Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/3.3.2.1
3.3.2.1 Uitwerking beginsel van de gelijkheid van schuldeisers algemeen
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686209:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In hoofdstuk 2 is dit meer uitvoerig aan de orde gekomen.
Anders dan bij een beslagexecutie is het bij een faillissement niet nodig om te beschikken over een executoriale titel om verhaal uit te kunnen oefenen.
Vgl. HR 3 november 2006, NJ 2007/155 onder 3.5 (Nebula). Zie voorts Slaski 2009, p. 112.
Zie ook artikel 109 Fw: de curator stelt “alle bekende schuldeisers” schriftelijk op de hoogte van de dag waarop de vorderingen uiterlijk moet worden ingediend.
Vgl. Molengraaff 1936, p. 228 en 229.
Vgl. Akkermans, Bax & Verhey 1999, p. 49. Dat gezichtspunt kan in de loop der tijd wijzigen met als gevolg dat wat vroeger als ongelijk geval werd gezien nadien als gelijk geval wordt aangemerkt. Zie voor een gezichtspunt dat in vroegere tijden wel werd aangelegd: Maris 1988, p. 53-55. Hij wijst op het onderscheid dat Aristoteles maakte tussen de vrije (Griekse) mannen en de (buitenlandse) slaven. De laatstgenoemde groep nam volgens hem niet gelijkelijk deel aan de rede. Aristoteles zag deze groepen daarom niet als gelijke gevallen op grond waarvan een gelijke behandeling geïndiceerd was. Zie voorts Akkermans, Bax & Verhey 1999, p. 51: “Zo is ongelijke behandeling van vrouwen en mannen in arbeidssituaties naar huidige opvattingen in het algemeen niet aanvaardbaar. Enkele generaties geleden werd daar anders over gedacht”. Zie voor een voorbeeld in het insolventierecht de (in paragraaf 3.3.2.11 te bespreken) gewijzigde opvatting van de Hoge Raad over de positie van de verhuurder met een vordering tot vergoeding van de schade bij het einde van de huurovereenkomst (HR 19 april 2013, NJ 2013/291 (Koot Beheer/Tideman q.q.).
“Moet” in de zin van: noodzakelijk om het positieve faillissementsrecht op het vlak van de gelijkheidsregels te begrijpen. Een dergelijk “moeten”, dient zeer wel te worden onderscheiden van een rechtspolitiek betoog over de vraag hoe gelijkheid vorm zou moeten worden gegeven. In dat geval gaat het om wenselijk recht. Een dergelijk betoog wordt hier niet gevoerd.
Oorspronkelijk was er overigens überhaupt in beginsel geen onderscheid tussen individuele en collectieve executie. In het Romeinse recht had de normale vermogensexecutie steeds het karakter van een collectieve executie. Vgl. Kaser & Wubbe 1971, p. 404.
In het kader van de verhaalsexecutie is het leggen van beslag de geëigende weg voor een schuldeiser om verhaal uit te oefenen.1 In het kader van een faillissement is voor een schuldeiser de aanmelding ter verificatie de geëigende weg om verhaal uit te oefenen.2
Artikel 26 Fw is tegen deze achtergrond een centrale bepaling in het Faillissementsrecht. Het artikel bepaalt dat rechtsvorderingen die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, gedurende het faillissement op geen andere wijze kunnen worden ingesteld dan door aanmelding ter verificatie. In artikel 110 Fw wordt vervolgens bepaald dat de indiening van schuldvorderingen geschiedt bij of door de curator.
Aan artikel 26 Fw (en aan het in artikel 26 Fw genoemde artikel 110 Fw) ligt het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers ten grondslag.3 Schuldeisers van de schuldenaar worden op gelijke wijze behandeld doordat zij uitsluitend verhaal kunnen zoeken via de indiening van hun vordering ter verificatie.4 Schuldeisers krijgen door artikel 26 Fw gelijke kansen om mee te doen in de faillissementsprocedure.
Het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers strekt ertoe schuldeisers die zich in een gelijke positie bevinden gelijk te behandelen.5 Het formele beginsel geeft echter (nagenoeg) geen materiële criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of een schuldeiser zich in een gelijke positie bevindt als een andere schuldeiser. Indien een onderscheid wordt gemaakt in de behandeling van schuldeisers dient dit in ieder geval objectiveerbaar te zijn. Veel meer valt er niet over te zeggen. Uit het beginsel kan namelijk niet een extern en onafhankelijk criterium worden afgeleid op grond waarvan kan worden bepaald welk geval gelijk is en welk geval ongelijk. Dat dit beginsel als regel tot uitdrukking komt in artikel 26 Fw betekent dat nog steeds niet vaststaat welke gevallen gelijk moeten worden behandeld en welke gevallen niet. Gelijkheid is namelijk altijd relatief. Het gaat steeds om de gelijke behandeling vanuit een bepaald gezichtspunt.6 Zonder stil te staan bij het perspectief van waaruit de gelijkheid in een faillissementssituatie moet worden beoordeeld, kan de gelijke behandeling niet goed worden begrepen. Sterker nog: als een dergelijk perspectief niet zou kunnen worden aangelegd, dan is er ook geen sprake van een samenhangend stelsel van gelijkheidsregels. Van een systeemfunctie kan alsdan alleen al geen sprake zijn omdat een dergelijke functie vooronderstelt dat er sprake is van een samenhangend stelsel van gelijkheidsregels. Tegen deze achtergrond wordt hierna ingegaan op het dominante perspectief dat in het kader van een faillissement moet7 worden aangelegd bij de beoordeling in hoeverre er sprake is van een gelijk geval.
De gelijke behandeling moet in beginsel worden verstaan tegen de achtergrond van de positie van een schuldeiser in het kader van een individuele8 beslagexecutie (als onderdeel van de verhaalsexecutie). Uitsluitend in die context bezien kan het beginsel op de juiste wijze worden begrepen. Hierna zal ik deze stelling nader uitwerken aan de hand van situaties die zich in de praktijk kunnen voordoen. Deze uitwerking strekt ertoe het systeem van de wet te verduidelijken en is niet bedoeld om uitputtend alle mogelijke situaties te bespreken. Hierbij wordt aangetekend dat het dominante perspectief niet betekent het exclusieve perspectief. Van tijd tot tijd kan de positie van een schuldeiser in een faillissement niet (volledig) verklaard worden met een verwijzing naar de positie van een schuldeiser in het kader van de individuele beslagexecutie. Als dit aan de orde is, zal ik nader bespreken om welke reden in een dergelijk geval moet worden aangenomen dat er geen sprake is van een gelijk geval.