Re-integratie van de zieke werknemer; Nederland, Duitsland en flexicurity
Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/6.1.2:6.1.2 Commentaar totstandkoming Wet verbetering poortwachter
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/6.1.2
6.1.2 Commentaar totstandkoming Wet verbetering poortwachter
Documentgegevens:
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS574492:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 5.18, ook de regering onderkende dit later, Kamerstukken II 2000/01, 27 678, nr.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De fundamentele keuze van de regering om re-integratie privaat uit te laten voeren, is gebaseerd op een koppeling aan degene die de financiële lasten draagt. Hoewel wel werd verwezen naar werkgevers(organisaties) én werknemers(organisaties), worden de financiële lasten in de praktijk vrijwel uitsluitend door de individuele werkgever gedragen. Aan de ene kant kan worden gezegd dat deze koppeling een logische stap is. Als een werkgever verplicht is het loon door te betalen tijdens arbeidsongeschiktheid dan ligt het voor de hand hem voor re-integratie (en dus het einde van de loondoorbetaling) niet afhankelijk te laten zijn van een derde. Hij moet ‘master of his domain’ zijn. Aan de andere kant wordt de werkgever ‘verantwoordelijk gesteld’. Dat betekent dat zijn financiële lasten verder omhoog gaanwant er moeten re-integratiekosten worden gemaakt. De werkgever kan daarnaast (financieel) worden afgerekend op het al dan niet slagen van de re-integratie; dat is een strengere benadering dan hem bijvoorbeeld onder verantwoordelijkheid van het UWV in staat te stellen aan re-integratie bij te dragen, zodat hij voor daadwerkelijke re-integratie niet afhankelijk is van het UWV.
De vraag is gerechtvaardigd of deze onderbouwing van de overheid wel overtuigend is. Volgens de regering moeten slechts de taken, die bij de inkomensbeschermende kant van sociale zekerheid horen publiek worden uitgevoerd, vanwege de waarborgfunctie van de overheid. Dat veronderstelt dat de overheid bevordering van arbeidsparticipatie niet ziet als onderdeel van haar taken; dit kan aan private uitvoering worden overgelaten. Dat lijkt mij niet erg goed te rijmen met de talloze wettelijke ingrepen in de loop van de jaren negentig, die voornamelijk werden verantwoord met een beroep op de noodzaak ziekteverzuim terug te dringen, door arbeidsparticipatie te verhogen. Bovendien wordt met deze afweging aangesloten bij de financiële verantwoordelijkheid zoals die in de loop van de jaren negentig in diezelfde wetgeving tot stand is gekomen. De regering suggereert in de totstandkoming een zekere volgtijdelijkheid: ‘eerst de financiële prikkels, dan dus nu ook de re-integratieverantwoordelijkheid’. Maar die volgtijdelijkheid bestaat niet. Al in de Wet TZ in 1992 was de werkgever bijvoorbeeld verantwoordelijk voor interne re-integratie, zelfs nadat de loondoorbetalingsperiode bij ziekte was afgelopen.1
De onderbouwing voor een verdere private uitvoering is voor mij niet erg overtuigend, gelet op de achtergrond dat de poortwachtermodel tot dan toe door de regering niet effectief werd gevonden. Het woord ‘weeffouten’ verhult dat veeleer een vlucht naar voren werd gekozen dan dat het bestaande systeem op detailniveau werd verfijnd. Daarbij lijkt niet te zijn geredeneerd vanuit principiële overwegingen, maar vanuit doelmatigheid. De beschikbare capaciteit bij het UWV bepaalde (mede) de inrichting van het stelsel.