Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/1.3.3
1.3.3 ESA’s en de Europese Commissie
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268496:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de overwegingen (1) tot en met (10) van de ESA-Verordeningen en de adviezen van de Commissie-de Larosière. De eerder opgerichte Comité’s van Europese bankentoezichthouders, Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen en Europese effectenregelgevers zijn opgegaan in de drie ESA’s. Zie hierover onder meer C.M. Grundmann-van de Krol, ‘Een nieuw Europees toezichtkader’, Ondernemingsrecht 2010/131, afl. 15, p. 618-624.
Zie art. 1, vijfde lid en art. 8 van de ESA-Verordeningen, zoals aangepast bij Verordening (EU) 2019/2175.
De aldus tot stand gebrachte regelgeving is vergelijkbaar met de Level-2 regelgeving in de Lamfalussy-wetgevingsprocedure. Het Lamfalussy-wetgevingsproces bestaat uit vier niveaus van Europese wet- en regelgeving. Het eerste niveau van regelgeving (“Level 1”) bestaat uit kaderwetgeving vastgesteld door het Europese Parlement en de Europese Raad op voordracht van de Europese Commissie, neergelegd in Europese verordeningen of richtlijnen. Het tweede niveau van regelgeving (“Level 2”) bevat uitvoeringswetgeving vastgesteld door de Europese Commissie, gebaseerd op een door de ESA’s opgesteld advies of concept-wettekst. In de praktijk gaat het meestal om verordeningen, maar het is ook mogelijk dat de door de ESA’s voorgestelde technische uitvoeringswetgeving in richtlijnen wordt vastgelegd. Het Europese Parlement en de Raad worden op de hoogte gehouden van het proces van totstandkoming van de uitvoeringswetgeving en zij kunnen, indien nodig, bezwaar aantekenen. Het derde niveau van regelgeving (“Level 3”) bestaat uit aanbevelingen, richtsnoeren en andere adviezen en gemeenschappelijke standaarden van de ESA’s. Het vierde niveau van regelgeving (“Level 4”), tot slot, ziet op naleving door de lidstaten van de Europese wetgeving en de handhaving daarvan door middel van inbreukprocedures. Zie het rapport van het Committee onder voorzitterschap van Alexandre Lamfalussy, “Final Report of the Committee of wise men on the regulation of European securities markets,” 15 februari 2001, www.ec.europa.eu/internal_markets en voor een toelichting, onder meer, E.P.M. Joosen, ‘De Wft voor en na het Europees Single Rule Book’, in: E.P.M. Joosen & R.P. Raas, Vijf jaar wet op het financieel toezicht. Preadvies voor de Vereniging voor Financieel Recht 2013 (Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 118), Deventer: Kluwer 2013, p. 85-90 en C.M. Grundmann-van de Krol & I. van der Klooster, Koersen door de Wet op het financieel toezicht. Deel I- Algemene nationale en Europese aspecten, toezicht en handhaving, Den Haag: Boom Juridisch 2019, p. 160-165. De Lamfalussy-wetgevingsprocedure is in de periode 2007-2009 herzien, maar de niveaus van regelgeving zijn vergelijkbaar gebleven.
Art. 290 VWEU en de (recent aangepaste) art. 8 en 10 van de ESA-Verordeningen. Een gedelegeerde handeling is geen wetgevende handeling maar wel een handeling van algemene strekking, waarbij wetgevende handelingen op niet-essentiële onderdelen kunnen worden aangevuld of gewijzigd. De technische reguleringsnormen zijn van technisch aard, houden geen strategische beslissingen of beleidskeuzen in, en zijn inhoudelijk beperkt door de wetgevingshandelingen waarop zij gebaseerd zijn. In de praktijk wordt gesproken van Regulatory Technical Standards (“RTS”). Drijber en de Rond achten de gedelegeerde handeling vergelijkbaar met de Nederlandse amvb, zie B.J. Drijber & C. de Rond, ‘De Europeanisering van de Wft’, Ondernemingsrecht 2017/142, afl. 17, p. 788.
Art. 291 VWEU en de (recent aangepaste) art. 8 en 15 van de ESA-Verordeningen. De technische uitvoeringsnormen zijn van technische aard, houden geen strategische beslissingen of beleidskeuzen in en bepalen inhoudelijk de voorwaarden voor de toepassing van die handelingen. In de praktijk wordt gesproken van Implementing Technical Standards (“ITS”). Het onderscheid tussen technische reguleringsnormen (RTS) en technische uitvoeringsverordeningen (ITS) is in de praktijk overigens niet altijd eenvoudig te maken.
Inmiddels zijn gedelegeerde verordeningen opgesteld voor personentoetsingen bij ratingbureaus, (her-)verzekeraars en entiteiten voor risico acceptatie, beheerders van (alternatieve) beleggingsinstellingen, transactieregisters, centrale effectenbewaarinstellingen en derde partijen als bedoeld in de Securitisatie-Verordening. Een gedelegeerde verordening met daarin onder meer een nadere toelichting op de toetsingsvereisten bij securitisatieregisters is door de Commissie goedgekeurd maar nog niet in het Publicatieblad gepubliceerd. Daarnaast is een uitvoeringsrichtlijn opgesteld voor (beheerders van) icbe’s. Zie voor een overzicht Hoofdstuk 2, par. 2.4.1 en Hoofdstuk 3, Tabel 3.1.
Art. 16 ESA-Verordeningen.
Richtsnoeren van EBA en ESMA 2017. De richtsnoeren worden momenteel herzien (zie Hoofdstuk 2).
Zie voor een overzicht van de verschillende Richtsnoeren op het gebied van personentoetsingen Hoofdstuk 2, par. 2.4.2.
De aanbevelingen en richtsnoeren van de ESA’s bevinden zich op het derde niveau van regelgeving in het Lamfalussy-proces (Level-3). Besluiten die zijn genomen op dit niveau hebben geen bindende rechtskracht, zie ook de Mededeling van de Commissie, “Evaluatie van de Lamfalussy-procedure. Bevorderen van de toezichtconvergentie,” Brussel, 20 november 2009, COM(2007) 727 definitief, p. 7. Volgens Joosen kunnen de aanbevelingen en richtsnoeren van de ESA’s het beste worden vergeleken met beleidsregels in de zin van art 1:3, vierde lid van de Awb (E.P.M. Joosen, ‘De Wft voor en na het Europees Single Rule Book’, in: E.P.M. Joosen & R.P. Raas, Vijf jaar wet op het financieel toezicht. Preadvies voor de Vereniging voor Financieel Recht 2013 (Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 118), Deventer: Kluwer 2013, p. 104). Dit lijkt mij inderdaad een aardige vergelijking, althans in die gevallen dat de nationale autoriteit (AFM of DNB) bekend heeft gemaakt de richtsnoeren te zullen toepassen. DNB maakt hiervoor gebruik van de Beleidsregel toepassing Europese toezichthoudende autoriteiten Wft 2019, Stcrt. 2019, 18510.
Met betrekking tot richtsnoeren van de Europese Commissie overwoog het Hof van Justitie van de EU in het Baltlanta-arrest dat “deze richtsnoeren weliswaar geen bindende kracht hebben, maar dat de nationale rechterlijke instanties ze met het oog op de oplossing van de bij hen aanhangige geschillen wel in aanmerking moeten nemen, met name wanneer zij duidelijkheid verschaffen over de uitlegging van nationale bepalingen die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld, of wanneer zij bedoeld zijn om dwingende bepalingen van Unierecht aan te vullen”, zie HvJ EU van 3 september 2014, C-410/13, ECLI:EU:C:2014:2134 (Baltlanta) r.o. 64. Daarbij verwees het Hof naar de Grimaldi-rechtspraak waarin het Hof deze redenering voor het eerst volgde, zie HvJ EU 13 december 1989, C-322/88, ECLI:EU:C:1989:646, r.o. 18 en 19. Volgens het Hof moest worden beklemtoond dat de betrokken handelingen (het betrof niet bindende aanbevelingen) niet kunnen worden geacht geen enkel rechtsgevolg te hebben. Zie ook AB 2015/116 met annotatie van J.E. van den Brink en J.C. A. van Dam en M.P. van Rijsbergen, EU agencies’ soft rule-making. Lessons learnt from the Securities and Markets Authority (diss. Utrecht), Ridderkerk: Ridderprint 2018, p. 221-224. De recente opinie van Advocaat Generaal Campos Sánchez-Bordona in zaak C-501/18 van 17 september 2020, ECLI:EU:C:2020:729 (BT/Balgarska Narodna Banka) wijst in dezelfde richting. De AG geeft aan dat het ontbreken van bindende rechtsgevolgen van de EBA-aanbevelingen (in de zin van artikel 17, lid 3 van de EBA-Verordening) een rechtstreekse controle van de wettigheid ervan onmogelijk maakt. Niettemin kunnen de EBA-aanbevelingen worden ingeroepen in een geding bij de nationale rechter waarin een uitlegging moet worden gegeven van bindende bepalingen van Unierecht waarmee die aanbevelingen verband houden (r.o. 76-84, met verwijzing naar onder meer de Grimaldi-jurisprudentie).
Art. 19, eerste lid, VEU.
Zie de uitspraak van het Gerecht van 13 december 2017, T-712/15, ECLI:EU:T:2017:900 (Crédit mutuel Arkéa/ECB), r.o. 75 en, in dezelfde zin, de uitspraak van het Gerecht van 8 juli 2020, T-576/18, ECLI:EU:T:2020:304 (Crédit Agricole/ECB), r.o. 62, waar het Gerecht “in herinnering brengt” dat de uitleg van de relevante wetgeving door een administratieve instantie (in dit geval EBA en de Franse toezichthouder) de Unierechter, die ingevolge artikel 19 VEU bij uitsluiting bevoegd blijft om het Unierecht uit te leggen, niet kan binden. De door de EBA gegeven uitlegging kan niet prevaleren boven de bewoordingen van artikel 26, lid 3, van de CRR, maar deze uitleg is, met name wanneer een bepaling nog niet door de Unierechter is uitgelegd, wel van bijzonder belang (r.o. 86 en 87).
Zie E.J. van Praag, ‘Grensoverschrijdend financieel toezicht zonder grenzen’, FR 2012, afl. 1/2, p. 49 en 50, over de eveneens op art. 16 van de ESA-Verordeningen gebaseerde (niet bindende) aanbeveling. Van Praag merkt op dat een dergelijke aanbeveling van een van de ESA’s niet automatisch juist hoeft te zijn. De nationale rechter kan tot de conclusie komen dat een besluit van de nationale toezichthouder, hoewel in overeenstemming met een aanbeveling (of richtsnoer), onrechtmatig is omdat de aanbeveling (of richtsnoer) zelf onrechtmatig of onjuist is. In vergelijkbare zin stelt AG Sánchez-Bordona in de eerder genoemde zaak C-501/18 van 17 september 2020, ECLI:EU:C:2020:729 (BT/ Balgarska Narodna Banka, r.o. 102), dat een aanbeveling van de EBA door de nationale rechter alleen in aanmerking kan worden genomen om een geding te beslechten, indien de inhoud ervan in overeenstemming is met de betreffende Unierechtelijke bepalingen. Zie ook T. Barkhuysen, L. Westendorp & S. Ramsanjhal, ‘De rechtspositie van financiële instellingen ten aanzien van richtsnoeren en aanbevelingen van European Supervisory Authorities: Europese pseudowetgeving?’, Ondernemingsrecht 2017/144, afl. 17, par. 4. Zij stellen, met wat minder nuance, dat de richtsnoeren van de ESA’s uiteindelijk niets meer en niets minder zijn dan één van de mogelijke interpretaties van onderliggend, bindend Unierecht. Het is het Hof van Justitie van de Europese Unie dat bepaalt of nationale regelgeving overeenstemt of strijdig is met dat Unierecht en het is bij zijn oordeelsvorming niet gebonden aan ESA soft law.
Rb Rotterdam 26 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3150, JOR 2017/262 met annotatie van E.J. van Praag. De rechtbank liet overigens in het midden of de richtsnoeren van ESMA een nieuwe norm in het leven kunnen roepen en lost de zaak op met behulp van een richtlijnconforme uitleg van een van de in zaak centraal staande begrippen (“een reeks beleggers”).
Art. 16, derde lid van de ESA-Verordeningen.
In vergelijkbare zin: C.M. Grundmann-van de Krol & I. van der Klooster, Koersen door de Wet op het financieel toezicht. Deel I- Algemene nationale en Europese aspecten, toezicht en handhaving, Den Haag: Boom Juridisch 2019, p. 181.
M.P. van Rijsbergen, EU agencies’ soft rule-making. Lessons learnt from the Securities and Markets Authority (diss. Utrecht), Ridderkerk: Ridderprint 2018, p. 173-180.
Opinie van AG Campos Sánchez-Bordona in zaak C-501/18 van 17 september 2020 (BT/Balgarska Narodna Banka, r.o. 77-78.
Zie ook T. Barkhuysen, L. Westendorp & S. Ramsanjhal, ‘De rechtspositie van financiële instellingen ten aanzien van richtsnoeren en aanbevelingen van European Supervisory Authorities: Europese pseudowetgeving?’, Ondernemingsrecht 2017/144, afl. 17, par. 4.1. Overigens acht ik het niet uitgesloten dat het loyaliteitsbeginsel (beginsel van Unietrouw, zie art. 4, derde lid VEU) maakt dat nationale wetgevende autoriteiten wel rekening houden met richtsnoeren en de daarin gegeven interpretaties van het Unierecht.
V. de Serière & B. Jennen, ‘De betekenis van ‘soft law’ in de financiële toezichtwetgeving’, Ondernemingsrecht 2017/143, afl. 17, p. 108. Zie ook T. Barkhuysen, L. Westendorp & mr. S. Ramsanjhal, ‘De rechtspositie van financiële instellingen ten aanzien van richtsnoeren en aanbevelingen van European Supervisory Authorities: Europese pseudowetgeving?’, Ondernemingsrecht 2017/144, afl. 17, par. 4.
Art. 16, tweede lid en art. 37 van de ESA-Verordeningen.
Art. 16, vierde lid van de ESA-Verordeningen.
D. Busch, ‘Financieel recht in crisis?’, NJB 2018/943, afl. 19, par. 7.
Verordening (EU) 2019/2175 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2019 wijzigt hiertoe de ESA-Verordeningen.
Art. 31a (nieuw) van de ESA-Verordeningen.
Verordening (EU) 2019/2175 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2019 wijzigt hiertoe de EBA-Verordening.
Verordening (EU) 2019/2175 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2019 wijzigt hiertoe Verordening (EU) 2016/1011 (Benchmark-Verordening). De wijziging treedt per 1 januari 2022 in werking.
Medio 2020 stonden negen Nederlandse beheerders van benchmarks onder toezicht van de AFM en zes datarapporteringsdienstverleners.
Belangrijk is ook de toegenomen activiteit van de ESA’s op het terrein van personentoetsingen. De drie ESA’s zijn na de financiële crisis opgericht als onderdeel van het Europees Systeem van financieel toezicht (ESFS).1 Daarbij zijn verschillende taken en bevoegdheden aan de ESA’s toegekend ter verbetering van de werking van de interne markt en ter bevordering van een hoog, effectief en consistent niveau van regulering en toezicht.2 De ESA’s zijn bevoegd om voorstellen te doen voor technische normen die, na goedkeuring van de Europese Commissie, bindende rechtskracht krijgen in de vorm van rechtstreeks werkende (“Level-2”) verordeningen.3 Deze technische normen vallen uiteen in reguleringsnormen, ten behoeve van een consistente harmonisatie van het Unierecht,4 en uitvoeringsnormen, ten behoeve van een eenvormige toepassing van het Unierecht.5 De ESA’s hebben op deze wijze bijgedragen aan de totstandkoming van diverse gedelegeerde verordeningen waarin (technische) normen zijn opgenomen op het gebied van personentoetsingen.6 Deze verordeningen zijn rechtstreeks van toepassing op de uitvoering van personentoetsingen, ook in Nederland.
De ESA’s zijn voorts bevoegd om, met het oog op het bevorderen van consistente, efficiënte en effectieve toezichtpraktijken en het verzekeren van de gemeenschappelijke, uniforme en consistente toepassing van het Unierecht, richtsnoeren en aanbevelingen te richten tot de nationale toezichthouders of de financiële instellingen (EBA en EIOPA) dan wel de financiëlemarktdeelnemers (ESMA).7 De ESA’s zijn de laatste jaren zeer actief geweest in het opstellen van richtsnoeren die betrekking hebben op personentoetsingen. Een voorbeeld zijn de op 1 juli 2018 van kracht geworden Richtsnoeren van EBA en ESMA.8 Deze richtsnoeren bestaan uit bijna tweehonderd artikelen en drie Bijlagen en bevatten gedetailleerde bepalingen ter uitwerking van de verschillende toetsingscriteria, de wijze van toetsing door de financiële instellingen en de wijze van toetsing door de externe toezichthouders. Niet alle richtsnoeren bevatten overigens deze mate van detail.9
Juridische status van richtsnoeren van de ESA’s
De juridische status van richtsnoeren van de ESA’s is niet zonder meer duidelijk. De richtsnoeren van de ESA’s zijn, anders dan de richtlijnen en (gedelegeerde) verordeningen, geen juridisch bindende instrumenten.10 In rechte zal daarom niet zozeer beoordeeld worden of een instelling de richtsnoeren van de ESA’s heeft overtreden, maar de achterliggende wettelijke norm. Verwacht mag echter worden dat, in lijn met de jurisprudentie van het Hof van Justitie over vergelijkbare, niet bindende richtsnoeren van de Europese Commissie, de nationale rechtelijke instanties de richtsnoeren van de ESA’s bij de beoordeling van een geschil wel in aanmerking moeten nemen, met name wanneer deze duidelijkheid kunnen verschaffen over de uitleg van andere nationale of communautaire bepalingen. De richtsnoeren van de ESA’s zullen dan moeten worden geraadpleegd als een verplicht hulpmiddel voor de interpretatie van de betreffende Europeesrechtelijke bepalingen.11
De uiteindelijke interpretatie van open normen zoals deze zijn opgenomen in richtlijnen en verordeningen is echter niet de bevoegdheid van de ESA’s, maar exclusief voorbehouden aan het Hof van Justitie.12 Dit is nog eens bevestigd in de recente jurisprudentie tegen besluiten van de ECB.13 Een nationale rechter mag daarom (gemotiveerd) afwijken van richtsnoeren als deze naar zijn oordeel in strijd zijn met het recht of niet volgen uit het recht.14 Van Praag merkt terecht op dat dit de nationale toezichthouder in een lastige positie brengt, nu deze enerzijds gehouden is om de richtsnoeren van de ESA’s toe te passen in de eigen toezichtpraktijk (zie ook hierna), maar er tegelijkertijd niet gerust op kan zijn dat de nationale rechter de in de richtsnoeren gegeven interpretaties volgt. Zo vernietigde de Rechtbank Rotterdam in zijn uitspraak van 26 april 2017 een handhavingsbesluit van de AFM, dat stoelde op de in richtsnoeren van ESMA gegeven uitleg van bepaalde begrippen uit de AIFM-Richtlijn.15
Dit neemt niet weg dat de richtsnoeren van de ESA’s in de praktijk van grote betekenis kunnen zijn en, hoewel niet juridisch bindend, wel enige rechtsgevolgen kunnen sorteren. De nationale toezichthouders en de financiële instellingen en financiëlemarktdeelnemers dienen zich “tot het uiterste in te spannen” om aan de richtsnoeren te voldoen.16 Voor de nationale toezichthouders betekent dit dat zij de richtsnoeren op passende wijze in hun toezichtpraktijk opnemen en bijvoorbeeld hun toezichtprocessen of eigen beleidsregels aanpassen en in lijn brengen met de richtsnoeren. Richtsnoeren roepen niet rechtstreeks verplichtingen in het leven voor de betrokken financiële instellingen en financiëlemarktdeelnemers, maar de toezichthouders dienen er wel op toe te zien dat de instellingen op wie de richtsnoeren van toepassing zijn de achterliggende wettelijke normen naleven en daarbij uitgaan van de in de richtsnoeren gegeven uitleg en uitwerking van die normen. Nationale toezichthouders dienen binnen twee maanden “te bevestigen” of zij de richtsnoeren zullen toepassen. Wanneer geen opvolging wordt gegeven aan (een deel van) de richtsnoeren dient dit te worden gemotiveerd (comply or explain). De betreffende ESA kan besluiten om de aangevoerde redenen bekend te maken. Aangenomen mag worden dat, gegeven het belang van consistente toezichtpraktijken, deze redenen zwaarwegend zullen moeten zijn.17
Van Rijsbergen stelt vast dat richtsnoeren van de ESA’s weliswaar geen juridisch bindende instrumenten zijn, maar dat deze door het hiervoor beschreven comply or explain-mechanisme wel “indirect” juridische effecten kunnen sorteren. Hoewel toezichthouders de iure niet aan richtsnoeren zijn gebonden, bestaat er wel een bepaalde mate van de facto verplichting tot compliance. Uit het vertrouwensbeginsel en het beginsel van loyale samenwerking, neergelegd in art. 4, derde lid VEU, kan voorts voortvloeien dat een nationale toezichthouder die bekend heeft gemaakt de richtsnoeren te zullen toepassen (comply), hiertoe ook gehouden zal zijn. Van Rijsbergen duidt richtsnoeren dan ook aan als “quasi-bindende instrumenten”.18 In de recente opinie van de AG van 17 september 2020 (BT/Balgarska Narodna Banka) stelt de AG vast dat art. 16, derde lid van de EBA-Verordening vereist dat de bevoegde autoriteiten en financiële instellingen zich tot het uiterste inspannen om aan die richtsnoeren en aanbevelingen te voldoen. “Aldus begrepen sorteren deze aanbevelingen een zeker juridisch effect, dat echter niet bindend is: de nationale autoriteit moeten binnen twee maanden bevestigen of zij aan een aanbeveling voldoet, voornemens is de aanbeveling op te volgen of de aanbeveling niet zal opvolgen.”19
Hoewel richtsnoeren geen onderdeel uitmaken van het Unierecht en nationale wetgevers niet gehouden zijn om richtsnoeren in hun nationale rechtstelsels te implementeren,20 kunnen richtsnoeren hierdoor een verplichtend karakter krijgen. In de literatuur worden de richtsnoeren ook wel aangemerkt als soft law, bijvoorbeeld door de Serière en Jennen.21 Zij geven, net als Van Rijsbergen, aan dat de facto sprake is van bindende regelgeving vooral nu van de toezichthouders verwacht wordt de richtsnoeren formeel in hun toezichtinstrumentarium te verwerken. Deze dwingende kracht wordt in hun visie versterkt door de strekking van de richtsnoeren en aanbevelingen: met uniforme en consistente toepassing van het Unierecht verdraagt zich immers slecht dat financiële ondernemingen zich niet nauwgezet aan deze richtsnoeren en aanbevelingen houden. Hiermee krijgen deze soft law instrumenten naar hun oordeel een dwingende kracht die praktisch gesproken niet onderdoet voor die van bindende regelingen.
De democratische legitimiteit van aanbevelingen en richtsnoeren van de ESA’s is echter zeer beperkt. Hoewel het totstandkomingsproces met een aantal procedurele waarborgen is omkleed, zoals het “waar passend” houden van een openbare consultatie en het inwinnen van advies bij de toepasselijke Stakeholdersgroep, samengesteld uit verschillende stakeholders uit de sector en een aantal vooraanstaande academici,22 is van een echte democratische controle op het proces geen sprake. Zo is het Europees Parlement op geen enkele wijze bij het proces betrokken, formeel noch informeel. Het Parlement wordt slechts achteraf van de definitieve richtsnoeren op de hoogte gesteld.23 Busch merkt in dit verband op dat soft law in de praktijk “zonder enige twijfel” als bindend wordt ervaren, maar dat de checks and balances die normaal gesproken bestaan in een wetgevingstraject, ontbreken.24
Uitbreiding van bevoegdheden
De bevoegdheden van de ESA’s zijn met ingang van 1 januari 2020 verder uitgebreid.25 Zo hebben de ESA’s een steviger rol gekregen bij het toezicht op de nationale toezichthouders, waaronder het bepalen van de toezichtprioriteiten en het uitvoeren van collegiale toetsingen (peer reviews). De drie ESA’s gaan voorzien in een systeem voor uitwisseling van informatie die relevant is voor de uitvoering van personentoetsingen.26 Daarnaast heeft EBA nieuwe bevoegdheden gekregen in de bestrijding van witwassen van geld en terrorismefinanciering27 en zullen meer instellingen onder rechtstreeks toezicht worden geplaatst van ESMA, waaronder beheerders van bepaalde cruciale benchmarks28 en dataraporteringsdienstverleners.29 Voor zover deze partijen werkzaam zijn in Nederland staan zij thans onder toezicht van de AFM.30 Dit toezicht, waaronder het toezicht op de naleving van de geschiktheids- en betrouwbaarheidsvereisten, gaat over naar ESMA.
Dit brengt ons bij een volgend punt, namelijk de introductie van “echte” Europese toezichthouders, zoals ESMA en, als onderdeel van het SSM, de ECB.