Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.2.2
9.4.2.2 Bewijslastverdeling
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940463:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin ook de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 11 oktober 2019, V-N 2019/49.22 (inzake een verzuimboete).
Zie paragraaf 9.4.1, in het bijzonder paragraaf 9.4.1.3.
Zie HR 18 november 2016, V-N 2016/60.11, r.o. 2.4, waarin de Hoge Raad voor de procedure na verwijzing alvast de conclusie trekt dat er sprake is geweest van een pleitbaar standpunt (ten aanzien van een vergrijpboete). Naar mijn mening blijkt hieruit dat de Hoge Raad inderdaad een ambtshalve toetsingsplicht erkent. Zie voorts de Hofuitspraak die leidde tot HR 22 april 2016, V-N 2016/30.22.6 (art. 81 Wet RO), r.o. 4.7. In deze zaak had de inspecteur ter zitting beaamd dat er ‘grijze gebieden’ waren bij de wetstoepassing. Het heeft er alle schijn van dat het Hof actief is omgegaan met de hier bedoelde toetsingsplicht. Anders: Rb Zeeland-West-Brabant 9 mei 2022, V-N 2022/37.13, r.o. 2.17 (de rechtbank oordeelde dat de boeteling niet aannemelijk had gemaakt dat haar standpunt pleitbaar was) en de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 11 juli 2023 (strafkamer), V-N 2023/34.24.
In dit kader herinner ik eraan dat een oordeel van een lagere rechter alleen kan leiden tot een pleitbaar standpunt als die rechter de boeteling op rechtskundige (juridische) gronden gelijk heeft gegeven (zie paragraaf 9.4.2.1). Illustratief is in dit verband ook HR 18 november 2016, V-N 2016/60.11, r.o. 2.4, waarin de Hoge Raad als cassatierechter voor de procedure na verwijzing alvast de conclusie trekt dat er sprake is geweest van een pleitbaar standpunt, zulks bovendien in afwijking van de Conclusie van de A-G.
Zie paragraaf 7.2. Zie ook paragraaf 7.3.10.3.2 en vgl. de Conclusie van A-G Wattel van 30 juni 2023, V-N 2023/38.7, par. 6.1-6.2.
Rb Noord-Holland 6 november 2013, V-N 2014/26.11, r.o. 4.39. Hof Amsterdam erkende in hoger beroep vervolgens wel de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt, Hof Amsterdam 8 oktober 2015, V-N 2015/53.10. Uit r.o. 4.5.6 van de gepubliceerde Hofuitspraak lijkt naar voren te komen dat het Hof zich – behalve op basis van de argumenten die waren aangedragen door de boeteling – ook eigenstandig een oordeel had gevormd over de (objectieve) pleitbaarheid. In cassatie liet de Hoge Raad het uiteindelijke Hofoordeel in stand, ‘wat er zij van de andere door het Hof in dit verband gebezigde gronden’, HR 21 april 2017, V-N 2017/22.9, BNB 2017/162, r.o. 3.4.9.
HR 11 oktober 2019, V-N 2019/49.22, BNB 2020/79, r.o. 3.3.2. Zie voor een voorbeeld (de uitspraak van de rechtbank die heeft geleid tot) Hof Arnhem-Leeuwarden 22 november 2022, V-N 2023/13.16.
Zie het eerder aangehaalde arrest HR 18 november 2016, V-N 2016/60.11 (met name r.o. 2.4).
HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.15, r.o. 3.3. Hoewel het cassatiemiddel van de Staatssecretaris van Financiën terecht was voorgesteld, leidde dat niet tot cassatie vanwege de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt (het Hof had de boeteling op rechtskundige gronden in het gelijk gesteld). Vgl. ook HR 29 september 2023, V-N 2023/43.14, r.o. 4.4, waarin de Hoge Raad de boeteling duidelijk een handje toesteekt (‘Naar de Hoge Raad begrijpt, strekt het cassatieberoep ertoe een beroep te doen op de pleitbaarheid van het standpunt van belanghebbende’). Vervolgens acht de Hoge Raad dat standpunt inderdaad pleitbaar omdat de rechtbank de boeteling op rechtskundige gronden in het gelijk had gesteld).
Conclusie A-G IJzerman 27 januari 2022, V-N 2022/12.12, par. 5.14.
Zoals ik in de vorige paragraaf heb opgemerkt, is het pleitbaar standpunt naar mijn opvatting een species van het genus AVAS. De bewijslastverdeling volgt om die reden de bewijslastverdeling zoals die voor het AVAS-verweer geldt. Kort gezegd komt dat erop neer, dat het pleitbaar standpunt bij vergrijpboetes een stelling van tegenbewijs is. Omdat de inspecteur de primaire bewijslast heeft van de aanwezigheid van opzet of grove schuld, ontmoet het geen bezwaar dat de bewijslast van het bestaan van een pleitbaar standpunt bij de boeteling ligt. In mijn opvatting is dat in beginsel ook zo bij verzuimboetes (eerst moet de aanwezigheid van het impliciete element ‘ten minste enige schuld’ zijn vastgesteld).
Met betrekking tot het pleitbaar standpunt bestaat er naar mijn mening echter zowel voor de inspecteur1 als voor de rechter een ambtshalve toetsingsplicht. Dit geldt (net als bij AVAS) in ieder geval voor verzuimboetes.2 In beroep zal de rechter dus ambtshalve moeten concluderen tot een pleitbaar standpunt wanneer de vaststaande feiten daartoe aanleiding geven, ook als de boeteling zich daar niet uitdrukkelijk op heeft beroepen. In de jurisprudentie zijn verschillende aanwijzingen te vinden in deze richting, ook wat betreft vergrijpboetes.3
Hierbij verdient opmerking, dat de bewijslast ter zake van het pleitbaar standpunt een eigenaardigheid kent ten opzichte van de algemene regels zoals die gelden voor AVAS. De beoordeling van de objectieve pleitbaarheid (in hoeverre was het ingenomen standpunt juridisch verdedigbaar?) is als zodanig namelijk een rechtsoordeel.4 Een dergelijk oordeel geeft de rechter in fiscalibus ambtshalve (het recht behoeft als zodanig geen bewijs).5 Daarbij maakt het niet uit of er sprake is van vergrijpboetes of van verzuimboetes. Ook bij vergrijpboetes heeft de boeteling daarom in feite niet meer dan een stelplicht. De eerdergenoemde Credit Suisse-zaak (waarin het ging om vergrijpboetes) is ook in dit opzicht van belang. De rechtbank had het beroep van de boeteling op een pleitbaar standpunt in eerste instantie namelijk afgewezen, omdat de boeteling onvoldoende bewijs had geleverd van zijn stelling. De Redactie van Vakstudie-Nieuws vroeg zich naar mijn mening terecht af of de rechter de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt niet ook zelfstandig had moeten beoordelen.6
De Hoge Raad heeft in 2019 geoordeeld dat als de boeteling stelt dat hij een pleitbaar standpunt heeft, de rechter zelfstandig moet onderzoeken of er voor de uitleg van het recht die de boeteling voorstaat, voldoende juridische argumenten aanwezig zijn om van (objectieve) pleitbaarheid te kunnen spreken.7 Daaruit volgt niet dat de rechter de eventuele pleitbaarheid ook ambtshalve (zonder dat de boeteling terzake een stelling heeft ingenomen) zou moeten toetsen. Zoals ik hiervoor heb opgemerkt, kan dat echter wel uit eerdere jurisprudentie (ook van de Hoge Raad) worden afgeleid.8 Ook latere jurisprudentie van de Hoge Raad wijst in die richting: in 2023 heeft de Hoge Raad zelf (als cassatierechter) ambtshalve de conclusie getrokken dat er sprake is van een pleitbaar standpunt.9 Gelet op de aan dat arrest voorafgaande Conclusie van A-G IJzerman10 meen ik dat ook lagere rechters – zo nodig onder aanvulling van de rechtsgronden – de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt ambtshalve kunnen (wellicht zelfs moeten) vaststellen.