Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/5.13
5.13 De omvang van het geding en ambtshalve activiteiten van de rechter bij bestraffende sancties
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Vrz Rb Rotterdam 3 september 2008, RF 2008/94 (Numico) en Rb Rotterdam 29 september 2008, LTN BF6961.
Willemsen, De grenzen van de rechtsstrijd in het bestuursrechtelijk beroep en hoger beroep in rechtsvergelijkend perspectief (2005), p. 81.
Zo kan bij een bestuurlijke boete zelfs in een voorkomend geval worden aangevoerd dat met het oog op het nemo tenetur-beginsel geen bezwaar- of beroepsgronden kunnen worden verlangd. Zie HR 8 maart 2002, AB 2002/353.
Zie het wetvoorstel Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, 2).
Zie ook R.P.B.A. Dingemans en R.J.G.M. Widdershoven, 'De Schutznormleer in communautair perspectief: het Duitse debat', NTB 2006/46, p. 329-330. Relativiteit speelt wel een rol bij onrechtmatig verkregen bewijs. Maar dit is niets nieuws (zie HR 1 juli 1992, BNB 19921306).
Dit wordt afgeleid uit art. 3:2 Awb. Met het oog op de toetsing of wel sprake is van een overtreding of van daderschap kan ook worden gewezen op CBb 26 juni 2008, LJNBD5340, waarin het College ambtshalve tot het oordeel kwam dat het bestreden besluit, waarbij de aan een feitelijke leidinggevende opgelegde bestuurlijke boete is gehandhaafd, geen wettelijke grondslag had en moest worden vernietigd. Zie ook — zij het wat minder toeschietelijk — ABRvS 24 december 2008, JV 2009/145, par. 2.7.1.
ABRvS 15 april 1999, Rawb 1999/146; 7 augustus 2002, AB 2003/176 en CBb 13 maart 2007, LJN BA1577.
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 7. p. 49. Zie voorts mijn noot bij HR 9 juli 2010, AB 2010/279.
In Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 87 is overwogen dat er slechts aanleiding is een rechtvaardigingsgrond aan te nemen indien de overtreder een onderbouwd beroep doet op een rechtvaardigingsgrond of anderszins aanwijzingen bestaan dat mogelijk een rechtvaardigingsgrond aanwezig is.
In Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 4, p. 21 is inzake vaste boetetarieven overwogen dat het niet geheel valt uit te sluiten dat uit het dossier in kwestie sterke aanwijzingen blijken die zouden moeten leiden tot een matiging van de hoogte van de bestuurlijke boete, zonder dat de betrokkene hier expliciet een beroep op heeft gedaan, en dat het zorgvuldigheidsbeginsel in dat geval met zich brengt dat het bestuursorgaan daar niet aan voorbij kan gaan. Zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 142.
CBb 7 juni 2007, JOR 2007/185 (Les Amis de France).
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p 128.
Zie ook Brugman, Hoe komt de bestuursrechter tot zijn recht? (2010), p. 69-70 en 238 en 207. Uitdrukkelijk anders: Verburg, De bestuursrechtelijke uitspraak en het denkmodel dat daaraan ten grondslag ligt (2008). Volgens Verburg dient de rechter af te gaan op de beroepsgronden en uitsluitend die gronden en daarmee onlosmakelijk verbonden vragen — dit laatste in het kader van art. 8:69 lid 2 Awb — te beantwoorden. Het komt er dan veelal op neer dat dan een voorvraag wel ambtshalve door de rechter wordt meegenomen, maar een vervolgvraag waar de gronden niet op zien, niet. Zo zal volgens Verburg de rechter, indien slechts de evenredigheid van een sanctie is aangevochten, wel de voorvraag moeten beantwoorden of er wel sprake is van een overtreding (omdat een sanctie pas evenredig kan zijn indien de betreffende norm is geschonden), maar zal indien tegen een last onder dwangsom alleen wordt opgekomen tegen de begunstigingstermijn de hoogte van de dwangsom buiten schot staan (zie aldus de p. 116-125). Hierop door redenerend zal, indien de gronden uitsluitend zien op de overtreding zelf, de evenredigheid van de sanctie eveneens niet beoordeeld mogen worden door de rechter. Ik acht dit een onbevredigende, want willekeurige uitkomst. Dit denkmodel sluit ook niet aan bij de MvT bij art. 8:69 Awb, waar is overwogen dat weliswaar niet aangevochten besluitonderdelen (let wel: de regering spreekt over besluitonderdelen, niet over besliscomponenten) door de rechter buiten beschouwing moeten worden gelaten, maar dat de rechter niet zonder meer af zal kunnen gaan op de in het beroepschrift geformuleerde grieven, en dat het goed past bij de actieve rol die de rechter in de procedure heeft dat hij de aanlegger in de gelegenheid stelt zich hieromtrent nader uit te laten (PG Awb II, p. 463). Zie voorts mijn noot bij BR 9 juli 2010, AB 2010/279.
CBb 3 september 2003, LJN AL8124.
CBb 24 december 2009, L1N BL4453. Voor zover uit de laatste zin al niet zou mogen worden afgeleid dat het College hier mede doelt op het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden merk ik op dat in de onderliggende rechtbankuitspraak los van de gronden was geoordeeld dat de hoogte van de boete evenredig was en dat het College deze uitspraak heeft bevestigd.
Rb Rotterdam 15 december 2003, LJN A01523; 14 januari 2005, L1N AS4228 en 28 juni 2005, AB 2006/24. Anders: CRvB 8 december 2005, LJN AU8258 en 8 december 2005, LJN AU8260.
Bijvoorbeeld CRvB 1 maart 2000, JB 2000/107; 18 februari 2003, RSV 2003/115; CBb 7 juni 2007, JOR 2007/185 (Les Amis de France) en 12 juni 2007, RF 2007/51 (Sparkasse).
Zie Kamerstukken // 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 128; Rogier, 'Enkele strafrechtelijke begrippen en beginselen in de rechtspraak van de CRvB', in: Centrale Raad van Beroep 1903-2003 (2003), paragraaf 5; VAR-Commissie Rechtsbescherming, De toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid (2004), p. 135 en Schueler, Drewes e.a., Definitieve geschilbeslechting door de bestuursrechter (2007), p. 56-57.
Ingevolge art. 8:72 lid 4 Awb kon de rechter reeds voor de invoering van de Vierde tranche Awb zelf in de zaak voorzien door de boete op een lager bedrag vast te stellen, hetgeen ook wel gebeurde. Zie bijvoorbeeld ABRvS 26 september 2007, JB 2007/208 (Protect) en CBb 15 december 2006, AB 2007/280 (Hajenius en Ritmeester).
Zie in gelijke zin onder meer art. 17f Kinderbijslagwet, art. 118 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, art. 14f Toeslagenwet, art. 19d lid 4 Wet arbeid vreemdelingen en art. 18g lid 4 Wet minimumloon en vakantiebijslag. Van deze — destijds ook in art. 140a Algemene bijstandswet geboden mogelijkheid is overigens tot nog toe slechts in een enkel geval gebruik gemaakt, namelijk in CRvB 21 december 2004, RSV 2005/76. Dit leidde overigens vanwege stelselvergelijking en overschrijding van de redelijke termijn niet tot een hogere boete dan was opgelegd. Zie ook CRvB 19 december 2006, RSV2007/107 waarin de Centrale Raad eveneens op arbitraire wijze opvolgende stelsels combineert, teneinde zelf toch nog in een boete van enige betekenis te kunnen voorzien.
Met betrekking tot dit laatste dringt zich de vergelijking op met de responsieplicht van de strafrechter. Zie HR 11 april 2006, NJ 2006/393.
Deze formulering is bewust iets ruimhartiger dan de standaardformulering in ABRvS 9 februari 2005, AB 2006/385; 14 februari 2007, AB 2007/255 en 11 juli 2007, LJN BA9311.
ABRvS 8 augustus 1996, AB 1996/481 (Schaap/Zaanstad).
In gelijke zin Haas en Jansen, 'Bewijs in belastingzaken' (deel 3), Tijdschrift Formeel Belastingsrecht 2009/4.
Deze notie past meer in de procesrechtelijke theorie of billijkheidsleer dan in de objectiefrechtelijke theorie waarin stelplicht en bewijslast juist wel (altijd) samenvallen. Zie Schuunnans, Bewijslastverdeling in het bestuursrecht. Zorgvuldigheid en bewijsvoering bij beschikkingen (2005), p. 31-33.
Rb Rotterdam 9 november 2006, JOR 2007/45. Zie in gelijke zin eerder Stijnen, Tvenredigheidstoetsing door de bestuursrechter', NJB 2003/37, p. 1952-1953.
De uitspraak in eerste aanleg hield stand. Zie ABRvS 24 december 2008, AB 2009/117.
Rb Rotterdam 28 juni 2005, AB 2006/24. In Barkhuysen, Damen e.a., Feitenvaststelling in beroep (Den Haag, 2007), p. 46 wordt deze uitspraak genoemd als tamelijk uniek voorbeeld waarin expliciet wordt gewezen op art. 8:69 lid 3 Awb. Zie ook Rb Rotterdam 26 maart 2010, LJN BL9871, par. 2.3.1.
Rb Rotterdam 18 juli 2005, JOR 2005/247.
Rb Rotterdam 19 oktober 2004, AB 2006/39 (Added Value Investment Services).
ABRvS 2 juni 2004, AB 2004/340.
ABRvS 18 januari 2006, LJN AU9831. Zie ook CRvB 20 maart 2008, RSV 2008/254.
Zie ABRvS 22 maart 2006, AB 2006/133; 14 februari 2007, AB 2007/255; 18 april 2007, AB 2007/256; 16 mei 2007, AB 2007/257; 1 1 juli 2007, AB 2007/311 en 5 december 2007, Gst. 2008/11 (Dirck BI).
Zie ABRvS 22 maart 2006, AB 2006/133; 11 juli 2007, AB 2007/310; 11 juli 2007, AB 2007, AB 2007/312; 8 augustus 2007, AB 2007/394; 29 augustus 2007, JV 2007/469; 10 oktober 2007, JV 2007/506 en 15 oktober 2008, LJN BF9012.
Bijvoorbeeld BR 1 december 2006, JB 2007/3 (toerekening); CRvB 22 februari 2006, AB 2006/215 (afstemming) en CBb 7 juni 2007, JOR 2007/185 (matiging).
Zie Rb Den Bosch 12 oktober 2007, AB 2007/402. Zie voorts Rb Haarlem 18 maart 2008, LJN BD2862 en Rb Rotterdam 1 april 2008, LJN BC8679.
In ABRvS 26 augustus 2009, LJN BJ6103 oordeelde de Afdeling enerzijds dat de rechtbank niet het verwijt kon worden gemaakt dat zij niet ambtshalve tot matiging van de uit hoofde van de Wet arbeid vreemdelingen opgelegde boete was overgaan nu het op de wege van de werkgever lag om aannemelijk te maken dat grond voor matiging bestond, maar overwoog zij anderzijds dat de in eerste aanleg ter zitting opgeworpen grond die daartoe strekte niet tardief was. Zie voor dit laatste ook ABRvS 12 mei 2010, LJN BM4186 en 1 december 2010, LJN B05745.
De Afdeling deed in ABRvS 26 september 2007, JB 2007/208 (Protect) een beperkte knieval door verminderde verwijtbaarheid aan te nemen in een geval waarin een vervalsing van een identiteitsbewijs niet werd opgemerkt bij controle met een UV-lamp. De boetes werden gehalveerd. Een beroep op het ontbreken van iedere verwijtbaarheid werd overigens meer recent in ABRvS 4 februari 2009, LJN BH1886 wel gehonoreerd in een vergelijkbare zaak waarin een dergelijke controle met een UV-lamp niet was uitgevoerd nu dit ook niet verplicht was voorgeschreven in het stappenplan. Ook wordt inmiddels met enige regelmaat gematigd (tot de helft) wegens verminderde ernst of verminderde verwijtbaarheid. Zie bijvoorbeeld ABRvS 16 januari 2008, AB 2008/50 en 17 september 2008, LJN BF0955. In ABRvS 11 maart 2009, AB 2009/143 kwam het zelfs tot een instandlating van een door de rechtbank toegepaste matiging wegens financiële hardheid, maar dit laatste is echt een uitzondering.
Zie in die zin ook BR 28 november 2003, AB 2004/339 en CRvB 18 maart 2004, JB 2004/192. Albers gooit mijns inziens iets te makkelijk het verbod van aanvulling van rechtsgronden in deze procedurele kwesties op één hoop met de inderdaad door de Afdeling misplaatst toegepaste onderdelenfuik in boetezaken. Zie Albers, 'De bestuurlijke boete onder het juk van het bestuurspnDcesrechf , JBplus 2006/4, p. 151. Dit laat onverlet dat ik mij wel kan indenken dat bij een flagrante schending van verdedigingsrechten de bestuursrechter toch met een schuin oog kijkt naar de wijze van bewijsvergaring, ook indien geen grond daartegen is gericht. Vergelijk dit met de beperkte ambtshalve toetssteen die de strafrechter hier hanteert. Zie BR 17 mei 1988, NJ1989/142. Zie voorts hoofdstuk 7.
CBb 24 november 2005, LJN AU7852. Anders: ABRvS 17 februari 2010, LJN BL4163 .
Dat volgt ook uit het met de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen gekozen systeem van rechtsbescherming. De betrokkene moet het bestuur in gebreke stellen alvorens hij een dwangsom kan claimen en/of beroep kan instellen wegens niet tijdig beslissen. Zie daarover Stijnen, 'Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (I)', NJB 2010/32, p. 65-70 en idem, 'Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (11)' , NJB 2010/377, p. 468-474. Dit laat natuurlijk onverlet dat de betrokkene indien hij het besluit afwacht wel in beroep kan klagen dat de beslistermijn is overschreden (CRvB 4 juni 2002, RSV 20021232). Daar zal hij echter alleen belang bij kunnen hebben als hij daardoor schade heeft geleden (ABRvS 2 maart 2005, AB 2005/123).
Ingevolge art. 3:322 lid 1 BW mag de burgerlijke rechter niet ambtshalve het middel van veijaring toepassen. Dit ambtshalve toetsingsverbod wordt van overeenkomstige toepassing geacht in het bestuursrecht. Zie CRvB 29 november 2007, LJN BC0044. Met betrekking tot bestuurlijke boetes spreekt de wetgever uitdrukkelijk van vervaltermijnen, omdat die juist wel ambtshalve moeten worden toegepast (Kamerstukken1/2003/04, 29 702, nr. 3, p. 139-140). Uit HR 29 april 2011, JB 2011/130 volgt dat de Hoge Raad van oordeel is dat de vervaltermijnen voor het opleggen van bestuurlijke boetes van openbare orde zijn, want volgens de Hoge Raad moet de rechter ambtshalve onderzoeken of de bevoegdheid tot boeteoplegging door tijdsverloop is vervallen, ook indien een belanghebbende afstand heeft gedaan van een beroep op dat tijdsverloop. Blijkbaar raakt dit dermate aan de kern van de bevoegdheid van het bestuur dat deze kwestie van openbare orde is. Dit geldt blijkens dit arrest niet voor de naheffingsaanslag. Ondanks dat het hier gelet op de tekst van art. 16 AWR gaat om een vervaltermijn, behoort de rechter volgens de Hoge Raad bij overschrijding daarvan niet ambtshalve tot vernietiging over te gaan en kan in het kader van een fiscaal compromis worden afgezien van een beroep op tijdsverloop ter zake van de gewone naheffing. Zie voorts HR 22 april 1998, BNB 1998/214 en 17 december 2004, BNB 2005/80. Ter zake van de in art. 3 van verordening 29885/95/EG, Euratom opgenomen verjaringstermijn voor bestuurlijke sancties werd in CBb 23 april 2008, AB 2008/233 (Socopa International) geoordeeld dat die niet van openbare orde was, zodat het College niet ambtshalve over veijaring hoefde te oordelen, en dat het eerst ter zitting gedane beroep op veijaring tardief was. Bij sancties lijkt me dit laatste in elk geval niet de juiste weg.
Vergelijk bijvoorbeeld CRvB 25 september 2003, RSV 2003/304 en 8 december 2004, AB 2005/73. Volgens ABRvS 10 februari 2010, JB 2010/98 zou de rechtbank zich slechts ambtshalve over de redelijke termijn in boetezaken hoeven te buigen indien eerst na de sluiting van het onderzoek ter zitting de redelijke termijn wordt overschreden. De Afdeling controleert in boetezaken zelfs ambtshalve of de rechtbank zich wel heeft mogen buigen over de vraag of de redelijke termijn is overschreden. Zeer negatief pakte in dit verband ABRvS 17 maart 2010, LJN BL7829 uit. Hoewel alleen de belanghebbende in hoger beroep kwam draaide de Afdeling de korting die de rechtbank op de boete had toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn terug. In CRvB 21 december 2004, RSV 2005/76 zag de Centrale Raad gelukkig wat meer ruimte en toetste aan de redelijke termijn omdat de belanghebbende de hoogte van de boete hoe dan ook te hoog vond. In HR 22 april 2005, JB 2005/166 ging de Hoge Raad nog iets verder door te oordelen dat de (fiscale) rechter gehouden is ambtshalve — dus los van hetgeen is aangevoerd — te beoordelen of de redelijke termijn in acht is genomen. De rechter hoeft gelet op par. 4.7 van dit arrest slechts zijn oordeel dat die termijn niet is geschonden te motiveren indien in beroep daarover een grief is opgeworpen. Par. 4.10 die inhoudt dat niet eerst cassatie kan worden geklaagd over de redelijke termijnoverschrijding voor zover betrokkene daar in een eerdere instantie over kon uitlaten, moet worden bezien in het licht van de beperkte functie van cassatie. Feitenonderzoek door de cassatierechter ziet immers enkel op de traagheid die zich voordeed na de laatste feitelijke instantie, zo volgt uit par. 4.11 van dat arrest. De belastingkamer van de Hoge Raad buigt zich aldus ambtshalve over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Zie bijvoorbeeld HR 15 mei 2009, LJN B13778. Zie ook Rb Rotterdam 22 juli 2010, LJNBN2146 (Numico) en CBb 16 september 2010, /JNB05320 (Koninklijke Agio Sigarenfabrieken), par. 5.19.1k voeg hier aan toe dat EHRM 10 december 1982, NJ1987/828 (Foti) kan worden beschouwd als een uitnodiging tot ambtshalve beoordeling of de redelijke termijn in acht is genomen.
Kamerstukken 12008/09, 31 352, C, p. 6.
Zie daarover Doorenbos en Jurgens, `Specialisatie en concentratie van rechtspraak op het terrein van het financieel (bestuurs)strafrecht' en Schldsssels, `Concentratie van bestuursrechtspraak', paragraaf 4.3.2, beiden in: Concentratie en specialisatie van rechtspraak: noodzaak of overbodig? (2006).
Zie voor dit laatste ook de VAR-Commissie Rechtsbescherming, De toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid (2004), p. 135 en Crommelin, Het aanvullen van rechtsgronden (2007), p. 277-281.
ABRvS 17 maart 2010, LTNBL7830. Indien eerst ter zitting in hoger beroep nieuwe grieven worden aangevoerd dan worden die buiten beschouwing gelaten wegens strijd met een goede procesorde. Zie ABRvS 2 augustus 2006, JV 2006/360; 2 augustus 2006, LJN AY5516; 24 februari 2010, LJN BL5348 en 28 april 2010, LTN BM2607
ABRvS 16 maart 2011, JB 2011/105. Aan deze uitspraak kleven nog diverse andere haken en ogen, maar die laat ik hier maar rusten.
ABRvS 17 maart 2010, LTN BL7829
In een reeks Warenwet- en Tabakswetzaken voltrok het College van Beroep voor het bedrijfsleven die evenredigheidstoetsing buiten de weergegeven stellingen van de beboete rechtspersoon om. Zie CBb 24 november 2005, AB 2006/92; 13 april 2006, AB 2006/395; 29 juni 2006, AB 2007/248; 15 december 2006, LJN AZ5869; 20 december 2007, AB 2008/56 en 22 mei 2008, LJN BD2542. Anders: CRvB 20 maart 2008, RSV 2008/254.
Zo neemt het College van Beroep voor het bedrijfsleven de rechtbankuitspraak uitdrukkelijk als vertrekpunt, maar heeft daarbij wel oog voor de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden. Vergelijk bijvoorbeeld CBb 7 juni 2007, JOR 2007/185 (Les Amis de France) en CBb 12 januari 2010, JOR 2010/100 (Intertirion).
Zie paragraaf 7.11.
Toegespitst op bestraffende sancties kan de vraag worden gesteld of de rechter het sanctiebesluit in volle omvang dient te toetsen indien het beroep zich slechts lijkt te richten tot een deelbeslissing inzake de sanctieoplegging. Indien de gronden slechts zien op de vraag of sprake is van een overtreding of indien slechts de evenredigheid van de sanctie aan de orde is gesteld, is het beroep dan tot die grond beperkt of dient de boeteoplegging als een ondeelbare beslissing te worden aangemerkt? Ik meen in beginsel het laatste.
Het ligt mijns inziens op de weg van de bestuursrechter om een beroep tegen een bestuurlijke boete op te vatten als gericht tegen een besluit dat bestaat uit één ondeelbaar rechtsgevolg, namelijk de oplegging van een bepaalde boete.1 Materieel gezien is dit rechtsgevolg het resultaat van een aantal oordelen en beslismomenten van het bestuursorgaan, namelijk: een rechtsoordeel omtrent de toepasselijke rechtsregels (waaronder de bevoegdheid van het bestuursorgaan); een feitenoordeel (vaststelling van de gedraging); een rechtsoordeel dat die feiten een overtreding opleveren (vaststelling van de schuld in enge zin); ingeval van beleidsvrijheid een afweging dat het opportuun is het boete-instrument in te zetten; en vervolgens een afweging omtrent de hoogte van de boete (afstemming conform een algemeen verbindend voorschrift of beleidsregel danwel beoordeling of een matiging van een vaste boete aan de orde dient te zijn). In de terminologie van Willemsen: het gaat hier om deelbeslissingen die noodzakelijk elkaar opvolgende schakels in de redenering naar het dictum vormen.2Verband hiermee houdt dat de ambtshalve activiteiten van de bestuursrechter bij sancties in het algemeen en in het bijzonder bij bestraffende sancties een stuk verder kan gaan dan in bijvoorbeeld het omgevingsrecht, waarin derdenbelangen spelen en de wetgever inmiddels ook beperkingen heeft willen stellen aan de mogelijkheid om beroepsgronden in te dienen. Zo volgt uit de art. 1.6 lid 2 en 1.6a Crisis- en herstelwet dat alle beroepsgronden binnen de beroepstermijn moeten zijn ingediend. Een dergelijke beperking geldt niet voor het algemeen bestuursrecht (zie art. 6:6 Awb) en zeker niet voor (bestraffende) sancties.3 Als over de hele linie van het bestuursrecht, overeenkomstig art. 1.9 Crisis- en herstelwet, een relativiteitseis wordt ingevoerd (het voorgestelde art. 8:69a Awb4) dan hoeft dat ten aanzien van sanctiebesluiten evenmin gevolgen voor de mate van rechtsbescherming te hebben.5
Op het bestuursorgaan dat een dergelijke ambtshalve beslissing neemt rust de bewijslast om de overtreding aan te tonen,6 dit temeer nu de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM van toepassing is,7 terwijl een volledige heroverweging van de boete met zich zal brengen dat het bestuur ook uit eigen beweging oog zal moeten hebben voor de opportuniteit van het opleggen van een boete en de afstemming van de hoogte van de boete. Zo is door de Vierde tranchewetgever overwogen dat indien het bestuursorgaan zelf reden heeft om aan de verwijtbaarheid te twijfelen, het eigener beweging van het opleggen van een boete dient af te zien.8 In de parlementaire geschiedenis is voorts overwogen dat het bestuursorgaan (onder omstandigheden) ambtshalve oog zal moeten hebben voor een eventuele aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond9 en voor de evenredigheid van de boete.10 Voorts zal het bestuur de beboete persoon in voorkomende gevallen uitdrukkelijk in de gelegenheid moeten stellen om financiële hardheid te onderbouwen.11 De desbetreffende bepalingen in hoofdstuk 5 Awb richten zich tot het bestuursorgaan dat immers als eerste aan zet is. Hoe staat het nu met de bestuursrechter? De bestuursrechter neemt volgens de Vierde tranche-wetgever een bijzondere positie in bij bestuurlijke boetes: enerzijds oordeelt hij als gewoon bestuursrechter, anderzijds is zijn positie enigszins vergelijkbaar met die van een strafrechter.12 Een redelijke taakopvatting brengt dan met zich dat de bestuursrechter net als het bestuurorgaan ambtshalve oog zal moeten hebben voor eventuele excepties en matigingsgronden. Indien derhalve een beroep voorligt tegen de handhaving van een boetebesluit kan de rechter — ambtshalve de rechtsgronden aanvullend — aan de slag op al deze samenhangende kwesties.13
Zo overwoog het College van Beroep voor het bedrijfsleven in een telecommunicatiezaak: `De rechtbank heeft evenwel de in aanleg minder ruim geformuleerde grieven, welke gericht waren tegen de oplegging van een boete en last onder dwangsom als zodanig, gelet ook op de aard van het geschil, in die zin mogen opvatten, dat het beroep tevens was gericht tegen de wijze waarop de sanctie is vastgesteld en opgelegd en tegen de hoogte van de sanctie.’14 En in het verlengde hiervan overwoog het College in een warenzaak: 'Voor zover appellant heeft aangevoerd dat de boete absurd hoog is, overweegt het College dat, anders dan de minister heeft betoogd, appellant in hoger beroep grieven kan aanvoeren tegen de hoogte van de boete. De onderhavige bestuurlijke boete is een punitieve sanctie. De rechter dient te toetsen of de hoogte [...] van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding.'15
Dat betekent voorts dat de rechter los van hetgeen is aangevoerd gehouden kan zijn zich te buigen over de vraag of sprake is van dubbele bestraffing (ne bis in idem en una via)16 — hieruit volgt overigens niet dat de bestuursrechter hieromtrent een gemotiveerde beslissing dient te nemen indien terzake niets is aangevoerd en ook uit de stukken niets blijkt omtrent een mogelijk eerdere vervolging — of dat inmiddels gunstiger wetgeving tot stand is gekomen (de in art. 15 lid 1, laatste volzin, IVBR besloten liggende lex mitior-regel).17 Een belangrijk argument voor juist een ruime invulling van art. 8:69 Awb vormt de alleszins verdedigbare stelling dat de bestuursrechter bij bestraffende sancties niet enkel dient te toetsen, maar dat hij — net als de strafrechter — ook zelf zal moeten beslissen.18 Ook de wetgever lijkt daarvan uit te gaan. Immers, niet alleen voorziet de Vierde tranche er in dat de rechter gehouden is definitief in de zaak te voorzien indien de beslissing op bezwaar inzake de oplegging van een boete geen stand houdt (art. 8:72a Awb),19 maar voorts is de rechter in diverse wetten de bevoegdheid toegekend (binnen het maximum) de boete op een hoger bedrag vast te stellen dan het bestuursorgaan heeft gedaan. Zo luidt art. 42 Arbeidsomstandighedenwet:
`In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen.'20
Uiteraard heeft hetgeen de aanlegger aanvoert of juist niet aanvoert wel gevolgen voor de inhoud van de beoordeling en de motivering van de uitspraak.21 Indien het bestuursorgaan aannemelijk maakt dat de overtreding is begaan en dat niet is gebleken van het ontbreken van iedere verwijtbaarheid,22 en de aanlegger stelt daar geen ander scenario tegenover, zal de rechter algauw tot het oordeel kunnen komen dat het boete-instrument in zicht komt. Indien ten aanzien van individualiseerbare elementen als de mate van verwijtbaarheid en financiële hardheid door de aanlegger niet een onderbouwd betoog wordt gevoerd is de rechter ook op die punten snel klaar. Dat op deze onderdelen de bewijslast ligt bij betrokkene, hetgeen met betrekking tot vaste boetetarieven ook uitdrukkelijk is neergelegd in art. 5:46 lid 3 Awb, sluit echter niet ambtshalve toetsing uit. Zoals de Afdeling in Schaap/Zaanstad overwoog is immers niet uitsluitend het beroepschrift bepalend voor de omvang van het geschil. Gelet op art. 8:69 lid 1 Awb, zijn tevens relevant de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.23 Indien de stukken daartoe voldoende aanknopingspunten bieden zullen bestuur en rechter dan ook buiten de beroepsgronden tot het oordeel moeten komen dat iedere verwijtbaarheid ontbreekt (hetgeen in de weg staat aan boeteoplegging), danwel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, van beperkte ernst of van bijzondere omstandigheden (de nopen tot matiging).24 Stelplicht en bewijslast hoeven derhalve niet per definitie hand in hand te gaan.25 Een treffend voorbeeld van deze benadering vormt de volgende overweging van de rechtbank Rotterdam:
`Een redelijke wetstoepassing en bewijslastverdeling — ook in het licht van artikel 6, eerste lid, van het EVRM — brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat indien het bestuursorgaan aantoont dat sprake is van een overtreding en dat de overtreder ter zake enig verwijt treft, terwijl de hoogte van de boete conform het vaste wettelijke tarief naar het oordeel van het bestuursorgaan en de rechter in beginsel evenredig is in verhouding tot de ernst van de gedraging en uit de voorhanden zijnde gegevens niet op voorhand blijkt dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid of van financiële hardheid, het aan de overtreder is om in bezwaar of beroep gemotiveerd te stellen dat toepassing van het vaste wettelijke tarief in zijn geval onevenredig uitpakt omdat hem ter zake een verminderd verwijt valt te maken of dat er anderszins relevante feiten en omstandigheden spelen die nopen tot matiging van de boete.'26
Ook hier zal de mate waarin de rechter bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid actief relevante feiten op te sporen danwel partijen daartoe aan te sporen, de mate waarin de rechter toekomt aan een objectieve toepassing van het recht op het boetebesluit in belangrijke mate inkleuren. Veelal zal van die activiteit niet uit de uitspraak blijken. Er zijn uitzonderingen. Zo heeft de rechtbank Roermond een descente gehouden in een restaurant waar een vreemdeling werkzaam zou zijn geweest zonder dat over de benodigde tewerkstellingsvergunning werd beschikt, teneinde vast te stellen dat de inspecteur van de arbeidsinspectie nooit van buitenaf, door een kier van een met een dievenketting openstaande buitendeur, de vreemdeling in het magazijn in een wok had kunnen zien roeren, hetgeen wel in het boeterapport door de inspecteur was verklaard.27 Verder valt in enkele uitspraken van de rechtbank Rotterdam onder aanhaling van art. 8:69 lid 3 Awb — te lezen dat de griffier met het oog op de una via-toetsing telefonisch onderzoek naar de voortgang van een strafrechtelijk geding heeft verricht28 en dat hij de aanlegger schriftelijk heeft uitgenodigd zijn algemene stelling dat de boete gematigd diende te worden financieel te onderbouwen.29 Het voorgaande betekent uiteraard voorts dat het bestuursorgaan niet met succes kan aanvoeren dat, indien de betrokkene pas in beroep met de nodige financiële gegevens over de brug komt met het oog op matiging van de boete, daar geen acht op geslagen zou mogen worden omdat het bestuur daar in zijn besluitvorming geen rekening mee heeft kunnen houden.30
De wijze waarop de Afdeling in het nabije verleden de omvang van het beroep tegen boetebesluiten in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet volstrekt ophing aan de beroepsgronden staat op gespannen voet met het hiervoor verdedigde stelsel. Zo heeft de Afdeling geoordeeld dat, indien door de beboete werkgever is aangevoerd dat het slachtoffer van het ongeval medeschuld had, de vraag naar de verwijtbaarheid van de beboete werkgever zelf buiten de omvang van het geding viel31 en dat de rechtbank, indien het beroepschrift zich concentreerde op de schuld in enge zin, niet de evenredigheid van de boete in haar beoordeling mocht betrekken.32 Juist door deze al te rigide jurisprudentie werden degenen die pleiten voor overheveling naar de strafrechter, door die zaken voortaan af te doen via de Wet OM-afdoening, van munitie voorzien.33 De zuinige benadering van de Afdeling waar het gaat om de afbakening van het geschil in boetezaken leek samen te hangen met de toetsing die zij verrichte indien wel uitdrukkelijk de verwijtbaarheid en de evenredigheid van de boete aan de orde werden gesteld. Een beroep op afwezigheid van alle schuld slaagde bij de Afdeling tot voor kort vrijwel nimmer34 en de boete die conform het beleid was vastgesteld werd meestal evenredig geacht.35 Een dergelijke beperking in diepgang van toetsing nodigde niet uit tot ambtshalve activiteiten. Rechtbanken konden wellicht - kijkend naar de jurisprudentie van de andere appelinstanties36 - in de verleiding komen de Afdelingslijn naast zich neer te leggen.37 Opgemerkt moet worden dat de Afdeling - mogelijk door de kritiek - de teugels inmiddels toch aanzienlijk heeft laten vieren, zowel waar het gaat om het accepteren van nieuwe stellingnames38 als de intensiteit van de evenredigheidstoetsing.39
Iets anders is of de bestuursrechter alle procedurele kwesties, waaronder de wijze van bewijsvergaring, ambtshalve in de beoordeling dient te betrekken. Ik meen in beginsel van niet. De aanvulling van rechtsgronden gaat mijns inziens niet zo ver dat de rechter procedurele kwesties voor zover die niet van openbare orde zijn telkens ambtshalve in de beoordeling dient te betrekken.40 Voor zover enige grief is gericht op het optreden van toezichthouders of (bijzondere) opsporingsambtenaren of anderen die bij het voortraject zijn betrokken, zal de rechter zich uiteraard wel geroepen moeten voelen zelfstandig aan de hand van de stukken en hetgeen ter zitting is aangevoerd de toelaatbaarheid van het bewijs te beoordelen, alsook te toetsen aan bijzondere wettelijke eisen ter zake van functiescheiding. Ook kan bijvoorbeeld het achterwege laten van een hoorzitting (art. 7:2 Awb), waarover op zich niet is geklaagd, bijdragen aan het oordeel van de rechter dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest (art. 3:2 Awb) omdat betrokkene niet in bezwaar uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld zijn stelling te onderbouwen dat de boete zijn draagkracht overschrijdt.41 Als in een boetezaak niet geklaagd wordt over de overschrijding van een termijn van orde, zoals de beslistermijn in primo (art. 5:51 Awb) of bezwaar (art. 7:10 Awb), ligt daar dus geen taak voor de bestuursrechter.42 Er zijn echter ook termijnen die wel materieel raken aan de bevoegdheid tot oplegging van een bestraffende sanctie. Ik denk daarbij aan wettelijke vervaltermijnen voor het opleggen van een boete (art. 5:45 Awb) en aan de in art. 6 lid 1 EVRM besloten liggende redelijke termijn. Met betrekking tot die kwesties dient de bestuursrechter gewoon ambtshalve het recht toe te passen door de rechtsgronden aan te vullen. In dit verband dient scherp het onderscheid tussen bestuurlijke vervaltermijnen en burgerlijke verjaringstermijnen in ogenschouw te worden genomen43 en moet worden bedacht dat de redelijke termijn in boetezaken een andere functie inneemt dan in het overige bestuursrecht. Ik doel bij dit laatste niet alleen op het aanvangstijdstip, maar ook op het al dan niet (deels) teloor gaan van de bevoegdheid tot gebruikmaking van de bestuurlijke bevoegdheid ingeval van overschrijding van die termijn in de bestuurlijke voorprocedure of in beroep.44
Het ging in deze paragraaf steeds om de vraag in hoeverre de rechter een helpende hand aan de beboete partij kan en mag geven. Bij de bespreking van de heroverweging en de omvang van het geding bij de bestuursrechter kwam eerder ook de ambtshalve wijziging van een aangevochten besluit door het bestuur (art. 6:18 Awb) en de bestuurlijke lus (art. 8:51a en 8:80a Awb) aan de orde. In de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel Wet bestuurlijke lus Awb is dienaangaande overwogen:
`De leden van de VVD-fractie vroegen of de bestuurlijke lus ook kan worden toegepast in een beroep dat zich richt tegen een bestuurlijke boete. Wij menen dat dit in beginsel niet het geval is. Als een besluit waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd, een gebrek vertoont, moet een aantal situaties worden onderscheiden. De eerste situatie is dat het gebrek naar zijn aard onherstelbaar is. Dit doet zich bijvoorbeeld voor indien de rechter vaststelt dat de gedraging die de belanghebbende wordt verweten niet onder een wettelijke verbodsbepaling valt. Dan is er vanzelfsprekend geen ruimte voor toepassing van de bestuurlijke lus. Een volgende mogelijkheid is dat de rechter constateert dat het bestuur een vormfout heeft gemaakt, die op zichzelf wel herstelbaar zou zijn; de betrokkene is bijvoorbeeld ten onrechte niet gehoord over het voornemen om een boete op te leggen. Dit geval wordt geregeld in het nieuwe artikel 8:72a Awb [...]. Dat artikel verplicht de bestuursrechter om in een dergelijk geval zelf te beslissen of ondanks de vormfout een boete moet worden opgelegd en zo ja, hoe hoog deze moet zijn. Met andere woorden: de rechter is dan verplicht om zelf in de zaak te voorzien. Deze bevoegdheid gaat verder dan het toepassen van de bestuurlijke lus, zodat voor deze laatste ook in dit geval geen ruimte meer is. Ten slotte is denkbaar dat de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bewijs voor de overtreding ontoereikend is. Wij menen dat in dat geval het verdedigingsbeginsel, zoals dit onder meer is neergelegd in artikel 6 EVRM, zich er tegen verzet dat de bestuurlijke lus wordt toegepast om het bestuur in de gelegenheid te stellen om alsnog aanvullend bewijs te leveren.'45
Hoewel ik vanuit de noties van rechtsbescherming en ongelijkheidscompensatie meen dat de rechtbanken en de appelinstanties niet al te faciliterend behoren op te treden richting het bestuur, meen ik wel ruimte te zien voor de bestuurlijke lus in boetezaken, temeer daar de rechter gelet op art. 8:72a Awb het geschil finaal moet afdoen. Zoals ik aan het einde van het vorige hoofdstuk aangaf kan de bestuurlijke lus onder meer in zicht komen als de rechter het bestuursorgaan alsnog in de gelegenheid wil stellen om bepaalde stukken te overleggen.
Met betrekking tot bestraffende sancties doet zich voorts de vraag voor of in hoger beroep het primaat kan worden gelegd bij de controle- en de rechtseenheidfunctie. Ik meen van niet. Hiervoor zie ik drie redenen. De eerste reden is dat art. 14 lid 5 IVBPR rechtspraak in twee instanties vereist waar het gaat om een veroordeling voor een strafbaar feit, waaronder tevens het in eerste aanleg in stand laten van een boetebesluit moet worden begrepen. Cassatie na één feiteninstantie volstaat in dit verband niet. Dat is ook de reden geweest voor de wetgever om in het belastingrecht rechtspraak in twee feitelijke instanties in te voeren door de rechtbanken in eerste aanleg bevoegd te maken, terwijl ook de invoering van de bestuurlijke boete in het economisch bestuursrecht aanleiding gaf voor invoering van rechtspraak in twee feitelijke instanties door de rechtbank Rotterdam bevoegd te maken.46 Vanuit deze verdragsverplichting ligt het in de rede de herkansingsfunctie te benadrukken. De tweede reden is dat boetes door de rechter niet uitsluitend ex tunc beoordeeld kunnen worden. Hiervoor gaf ik al aan dat de rechter zich in ieder geval (ambtshalve) dient te buigen over de vraag of er inmiddels sprake is van gunstiger wetgeving (art. 5:46 lid 4 Awb) of dat de redelijke termijn op enig moment is overschreden (art. 6 lid 1 EVRM) en welke gevolgen dit dient te hebben voor de boete, waarbij — zoals hiervoor al bleek voorts nog geldt dat in een aantal wetten de bevoegdheid is opgenomen om ook in hoger beroep de boete in afwijking van het verbod van refomatio in peius op een hoger bedrag vast te stellen dan het bestuur heeft gedaan. Een grievenstelsel in appel volstaat in dit licht niet. De derde reden is dat, indien bij boetezaken de splitsing van het besluit in besliselementen (fuikwerking) wordt verworpen — hetgeen ik voorsta —, een volle herkansing in appel in de rede ligt. Zo zal de appelrechter nieuw gebleken feiten moeten kunnen meenemen die een nieuw licht werpen op de schuldvraag (in enge en ruime zin) en eventuele gewijzigde omstandigheden met het oog op matiging van de boete.47 Bij nadruk op de herkansingsfunctie zal ook in hoger beroep de boeteoplegging ten volle ter toetsing staan. In een uitspraak van 30 september 2009 had de Afdeling hier wel oog voor. Gezien de punitieve aard van boetebesluiten konden volgens een Afdelingsuitspraak in hoger beroep nieuwe gronden worden aangevoerd.48 Dit bleek echter geen bestendige lijn te zijn, want nadien kwam de Afdeling hierop terug door te overwegen dat in hoger beroep de rechtbankuitspraak ter beoordeling voorligt en er geen ruimte is om nieuwe gronden aan te voeren tegen de boeteoplegging, indien die al in eerste aanleg aangevoerd hadden kunnen worden.49 In een voorkomend geval heeft de Afdeling zelfs willens en wetens een onrechtmatig boetebesluit in stand gelaten, ware het niet dat het bestuursorgaan zelf daarvan terug kwam.50 Een weinig magistratelijke attitude spreekt hieruit. Voorts blijft de Afdeling ambtshalve inactief en vergt zij die passiviteit ook van de rechtbank in eerste aanleg. Zo verbiedt zij de rechtbank om ambtshalve aan de redelijke termijn van art. 6 lid 1 EVRM te toetsen.51 Een vollere invulling van art. 8:69 lid 2 Awb brengt met zich dat de hoger beroepsrechter zich juist ambtshalve buigt over de hoogte van de boete..52
Het vorenstaande laat natuurlijk onverlet dat ook de controlefunctie en rechtseenheid-functie van het hoger beroep relevant zijn waar het bestraffende sancties betreft. Geen rechtsregel staat er aan in de weg dat de appelrechter ook in die zaken primair de rechtbankuitspraak als uitgangspunt neemt voor de te verrichten toetsing.53 Dit past ook bij het voortbouwend appel in het strafrecht.54