Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/6.1.3
6.1.3 Wulbz II: naar 104 weken loondoorbetaling bij ziekte
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS575639:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2002/03, 28 629, nr.1-2.
Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid (Commissie Donner II), Werk maken van arbeidsgeschiktheid, 30 mei 2001; SER, Werken aan arbeidsgeschiktheid: voorstellen WAO-beleid, 2002-5, 22 maart 2002.
Kamerstukken II 2002/03, 28 629, nr.15, voor een toelichting daarop: Kamerstukken II 2003/04, 29 231, nr.6, p.14. Uit dat zogeheten Najaarsoverleg kwam onder andere de afspraak dat als sociale partners de aanvullingen op het loon tot 100% in het tweede ziektejaar in de diverse CAO’s zouden afschaffen, de regering in de nieuwe WAO-regeling aan volledig en duurzaam arbeidsongeschikten een hogere uitkering zou toekennen, vooropgesteld dat de instroom in die categorie beperkt zou blijven tot maximaal 25.000 mensen. Ook de premiedifferentiatie WAO zou op termijn worden afgeschaft, Kabinetsverklaring 17 oktober 2003.
Kamerstukken II 2003/04, 29 231, nr.1/2, ik noem de wet vanaf nu Wulbz II.
Kamerstukken II 2003/04, 29 231, nr.3, p.1-2, zie ook Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr.4, p. 10: ‘Het activeren van de beschikbare arbeidsgeschiktheid dient daarbij voorrang te hebben op het verzekeren van arbeidsongeschiktheid.’
Ondersteuning door het stelsel laat onverlet dat met de Wulbz II ook subsidiemogelijkheden voor werkgevers voor scholing, training, begeleiding of inzet in het tweede spoor zijn afgeschaft. De positieve prikkel van subsidie was volgens de regering in het tweede ziektejaar niet langer nodig, omdat er een negatieve prikkel (langere loondoorbetaling) werd ingevoerd. Bovendien werd het onwenselijk gevonden private verantwoordelijkheid voor re-integratie te financieren met publieke subsidies. De kosten van re-integratie moesten volledig voor rekening van de werkgever komen, Kamerstukken II 2003/04, 29 231, nr.3, p.24-25, nr.6, p.19.
‘Een belangrijke barrière betreft thans het feit dat de oriëntatie op het verkrijgen van een WAO-uitkering, die thans na één jaar ziekte kan worden toegekend, de re-ïntegratie-inspanningen nu vaak negatief beïnvloedt…het uitzicht op een WAO-uitkering (vermindert) thans de prikkels voor werkgever en werknemer om -aan het eind van het eerste ziektejaar- al het mogelijke te blijven doen om tot werkhervatting en reïntegratie te komen.’, Kamerstukken II 2003/04, 29 231, nr.3, p.8. De regering vindt dat sprake dient te zijn van evenwichtige prikkels voor werkgever en werknemer.
Kamerstukken II 2003/04, 29 231, nr.3, p.9-11 ‘Daardoor is de verwachting dat werkgevers ook gedurende het tweede ziektejaar hun verantwoordelijkheid nemen, omdat zij financieel verantwoordelijk blijven voor hun zieke werknemer. Dit is ook de argumentatie die de SER vooropstelt bij de keuze voor een verlenging van de loondoorbetalingsperiode (zie p. 109 van het SER-advies).’
Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr.12, p.6-7. De regering voegde daaraan toe: de verlenging naar 104 weken ‘…had twee redenen. Ofwel zieke werknemers volgen dan nog een traject richting werk ofwel verdere reïntegratieactiviteiten werden niet ondernomen omdat de WAO in zicht was. Door de verlenging naar 104 weken zal dit zich, naar de huidige kennis, niet tot nauwelijks meer voordoen.’
De Wet verbetering poortwachter gaat ook in het tweede ziektejaar gelden.
Onverlet de mogelijkheid een wijziging van de arbeidsovereenkomst overeen te komen, Kamerstukken II 2003/04, 29 231, nr.3, p.35-36.
Voor het overige wordt aangesloten bij de deskundigenverklaring als bedoeld in art. 7:629a BW, Kamerstukken II 2003/04, 29 231, nr.3, p.37.
Art. 35 en 39a ZW, Kamerstukken II 2003/04, 29 231, nr.3, p.39-40.
Stb. 2003, 555.
Met de Wulbz werd de periode van loondoorbetaling bij ziekte in 1996 op één jaar gesteld. In 2002 werd conform het regeerakkoord het wetsvoorstel Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte ingediend.1 In dat regeerakkoord van CDA, VVD en LPF was een ingrijpende wijziging van deWAO afgesproken, gebaseerd op het advies van de Commissie Donner II en het SER-rapport ‘Werken aan arbeidsgeschiktheid’.2 Het verder verlengen van de loondoorbetalingsperiode bij ziekte was daarvan een belangrijk onderdeel. Overleg met sociale partners over de vernieuwing van het totale ‘WAO-complex’ leidde echter tot intrekking van het wetsvoorstel.3 In licht gewijzigde vorm werd het eind 2003 opnieuw ingediend als Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003.4
De aanleiding voor het wetsvoorstel was geen verrassing:
‘De WAO is in ons land steeds een onderwerp van grote zorg geweest. Diverse ingrepen hebben plaatsgevonden in de afgelopen decennia. Desondanks is de inactiviteit als gevolg van ziekte en arbeidsongeschiktheid in ons land groter dan in de andere OESO-landen. Hoewel de ontwikkeling in 2002 en begin 2003 positief is te noemen, is het aantal personen dat de WAO instroomt nog steeds te hoog. Bij ongewijzigd beleid zal het WAO-volume op middellange termijn weer stijgen. Dit duidt erop dat in het huidige stelsel de mechanismen en prikkels, ondanks de gedane ingrepen, nog steeds fundamenteel tekortschieten. De kern van deze fundamentele tekortkoming is…dat het niet (moet gaan) om het verzekeren van arbeidsongeschiktheid, maar om het activeren van arbeidsgeschiktheid.’5
Bij de vormgeving van het nieuwe WAO-stelsel koos de regering voor drie uitgangspunten:
de primaire verantwoordelijkheid ten aanzien van preventie en re-integratie ligt bij werkgevers en werknemers; het stelsel moet voorzien in adequate ondersteuning;6
de inspanningen van werkgever en werknemer moeten er op zijn gericht om mensen die daartoe nog in staat zijn, zo snel mogelijk hun werk te laten hervatten;
een permanente en adequate inkomensbescherming voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.
In het WAO-stelsel zou het niet langermeer om ‘verzekeren van arbeidsongeschiktheid’ gaan.
Voor de langere loondoorbetaling bij ziekte werden verschillende argumenten aangevoerd. Allereerst paste een langere loondoorbetaling bij de eerste twee uitgangspunten voor het nieuwe stelsel. Daarnaast zou bij vroegtijdig ingrijpen instroom in de WAO worden voorkomen, zodat werkgever en werknemer een versterkte prikkel moesten krijgen om (snel) inspanningen te verrichten rond verzuimbegeleiding en werkhervatting. Die versterkte prikkel was nodig omdat de regering vond dat aan het einde van het eerste ziektejaar de aandacht van teveel verschoof naar instroom in WAO in plaats van werkhervatting. Kennelijk werden werkgever en werknemer niet langer meer geprikkeld.7 De ‘forse financiële incentive’ voor de werkgever zou zitten in twee jaar loondoorbetaling; de prikkel voor de werknemer moest komen uit de afspraak met sociale partners om in het tweede jaar geen cao-aanvullingen op het loon bij arbeidsongeschiktheid meer af te spreken. Bovendien zou het mogelijk worden gemaakt om aan de zieke werknemer in het tweede jaar minder dan het minimumloon te betalen.8
De keuze om de periode van loondoorbetaling bij ziekte te stellen op twee jaar vloeit volgens de regering voort uit een aantal nadelen van het systeem tot dan toe:
De WAO-aanvraag komt in veel gevallen te vroeg en verstoort daarmee de re-integratie-inspanningen: ‘Bovendien voorkomt de verlenging dat werknemers na het eerste ziektejaar nagenoeg automatisch de WAO instromen.’9
De kosten/baten verhouding van uitgaven voor re-integratie voor de werkgever en diens verzekeraar is gunstiger bij een langere periode van loondoorbetaling.
De duur van de verantwoordelijkheid van de werkgever voor de re-integratie van zijn zieke werknemer is niet begrensd tot de periode van loondoorbetaling, maar gekoppeld aan de duur van het dienstverband. Door de werking van het opzegverbod bij ziekte is de werkgever volgens de regering in de regel twee jaar verantwoordelijk voor de re-integratie: met twee jaar ‘worden de periode van loondoorbetaling, de duur van de re-integratieverantwoordelijkheid, de wederzijdse aanspraken op werkhervatting en de periode van ontslagbescherming consequent aan elkaar gekoppeld.’
Vanwege de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het publieke en private domein wordt de situatie -dat na het eerste jaar een (gedeeltelijke) WAO-uitkering wordt toegekend en de loondoorbetaling wordt beëindigd- onevenwichtig gevonden. Veel werkgevers zouden namelijk (ten onrechte) in de veronderstelling verkeren dat het UWV na dit eerste jaar de verantwoordelijkheid voor de re-integratie overneemt omdat de werknemer dan in de WAO instroomt. Het is een markering dat de verantwoordelijkheid twee jaar lang bij private partijen berust.10
De werkgever die in het tweede jaar wel aan re-integratie zou werken, heeft niet de volledige mogelijkheden van de Wet verbetering poortwachter om de eventueel onwillige werknemer tot medewerking te bewegen. De mogelijkheden om sancties te treffen tegen de werknemer liggen dan namelijk bij het UWV.
Die sanctiemogelijkheid is des te belangrijker omdat de werkgever per (uiteindelijk) 1 januari 2004 verantwoordelijk wordt voor de re-integratie bij een andere werkgever, als in het eigen bedrijf geen mogelijkheden (meer) zijn.11
Opmerkelijk is dat zowel PvdA, GL als VVD bij de behandeling van het wetsvoorstel WIA hebben geopperd de loondoorbetalingsperiode nog eens met één tot twee jaar te verlengen. Volgens de regering was 52 weken te kort maar zou een periode langer dan 104 weken niet nodig zijn. Niet alleen zijn er grenzen aan de duur van de verantwoordelijkheid van de werkgever, het zou ook afwijken van de adviezen van de Commissie Donner en de SER.12
De concrete maatregelen van Wulbz II komen neer op het volgende:
Het tijdvak van loondoorbetaling bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte wordt verlengd van 52 naar 104 weken.13
In het tweede ziektejaar is de werkgever niet langer verplicht ten minste het wettelijk minimumloon te betalen, maar mag hij -voor werknemers die het minimumloon verdienen- volstaan met betaling van 70% daarvan.
Artikel 7:629 lid 12 BW bepaalt dat als de werknemer passende arbeid verricht, de arbeidsovereenkomst onverkort in stand blijft, zelfs als de werknemer bijvoorbeeld in het kader van ‘tweede spoor’ een arbeidsovereenkomst sluit met een nieuwe werkgever.14
Bij een vordering rond het treffen van maatregelen of het verstrekken van aanwijzingen die redelijkerwijs nodig zijn om de eigen of andere passende arbeid te verrichten, moet een deskundigenverklaring van het UWV worden overgelegd (artikel 7:658b BW).15
Het opzegverbod tijdens ziekte blijft ook na twee jaar van kracht gedurende de tijd van de loonsanctie (artikel 7:670 lid 10 BW).
De duur van de ZW-uitkering wordt verlengd van één naar twee jaar met de mogelijkheid van verhaal op de werkgever of sanctie op de werknemer, als (bij het einde van de arbeidsovereenkomst in de eerste twee jaar van ziekte) blijkt dat onvoldoende werk is gemaakt van re-integratie.16
Diverse re-integratiesubsidies rond scholing, training, begeleiding en tweede spoor vervallen.
De wet is per 1 januari 2004 van kracht geworden.17