Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.13
9.4.13 Vaststellingsovereenkomst
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940380:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HR 8 juni 2018, V-N 2018/31.24, BNB 2018/145.
Zie voor een voorbeeld waarin over een vergrijpboete gemaakte afspraken centraal stonden: Hof Den Haag 21 februari 2017, V-N 2017/27.19.2.
Het is dan dus niet meer mogelijk om de correcties wat betreft de omvang afzonderlijk ter discussie te stellen als het gaat om de boete(grondslag). Vgl. in dit verband ook Hof Den Haag 21 februari 2017, V-N 2017/27.19.2.
HR 29 april 2011, V-N 2011/23.6, BNB 2011/249, r.o. 5.2.3, 5.2.6 en 5.2.7, HR 10 juni 2011, V-N 2011/29.4, BNB 2011/250. Zie voorts paragraaf 9.4.14.1 en paragraaf 9.4.15 hierna en (uitgebreid) paragraaf 12.3.3.
HR 20 november 1996, BNB 1997/23.
Zie Kamerstukken II 1992/93, 22 495, nr. 6, p. 54.
HR 16 juli 2021, V-N 2021/31.19, BNB 2021/140. Zie ook paragraaf 9.4.14 hierna.
Dat wordt niet anders in het geval dat de inspecteur later terugkomt op zijn eerdere toezegging en zich dus (toch) op de termijnoverschrijding beroept (zulks volgt immers rechtstreeks uit de vaststellingsovereenkomst).
De partij die zich beroept op een afspraak uit een vaststellingsovereenkomst1 dient het bestaan en de inhoud daarvan te stellen en zo nodig – bij betwisting – te bewijzen. Dat volgt uit de reguliere regels van bewijslastverdeling. Gaat het dus om de afspraak dat een boete van een bepaalde hoogte of over een bepaald jaar zal worden opgelegd, of anderszins om boeteverhogende componenten, dan zal de inspecteur moeten bewijzen dat en waarover precies overeenstemming was bereikt.2 Gaat het daarentegen om de afspraak dat een bepaalde boete juist niet zal worden opgelegd, of anderszins om boeteverlagende componenten, dan rust de bewijslast op de boeteling.3 Denkbaar is bijvoorbeeld dat partijen de boetegrondslag op voorhand vastleggen, door bijvoorbeeld te verwijzen naar de correcties uit hoofde van een boekenonderzoek, en overeen te komen dat deze als basis zullen gelden voor de boeteoplegging.4
Afspraken over de verjaringstermijn zijn echter ongeldig, omdat verjaringstermijnen bij fiscale bestuurlijke boetes (net als in het strafrecht) van openbare orde zijn. Zelfs als de boeteling akkoord is gegaan met verlenging of expliciet afstand heeft gedaan van een beroep op verjaring, moet de rechter de wettelijke verjaringstermijn ambtshalve toepassen (hij heeft terzake een zelfstandige onderzoeksplicht).5 Hetzelfde geldt voor de bezwaar- en beroepstermijnen. De inspecteur kan bijvoorbeeld geen afstand doen van een beroep op overschrijding van de bezwaartermijn.6 Dergelijke rechtsgevolgen staan niet ‘ter vrije beschikking van partijen’.7 Wel heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 16 juli 2021 bepaald dat de rechter niet langer ambtshalve de tijdigheid van een bij een voorgaande instantie ingediend rechtsmiddel toetst.8 In het bijzonder is het niet langer de bedoeling dat de rechter een bezwaarschrift achteraf alsnog niet-ontvankelijk verklaart (zonder dat de inspecteur zich op die termijnoverschrijding had beroepen). Uit dit arrest van de Hoge Raad volgt dat een zodanige overschrijding, door het achterwege blijven van de ambtshalve toetsing door de rechter, voortaan zonder gevolgen blijft. Naar mijn mening zal de rechter de verklaring van de inspecteur dat hij zich niet op overschrijding van de bezwaartermijn zal beroepen, dan ook moeten respecteren.9