Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/8.2.2
8.2.2 Is op grond van de wilsvertrouwensleer sprake van een overeenkomst of toezegging?
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685359:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Hof Amsterdam 18 december 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4694, waarin een brief van de gemeente niet als zodanig kon worden gelezen. Het ging om een verzoek voor de plaatsing van een trottoir. Soms sluit de civiele rechter aan bij de bestuursrechter en gebruikt hij zelfs het woord ‘belanghebbende’. Zie Rb. Amsterdam 3 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6996, rov. 4.13: “De rechtbank stelt voorop dat een toezegging een eenzijdig en individueel (persoonsgebonden) karakter heeft, ziet op een specifieke situatie, een standpunt weergeeft en dus geen (algemene) inlichting is, in concrete bewoordingen is gesteld en een positief oordeel inhoudt voor de belanghebbende.” Indien sprake is van nadere voorwaarden, is geen sprake van een resultaatgerichte toezegging. In Hof ’s-Hertogenbosch 14 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2171, rov. 5.10 werd geen toezegging aangenomen. In Rb. Noord-Holland 13 november 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:12971, rov. 4.4; Rb. Zwolle-Lelystad 26 januari 2005, ECLI:NL:RBZlY:2005:AS3863, rov. 3.20 en Rb. Overijssel 8 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4682, rov. 4.7 werden evenmin toezeggingen aangenomen. Wel was sprake van een ondubbelzinnige toezegging in Rb. Rotterdam 24 november 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:11444, waarin onder andere sprake was van een brief ondertekend door de Teamleider Vastgoed en Grondzaken, namens het college van B&W en geen voorbehoud was gemaakt ten aanzien van beleidswijzigingen. Vgl. Rb. Zeeland-West-Brabant 11 februari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:616 voor het bestuursrecht.
Par. 3.3. Zie bijv. Rb. Den Haag 27 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:4208, rov. 4.4.
Rb. Den Haag 27 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:4208, rov. 4.7. Deze intentie moet niet verward worden met inspanningsverplichtingen, in welk geval een overheid wel een verplichting op zich neemt om zich in te spannen, maar zich niet vastlegt op het resultaat van die inspanningen.
Hof Den Haag 17 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3275, rov. 15: “[A] verklaart wel dat [X] “enthousiast” was over de plannen en [Y] “positief”, maar dat is niet hetzelfde als een toezegging dat een vergunning zal worden verleend. Ook de toelichting van [A] tijdens de pleitzitting duidt niet op een dergelijke toezegging. [V] heeft slechts vernomen dat door de Gemeente een “positieve intentie” was uitgesproken om mee te werken aan het project.”
In de regel zal de toezegging moeten zijn gericht aan de fidens, zie bijv. Hof Den Haag 26 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1314, rov. 3.2 en Hof Den Haag 26 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1315, rov. 3.2.
Hof ’s-Hertogenbosch 17 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3439, rov. 5.10; Hof ’s-Hertogenbosch 5 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:383, rov. 6.8 en Rb. Limburg 24 juli 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:6805, rov. 4.16.
Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 19 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1594, rov. 3.22 en Hof ’s-Hertogenbosch 14 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2171, rov. 5.10. In Hof Arnhem-Leeuwarden 8 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7018, rov. 4.38-4.39 was de uitlating onvoldoende concreet.
Zie bijv. Rb. Limburg 17 februari 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:1506, rov. 4.2-4.4; Hof ’s-Hertogenbosch 19 mei 2020, ECLI:BL:GHSHE:2020:1594, rov. 3.22; Hof Arnhem-Leeuwarden 27 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2023, rov. 4.6-4.10; Rb. Amsterdam 14 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4010, rov. 4.3-4.9; Rb. Noord-Nederland 9 januari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:78, rov. 4.4-4.6; Hof ’s-Hertogenbosch 17 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3439, rov. 5.10; Rb. Limburg 24 juli 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:6805, rov. 4.13-4.16; Rb. Den Haag 17 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:12400, rov. 4.5; Hof ’s-Hertogenbosch 5 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:401, rov. 6.8-6.16 en Hof Den Haag 24 juli 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2469, rov. 8-12. In Rb. Limburg 8 november 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:10890 was geen sprake van een bindende toezegging van de gemeente Sittard-Geleen maar slechts van een intentie om over te gaan tot huur van vloeroppervlak van eiser. In Rb. Den Haag 29 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6354 was geen sprake van een onvoorwaardelijke toezegging van het college om een ontwerppostzegelplan van eiser tot wijzing van het bestemmingsplan in de procedure te brengen.
Hof ’s-Hertogenbosch 19 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1594, rov. 3.24. Dit geldt te meer indien een burger wordt bijgestaan door bijvoorbeeld een advocaat, Rb. Limburg 17 februari 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:1506, rov. 4.3.
Zie bijv. Rb. Den Haag 8 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:1195, waar het college van B&W concreet en ondubbelzinnig zijn planologische medewerking heeft toegezegd voor de realisatie van het bouwplan voor een woongebouw van tien appartementen en achttien parkeerplaatsen, waarin de totstandkoming en het karakter van de toezegging een belangrijke rol spelen. Zie ook Rb. Noord-Holland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:368, waarin op basis van onder andere gemeentelijke verslagen wordt aangenomen dat een toezegging is gedaan aan bewoners van een woonwagencentrum dat zij mogen bepalen aan wie vrijgekomen woonwagenstandplaatsen worden toegewezen. Vaak is het echter zo dat een brief niet de toezegging bevat die burgers daarin menen te vinden. Zie bijv. Rb. Den Haag 17 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:12400, waarin de rechtbank een nieuwsbrief van de gemeente aan een nadere duiding onderwerpt en tot de conclusie komt dat daarin geen toezegging staat (rov. 4.5). Zie ook Rb. ’s-Gravenhage 23 september 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ8330, rov. 4.7-4.16; Hof Amsterdam 1 november 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV9300, 2.4-2.10; Rb. Almelo 15 februari 2008, ECLI:NL:RBALM:2008:BC8034 (sprake van een toezegging, maar de toezegging strekte vervolgens niet zo ver, dat Grolsch daaraan de verwachting mocht ontlenen dat het pand ook aan haar zou worden verhuurd of verkocht) en Rb. Zeeland-West-Brabant 24 juni 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:8638, rov. 4.3.
Rb. Noord-Nederland 7 februari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:407.
Zie voor een ander geslaagd beroep op de aanwezigheid van een toezegging Rb. Oost-Brabant 18 februari 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:867.
Rb. Amsterdam 3 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6996. Tegen het vonnis is hoger beroep ingesteld maar nog niet inhoudelijk beslist: Hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2152.
Rb. Amsterdam 3 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6996, rov. 2.14: de definitieve loop van de tracés A4 en de A9 moest zijn vastgesteld; het onderzoek naar de verbetering van het lokale wegennet en de aansluiting van het lokale wegennet op de tracés van de A4 en de A9 moest zijn afgerond en de relevante procedures voor de tracés voor de infrastructuur moesten op provinciaal en gemeentelijk niveau zijn doorlopen.
Uit de totstandkoming van de brief volgt dat de gemeente (het bestuursforum) juist het oogmerk had om de indruk te wekken dat Televerde (Chip(s)hol Forward) een bindende toezegging verkreeg, terwijl dat niet de werkelijke bedoeling van de gemeente was. De rechtbank oordeelt daaromtrent dat een dergelijke misleiding in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk van bestuur en dat de gemeente zich niet kan beroepen op haar werkelijke bedoelingen.
Rb. Amsterdam 3 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6996, rov. 4.24. G Langemeijer, ECLI:NL:PHR:2016:933 voor HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2632 (Goeree-Overflakkee/De Eylaenden).
Een bevoegdhedenovereenkomst levert bij deze eerste stap van het toetsingskader van de civiele rechter geen problemen op. Zij zal immers in de regel schriftelijk zijn vastgelegd en door de bevoegde personen zijn gesloten. Deze stap vormt wel een struikelblok indien een burger zich beroept op een eenzijdige overheidstoezegging.
Om het bestaan van een juridisch geldige rechtshandeling in de vorm van een toezegging aan te nemen moet de rechter beoordelen of sprake is van ‘een concrete, ondubbelzinnige toezegging waaraan een burger een rechtens te honoreren verwachting mag ontlenen’.1 Of sprake is van een toezegging, is een vraag die de rechter beantwoordt door uitleg van de verklaringen en gedragingen van partijen aan de hand van de wilsvertrouwensleer zoals neergelegd in de artikelen 3:33 en 3:35 BW.2 Om als een bindende toezegging te kunnen worden aangemerkt, moet een uitlating – net zoals in het bestuursrecht – een definitief karakter hebben. Het uiten van slechts een intentie is onvoldoende om een rechtshandeling aan te nemen.3 Aan uitlatingen van het bevoegd gezag waaruit een in beginsel positieve houding over een voorgenomen project blijkt kan in het algemeen dan ook niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een overheid een rechtshandeling heeft willen aangaan.4 Als de overheid ge-motiveerd betwist dat zij een rechtshandeling is aangegaan, moet een burger aantonen wanneer welke uitlating aan wie5 en door wie is gedaan.6 Wat in de ogen van een burger een toezegging is, blijkt bij nader inzien dikwijls slechts informatieverstrekking te zijn,7 althans een uitlating waaraan de overheid zich niet heeft willen binden in die zin dat zij tot nakoming zou kunnen worden gedwongen.8 Een burger kan zich niet op onwetendheid beroepen indien hij een uitlating ten onrechte als rechtshandeling heeft geïnterpreteerd.9 Bij een succesvol beroep op de aanwezigheid van een rechtshandeling, is het praktisch gezien vaak zo dat een overheid haar toezegging schriftelijk heeft vastgelegd en de teleurgestelde burger daardoor een sterke bewijspositie heeft.10
Illustratief voor het bovenstaande is een uitgebreid gemotiveerd vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland uit 2019 tussen Albert Heijn BV en de gemeente Tynaarlo.11 De rechtbank overweegt dat in de jaren 2013-2017 met regelmaat contact en overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden over de verplaatsing van een supermarkt naar een nieuw te bouwen (tijdelijke) vestiging. Dit contact werd niet geïnitieerd door Albert Heijn alleen, maar sloot aan bij de wensen van de gemeente rondom de ontwikkeling van het terrein waar de tijdelijke supermarkt zou komen te staan. De gemeente heeft om de tijdelijke supermarkt mogelijk te maken (bestuursrechtelijke) besluiten genomen in de vorm van vergunningen en tevens per brief een concreet aanbod tot tijdelijke huur van gemeentelijke gronden gedaan. Zij heeft dit ook in een brief aan Albert Heijn laten weten. Hieruit leidt de rechtbank af dat niet slechts sprake is van een principe-bereidheid van de zijde van de gemeente om mee te werken aan de verplaatsing van de supermarkt. De gemeente heeft met haar besluiten en met haar brief ‘ook daadwerkelijk en onvoorwaardelijk […] het vertrouwen gewekt dat de gemeente haar publiekrechtelijke en privaatrechtelijke medewerking aan die verplaatsing zou verlenen.’ De rechtbank veroordeelt de gemeente tot het verlenen van privaatrechtelijke medewerking (in de vorm van verhuur van gronden) onder de voorwaarden zoals vergund in de omgevingsvergunning.12
Een ander fraai geval waarin de rechter een bindende toezegging aanneemt, vormt een zaak tussen gebiedsontwikkelaar Televerde BV (een rechtsopvolger van Chip(s)hol Forward) en de gemeente Haarlemmermeer13 over de ontwikkeling van landbouwgronden tot bedrijventerreinen in Badhoevedorp-Zuid. De gemeente is in 1987 met de gemeente Amsterdam, de provincie Noord-Holland en N.V. Luchthaven Schiphol een samenwerkingsverband aangegaan. De afspraken hebben zij vastgelegd in een convenant dat op 6 januari 1987 door de convenantspartijen is ondertekend.
Er is onder andere een bestuursforum opgericht voor de stroomlijning van het besluitvormingstraject, waarbij meerdere bestuursrechtelijke bevoegdheden moesten worden aangewend. De convenantspartijen hebben daartoe Schiphol Area Development Company N.V. (SADC) opgericht. Op 2 februari 1989 is op postpapier van het bestuursforum een brief aan de directeur van SADC gestuurd. In die brief stond dat de gemeente over zou gaan tot het vaststellen van het door Chip(s)hol Forward gewenste bestemmingsplan na het vervullen van een aantal duidelijk genoemde voorwaarden ten aanzien van de besluitvorming van een aantal tracés.14 Uit de tekst van de brief blijkt dat de brief ten behoeve van de contractvorming met Chip(s)hol Forward is opgesteld.
Televerde heeft in de procedure gesteld dat in de brief het bestuursforum zich namens de gemeente jegens SADC heeft verplicht om een positief bestemmingsplan vast te stellen. Er is een toezegging die afkomstig is van de gemeente, die (mede) gericht is aan Televerde en waarop Televerde een beroep kan doen.
De rechtbank oordeelt dat weliswaar geen sprake is van een contractuele relatie, maar dat de brief – gelet op de tekst en de wijze waarop zij tot stand is gekomen15 – wel een toezegging bevat aan Televerde die aan de gemeente toegerekend kan worden. De rechtbank concludeert dat de gemeente een inspanningsverplichting op zich heeft genomen om onder de door haar per brief geschetste voorwaarden een bestemmingsplan voor het gebied Badhoevedorp-Zuid in procedure te brengen.16 De gemeente is aansprakelijk voor de schade wegens schending van die toezegging. De door de gemeente aan Televerde te vergoeden schade bestaat uit de waarde van de gemiste kans op verwezenlijking van de plannen.
Om een bindende toezegging aan te nemen moet een overheid kortom een definitief standpunt hebben ingenomen over het aanwenden van haar bevoegdheden. Bovenstaande uitspraken illustreren dat de civiele rechter de intenties van partijen kritisch onderzoekt. Die intenties leidt de rechter onder andere af uit wie wat op welk moment heeft gezegd. Hij kijkt bij die beoordeling verder dan de op schrift gestelde uitlating: indien een overheid zich tracht te verschuilen achter een wettelijke bevoegdheidsverdeling terwijl zij jegens de burger continu het vertrouwen heeft gewekt dat bepaalde besluitvorming tot stand zal komen, is de rechter bereid daar doorheen te prikken.