruit de geconstateerde tekortkoming bestaat.9 Omdat die beschikking uiterlijk zes weken voor het einde van de wachttijd door het UWV wordt afgegeven, kan de werkgever zo snel mogelijk zijn tekortkomingen gaan herstellen. Overschrijding van die zeswekentermijn door het UWV blijft niet zonder gevolgen. Als de beslissing te laat, maar voor het einde van de (verlengde) wachttijd wordt gegeven dan wordt de periode van de loonsanctie bekort. Als de beslissing meer dan zes weken te laat is, waardoor de beslissing niet voor het einde van de (verlengde) wachttijd is gegeven, wordt geen loonsanctie meer opgelegd. Dit laatste omdat het herstelkarakter van de loonsanctie zich niet zou verdragen met het opleggen van een loonsanctie met terugwerkende kracht.
Zodra de werkgever vervolgens de benodigde inspanningen heeft verricht c.q. de ontbrekende stukken alsnog heeft geleverd, meldt hij dit aan het UWV. Als hij aan de eisen heeft voldaan, eindigt de loonbetalingsplicht niet onmiddellijk. Er moet volgens de Minister altijd rekening worden gehouden met een zekere uitlooptermijn. Deze uitlooptermijn bedraagt zes weken en is de tijd die nodig is om de WIA-aanvraag te beoordelen. De termijn van zes weken is gelijk aan de periode die op het moment van het opleggen van de loonsanctie nog resteerde tot aan einde van de wachttijd. Is het UWV bij het opleggen van de loonsanctie of bij het beslissen op een bekortingsverzoek te laat, dan wordt de tijd dat later is beslist dan voorgeschreven in mindering gebracht op de uitlooptermijn van zes weken. Volgens de Minister is een groot voordeel van het nieuwe systeem dat de werkgever zelf invloed heeft op de duur van de sanctie. Hierdoor zou een vorm van evenredigheid bestaan tussen de sanctie en het herstelgedrag van de individuele werkgever.10
In gesprekken met de sociale partners is door de regering het ongewenste aanvullen van de 104 weken loondoorbetaling tot 100% ter sprake gebracht. De werknemer voelde op die manier geen financiële prikkel en was zelfs beter af dan voor de Wulbz II, toen hij na 52 weken terugviel op ten hoogste 70%. In het Najaarsakkoord 2004 is afgesproken dat de regering de uitkering voor IVA-gerechtigden zou verhogen naar 75% (onder bepaalde voorwaarden) als sociale partners zouden zorgen voor een maximering van de aanvullingen tot 170% over twee jaar.11 Sociale partners en de regering hebben zich aan die afspraken gehouden.
Een laatste aspect dat bij de invoering van de WIA aan de orde is gekomen, is het nut of de noodzaak van een quotumplicht. In de af te schaffen Wet REA stond de mogelijkheid zo’n quotumplicht in te voeren, op basis waarvan werkgevers verplicht zouden zijn een bepaald percentage werknemers met beperkingen in dienst te nemen. Er is bij amendement voorgesteld om die mogelijkheid ook op te nemen in de WIA, maar de Minister zag daar niets in: ‘De regering acht een dergelijke algemene quotumverplichting geen geschikt en noodzakelijk instrument om toegang tot de arbeidsmarkt voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten te bevorderen.’ Het samenstel van specifieke verplichtingen, faciliteiten en prikkels voor werkgevers in diverse wetten zou voldoende moeten zijn; een quotumplicht zou geen extra voordeel bieden. Zo’n plicht zou leiden tot hoge administratieve lasten voor werkgevers en uitvoeringskosten voor toezicht op naleving en handhaving.12
De belangrijkste bepalingen van de WIA voor re-integratie:
De werknemer is na ommekomst van twee maanden desgevraagd verplicht aan de werkgever te melden dat hij de status van ‘arbeidsgehandicapte’ heeft, zodat de werkgever gebruik kan maken van voorzieningen bij arbeidsongeschiktheid (zoals bijvoorbeeld de no-riskpolis of premiekortingen).13
De werkgever die een werknemer in dienst houdt die meer dan 35% arbeidsongeschikt is of een arbeidsongeschikte werknemer (ook al is dat voor minder dan 35%) in dienst neemt, kan een beroep doen op de no-riskpolis en op premiekorting.14
De Wet REA wordt ingetrokken en verschillende re-integratie-instrumenten worden in andere wetten ondergebracht.
Voor iemand die volledig én duurzaam arbeidsongeschikt is, hoeven geen re-integratie-inspanningen te worden verricht.
De werkgever kan een verzoek doen om bekorting van de loonsanctie als hij meent dat de tekortkomingen op grond waarvan de sanctie was opgelegd, zijn hersteld.
De WIA is van kracht geworden per 29 december 2005.15