Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/6.1.6
6.1.6 Commentaar totstandkoming WIA
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS575640:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr.12, p.17-18.
Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr.4, p.23 en 38-39.
Art. 9 WIA, hoewel die bredere strekking ook in andere werknemersverzekeringen voorkomt.
Zie § 2.7.1.
Korten met ten minste 15%, tot volledig weigeren gedurende ten hoogste vier maanden, art. 88 WIA jo. art. 6 lid 4 sub a en art. 2 lid 1 sub c Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten.
Kamerstukken I 2005/06, 30 034/30118, nr.E, p.10.
Kamerstukken I 2010/11, 30 034, nr.P, bijlage, par. 3.
In de parlementaire behandeling is de vraag gesteld of onze hoge arbeidsongeschiktheidscijfers niet worden veroorzaakt door het handhaven van het risque social, waarbij de vergelijking werd gemaakt met landen die een risque professionel kennen. Onder verwijzing naar cijfers maakte de regering duidelijk dat zo’n verband niet is te leggen. In Nederland had 9% van de personen tussen 20 en 64 jaar een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In landen waar een risque professionel-regeling geldt, komen verschillende percentages voor. Bijvoorbeeld in Noorwegen is dat iets hoger: 9,2%, in Duitsland een stuk lager: 4,2%.1 De Raad van State heeft meer fundamenteel opgeroepen na te denken over het risque social. Volgens hem tendeert de WIA naar een volksverzekering hoewel er wel werknemersverzekeringsvoorwaarden worden gesteld. De Raad vroeg de regering de ervaringen van afgelopen decennia te benoemen. Dat werd geplaatst tegen de achtergrond van het unieke stelsel dat Nederland in de wereld heeft, terwijl tegelijk sprake is van verdergaande europeanisering: ‘Het mogelijke belang van het behoud van zo’n unieke positie wordt niet aangetoond, noch worden de mogelijke bezwaren ervan besproken.’
De overdenking van de regering is wel mager. Er wordt slechts beweerd dat de WIA een ‘gewone’ werknemersverzekering is. Voor het overige wordt alleen maar herhaald dat Nederland voldoet aan internationale normen. Het toegezegde antwoord ten principale ontbreekt.2 Dat is jammer omdat een principiële beantwoording wel op zijn plek zou zijn nu de verhoudingen en verantwoordelijkheden anders zijn komen liggen dan toen de WAO in 1966 werd ingevoerd. Het fundamenteel overdenken bij de invoering van de WIA zou inzichten hebben kunnen opleveren hoe tegen de dekking van het arbeidsongeschiktheidsrisico in de eerste twee jaar (immers ook risque social) wordt aangekeken. Daarbij: een ‘echt’ gewone werknemersverzekering is de WIA niet omdat het toepassingsbereik breder is dan alleen werknemers.3 De inrichting van een systeemwaarin werkgever voor zowel professionele als persoonlijke risico’s verantwoordelijk is, vraagt om een betere en principiëlere onderbouwing.
Interessant is nog het antwoord van de regering op de vraag over de invloed van de oorzaak van arbeidsongeschiktheid. Het risque social wordt overeind gehouden, maar kennelijk ziet de regering wel dat de werknemer moet kunnen worden aangesproken op het ontstaan van arbeidsongeschiktheid. In de eerste twee jaar ziektejaren is dat nu geregeld in artikel 7:629 lid 3 aanhef en sub a BW, waardoor alleen bij het opzettelijk veroorzaken van arbeidsongeschiktheid geen recht bestaat op loon. Deze bepaling wordt restrictief uitgelegd.4 Het lijkt er op dat het UWV als WIA-uitvoerder na twee jaar arbeidsongeschiktheid eerder kan concluderen tot het toerekenbaar niet voorkomen van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid dan de werkgever in de eerste twee jaar. Dat kan leiden tot een korting op de WIA-uitkering en zelfs het tijdelijk weigeren daarvan.5 Tegelijk roept dat de vraag op waardoor het onderscheid in behandeling tussen de werkgever en het UWV wordt gerechtvaardigd, wetende dat de loondoorbetalingsplicht de ‘opvolger’ is van werknemersverzekering ZW en de werkgever voor een belangrijk deel is getreden in de rol en taken van het UWV.
Ten slotte is de uitbreiding van de no-riskpolis tot het aannemen van de ‘35-minner’ en het in dienst houden van de ‘35-plusser’ sommige partijen niet ver genoeg gegaan. Er zijn in de Eerste Kamer pogingen gedaan om het in dienst houden van ‘35-minners’ daar ook onder te laten vallen. Volgens de regering is dat niet nodig: ‘Voor de bevordering van de reïntegratie in het eigen bedrijf heeft de werkgever een voldoende prikkel ook zonder dat daaraan de no-riskpolis wordt toegevoegd.’ Bij het in dienst houden van de ‘35-minner’ is er sprake van ‘een in de wet beoogde en ook geslaagde re-integratie in het eigen bedrijf’.6 Een latere evaluatie laat zien: ‘Van de 35-minners die afkomstig zijn uit een vast dienstverband werkt in 2009 64%. Dit vindt voor het grootste deel bij de eigen werkgever plaats. Zo’n 20% hervat bij een nieuwe werkgever.’7 Voor een aanzienlijk deel lijkt de no-riskpolis voor werkhervatting bij de eigen werkgever dus niet nodig. Tegelijk is een flink deel van de 35-minners niet aan de slag. De bestaande prikkels zijn voor deze groep kennelijk niet genoeg: wellicht is te overwegen om, als dan toch een prikkel moet worden gegeven, de no-riskpolis ook voor het behouden van 35-minners open te stellen. Dat er bij het in dienst houden sprake zou zijn van een geslaagde re-integratie lijkt een te grofmazige opmerking. Er zijn namelijk twee varianten van het in dienst houden, te weten hetzij het nietbeëindigen van de arbeidsovereenkomst zonder dat wordt gewerkt hetzij het daadwerkelijk re-integreren en laten verrichten van werkzaamheden. In de eerste variant is er geen beoogde en geslaagde re-integratie. In § 6.1.3 heb ik een aantal argumenten genoemd waarom een werkgever toch niet over gaat tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het in dienst houden gebeurt dan niet uit een re-integratiegedachte maar vanwege andere motieven.