Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/4.3.4.3
4.3.4.3 De Peeters/Gatzenvordering op grond van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van schuldeisers
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686223:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 14 januari 1983, NJ 1983/597 (Peeters q.q./Gatzen), HR 8 november 1991, NJ 1992/174 (Nimox/Van den End q.q.), HR 23 december 1994, NJ 1996/627 (Notaris V/Curatoren THB), HR 23 december 1994, NJ 1996/628 (Notaris M/Curatoren THB), HR 15 september 1995, NJ 1996/629 (Notaris E/Curatoren THB), HR 21 december 2001, NJ 2005/95 (Lunderstädt/De Kok), HR 21 december 2001, NJ 2005/96 (Sobi/Hurks), HR 16 september 2005, NJ 2006/311 (De Bont/Bannenberg q.q.), HR 24 april 2009, NJ 2009/416 (Dekker q.q./Lutèce), HR 14 januari 2011, NJ 2011/366 (Butterman q.q./Rabobank), HR 5 februari 2016, JOR 2016/144 (Dekker q.q./Notarissen) en HR 8 september 2017, NJ 2017/351 (Rosbeek q.q./BNP Paribas Fortis). Zie nader over de Peeters/Gatzenvordering: Verstijlen & Andel 2006, Van Eeghen 2012 en Franken 2018.
Aldus het Hof Den Haag, 22 januari 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:150, onder randnummer 13 (Kok q.q./Maas). Zie voorts HR 16 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6234 (conclusie AG Strikwerda in de zaak Van Dooren q.q./ABN Amro).
Vgl. HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576, r.o.3.5.1 en HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9654, r.o. 4.1.2.
Hof ’s-Hertogenbosch 25 mei 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1527, onder 5.10 en 5.11. De term wordt voor het eerst gebruikt door Bartman (AA 2011, p. 128).
Vgl. HR 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2669, r.o. 3.4.3 en HR 12 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC669 (Coral Stalt).
HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576 (X/Staatssecretaris van Financiën), r.o. 3.5.2.
Aldus geparafraseerd weergegeven HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:73 (Ingwersen q.q./Kromme Leek), r.o. 3.2.
Zie voor het debat hierover onder meer: Bartman & Van Hoe 2020, Sixma & Opstroom 2020 en Van Hooff 2021.
De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat de curator bevoegd is om ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van de schuldenaar een derde die betrokken is bij benadeling van deze schuldeisers aan te spreken op grond van onrechtmatige daad.1 Deze vordering wordt ook wel aangeduid als de Peeters/Gatzenvordering. Deze vordering kan ook betrekking hebben op een situatie waarbij in de schemerperiode vóór faillissement één schuldeiser nog wel betaling ontvangt, met als gevolg dat voor de overige schuldeisers minder verhaalsvermogen resteert. Hierna ga ik op deze variant van de Peeters/Gatzenvordering nader in.
Een Peeters/Gatzenvordering op grond van onrechtmatig selectief betalen, kan onder omstandigheden ook worden ingesteld als er geen sprake is van paulianeus handelen. Soms zijn op het eerste oog het leerstuk van de faillissementspauliana (de artikelen 42 e.v. en 47 Fw) en het leerstuk van de onrechtmatige daad beide toepasbaar, maar blijken de gewraakte handelingen niet vernietigbaar op grond van de Pauliana. In dat geval kan de curator niettemin jegens een derde aanspraak maken op schadevergoeding wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die grond bieden aan het kwalificeren van de gedragingen van deze derde als een onrechtmatige daad.2
Er is geen algemene regel op grond waarvan een bestuurder van een schuldenaar die niet in staat is al zijn schuldeisers volledig te betalen, steeds onrechtmatig handelt wanneer hij een schuldeiser voldoet vóór andere schuldeisers, zelfs niet als hij daarbij geen rekening houdt met eventuele preferenties die tijdens het faillissement van de schuldenaar zouden gelden. Het staat een bestuurder van een vennootschap in beginsel vrij op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan.3 Dit uitgangspunt wordt ook wel de betalingsautonomie van het bestuur genoemd.4 Deze vrijheid van een bestuurder van een vennootschap om te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap zullen worden voldaan, is wel beperkter indien een faillissement onafwendbaar is. In die situatie staat het de bestuurder van de vennootschap in beginsel niet vrij schuldeisers die aan de vennootschap zijn gelieerd met voorrang boven andere schuldeisers te voldoen, tenzij die betaling door bijzondere omstandigheden wordt gerechtvaardigd.5 Dit geldt ook bij de voldoening van niet-gelieerde schuldeisers van de vennootschap als de bestuurder van de vennootschap bij die betaling een persoonlijk belang heeft.6
Een bestuurder van een schuldenaar is niet persoonlijk aansprakelijk jegens de gezamenlijke schuldeisers die zijn benadeeld wegens het onbetaald en onverhaalbaar blijven van hun vorderingen, op de enkele grond dat die bestuurder het faillissement van de vennootschap heeft aangevraagd en daarna heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap een of meer andere schuldeisers heeft betaald met voorrang boven de overige schuldeisers. De betrokken bestuurder kan ter zake van deze benadeling (slechts) persoonlijk aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de gezamenlijke schuldeisers in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is, dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.7
Wanneer nu precies een onrechtmatig selectieve betaling in de periode kort voor faillissement onrechtmatige handelen van de bestuurder of een andere derde partij oplevert, staat niet (althans niet in alle gevallen) vast.8 Voor mijn betoog is slechts van belang om vast te stellen dat er geen algemene norm geldt voor de bestuurder om de gelijke behandeling tussen de schuldeisers van de schuldenaar in de periode voor faillissement te bewaken. Van een regel die het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers in dit verband uitwerkt is dus geen sprake.