Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/3.6.3.3.1
3.6.3.3.1 Het statutaire doel
mr. J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254413:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. Handboek 2013, nr. 78; Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/57; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/68; Van Schilfgaarde 2017, nr. 3 spreekt over het ‘eigenlijke doel’ en benoemt de discussie over de vraag of als het ‘eigenlijke doel’ moet worden aangemerkt het maken van winst of, in ruimere zin, een meervoudige doelstelling. Hij zet het shareholdersmodel af tegen het stakeholdersmodel, waarmee hij het eigenlijke doel van de vennootschap mijns inziens weer in de sleutel van het vennootschapsbelang plaatst, zie ook nr. 58, p. 238.
De Departementale Richtlijnen, paragraaf 5, bepaalden dat in de statutaire doelomschrijving de belangrijkste werkzaamheden van de onderneming(en) van de vennootschap duidelijk moesten worden vermeld, maar de doelomschrijving voor het overige algemeen mocht zijn.
Van Solinge & Nieuwe Weme betogen dat met de afschaffing van de Departementale Richtlijnen voor de doelomschrijving geen beperkingen meer gelden, zodat deze zeer ruim kan zijn. Vermelding van de belangrijkste werkzaamheden ligt voor de hand, maar is niet langer noodzakelijk, zie Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/57.
Vgl. Handboek 2013, nr. 78.1; zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 15 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1255, AR 2017, 1421, waarin de rechtbank het standpunt van de wederpartij van de vennootschap volgt en overweegt dat het aantrekken van leningen en het afdekken van het renterisico op die leningen binnen de statutaire doelstelling vallen daar de vennootschap als special purpose vehicle voor de bouw van een nieuw bedrijfspand was opgericht.
Vgl. Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997/74 over de normatieve betekenis van het doel; zie voor een voorbeeld Rb. Amsterdam 8 januari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:58, RO 2015, 23 waarin het doel van de stichting het toetsingskader voor het bestuurlijk handelen beïnvloedt.
HR 14 april 1927, NJ 1927, p. 1220, m.nt. Meijers (Tweede Hollandsche Herverzekeringmaatschappij/Nederlandsche Handelsmaatschappij); vgl. Groenewald 2001, p. 151.
HR 7 februari 1992, NJ 1992, 438, m.nt. Maeijer (Astro); HR 16 oktober 1992, NJ 1993, 98, m.nt. Maeijer (Westland/Utrecht Hypotheekbank); zie kritisch Groenewald 2001, p. 155-159.
HR 20 september 1996, NJ 1997, 149 (Playland), ook hierover kritisch Groenewald 2001, p. 159-160.
Zie ook Belder 2004, p. 42, die de interne werking van het statutaire doel mijns inziens onterecht beperkt tot de door het bestuur uit te oefenen bevoegdheden; ook Groenewald 2001, p. 2 beperkt zich tot het bestuur.
Zie bijvoorbeeld Rb. Midden-Nederland 21 februari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:688. In deze kwestie bepaalden de statuten dat de bestuurder goedkeuring nodig had voor uitgaven boven € 25.000,-, welke verplichting ook in de aandeelhoudersovereenkomst – die de bestuurder mede ondertekende – en impliciet ook in de managementovereenkomst was vastgelegd. Uit deze drievoudige vastlegging blijkt reeds het belang van deze goedkeuringsbepaling. Niettemin handelde de bestuurder in strijd met deze bepalingen en informeerde de aandeelhouder ook lange tijd na het aangaan van de verplichting niet. De schending van deze bepalingen levert volgens de rechtbank (terecht) een zwaarwegende omstandigheid op die in beginsel het onrechtmatig handelen en de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt (art. 2:9 jo. 2:11 BW). Temeer nu de statuten met de bepalingen rond afstemming en benodigde goedkeuring beogen de belangen van de vennootschap, waaronder het voorkomen van financiële risico’s, te beschermen.
Vgl. Bartman e.a. 2016, p. 224.
Bartman e.a. 2016, p. 225-231, verwijzend naar o.m. HR 18 april 2003, JOR 2003, 160, m.nt. Bartman (Rivier De Lek c.s.-Van Wetering), HR 13 juli 2012, NJ 2012, 447, JOR 2012, 306, m.nt. Bergervoet (Janssen q.q./JVS Beheer) en HR 1 maart 2013, JOR 2013, 195, m.nt. Tekstra (X/Staatssecretaris van Financiën); zie voor een toepassing Rb. Rotterdam 26 juni 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:5310.
Bartman e.a. 2016, p. 231-235.
Vgl. HR 26 oktober 2001, NJ 2002, 94 (Juno); vgl. ook Jager in zijn noot onder Rb. Amsterdam 10 december 2003, Ondernemingsrecht 2004, 233, m.nt. Jager.
Vgl. Van Schilfgaarde 2017, nr. 58.
Zie Van Olffen 1989, p. 259; Viöter & Speyart 2016, p. 47-64.
De hiervoor bedoelde kleuring van het vennootschappelijk belang in de statuten, moet worden onderscheiden van het doel van de vennootschap. Het doel van de vennootschap neemt een eigen plaats in als het gaat om de verhouding tot een instructie. Hiervoor heb ik de verwezenlijking van het doel van de vennootschap aangeduid als een primaire bestuurstaak en het doel als zodanig als de nederlegging van wat in essentie de bestaansreden en de werkzaamheid van de vennootschap is. Het statutaire doel vertelt ons niet de typologische gerichtheid van de vennootschap, die voor de kapitaalvennootschap wordt omschreven als het behalen van vermogensrechtelijk voordeel voor de aandeelhouders.1 Hoewel men doelomschrijvingen ruim pleegt te omschrijven,2 blijkt daaruit juist het voorwerp van de onderneming. Uit het statutaire doel spreken dus de (voornaamste) reden(en) voor de oprichting van de vennootschap en haar belangrijkste werkzaamheden.3 De aard van de rechtspersoon en diens statutaire inrichting zijn medebepalend voor de inhoud ervan.4
Het statutaire doel is, zoals gezegd, een belangrijke richtsnoer voor het bestuurlijk handelen.5 Doeloverschrijding leidt ingevolge artikel 2:7 BW tot vernietigbaarheid van een rechtshandeling, levert in de regel een wanprestatie van het bestuur jegens de vennootschap op, kan leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid en kan aanleiding vormen voor een enquêteprocedure. Ter afbakening van de bestuursfunctie en -taken verdient het mijns inziens aanbeveling om bij de oprichting, dan wel bij een ingrijpende koerswijziging, het statutaire doel zodanig te formuleren dat dit richtsnoer ook daadwerkelijk enig houvast biedt voor het bepalen van de werkzaamheid van de vennootschap.
Hierbij dienen wel enkele kanttekeningen te worden geplaatst. Ten eerste vallen onder het statutaire doel óók secundaire handelingen: handelingen die naar gebruik of redelijkerwijze uit het doel voortvloeien en daarmee samenhangen ook al zijn deze niet expliciet in de doelomschrijving vermeld.6 Ten tweede blijkt uit de arresten Astro en Westland/Utrecht Hypotheekbank dat bij de beantwoording van de vraag of door een bepaalde rechtshandeling het doel van de rechtspersoon is overschreden, alle omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, en de wijze waarop het doel in de statuten van de rechtspersoon is omschreven daarvoor niet alleen beslissend is.7 In Astro overwoog de Hoge Raad bovendien dat tot de in aanmerking te nemen omstandigheden in voorkomende gevallen ook concernverhoudingen kunnen worden gerekend. Ten derde volgt uit het Playland-arrest dat met name in aanmerking moet worden genomen of het belang van de vennootschap is gediend met de betrokken rechtshandeling.8 Tegen deze achtergrond zou ik de rol van het statutaire doel in geval van instructies willen bezien. Bij de benadering van het statutaire doel kan een onderscheid worden gemaakt tussen de interne en de externe werking. De interne werking ziet op het afbakenen van de uitoefening van bevoegdheden door de vennootschapsorganen, terwijl externe werking betrekking heeft op wederpartijen van de vennootschap.9 Daar de instructiebevoegdheid slechts aan organen van de vennootschap kan worden toegekend, beperk ik mij tot de interne werking.
Het statutaire doel vereist interpretatie, nu niet alleen de daarin uitdrukkelijk verwoorde werkzaamheid van de vennootschap het doel afbakent, maar ook rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat (i) ruime doelomschrijvingen het speelveld van de vennootschap en haar organisatie vergroten en (ii) de gewoonte en redelijkheid en billijkheid met zich kunnen brengen dat ook niet uitdrukkelijk verwoorde handelingen onder het statutaire doel van de vennootschap moeten worden geschaard. De inhoud van het statutaire doel is, evenals het vennootschapsbelang, de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW en de beoordeling van de vraag of er sprake is van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. In groepsverband heeft verder te gelden dat de concernverhouding een factor van betekenis kan zijn bij het bepalen van de inhoud van het statutaire doel, terwijl in algemene zin ook het vennootschapsbelang meespeelt. Tegelijkertijd meen ik dat het doel van de vennootschap een zekere uitwerking heeft op de inhoud van het vennootschapsbelang en de door artikel 2:8 BW gevorderde redelijkheid en billijkheid. Er is dan ook sprake van communicerende vaten. Dit impliceert mijns inziens dat de interne werking van het statutaire doel zich niet slechts beperkt tot een afbakening van de bevoegdheidsuitoefening door bestuurders, maar (ten minste) ook de bevoegdheidsuitoefening door andere vennootschapsorganen beïnvloedt. Voor de interne werking zou ik verder willen aannemen dat ook een aandeelhoudersovereenkomst mede van invloed kan zijn voor de uitleg van het statutaire doel, nu daaruit veelal de aard en inhoud van de beoogde samenwerking (beter) kan worden gekend en daarmee de aanvankelijke aanleiding en motivatie voor de oprichting of, zo men wil, het bestaan van de vennootschap.10
Het leerstuk van doeloverschrijding komt in de rechtspraak vooral aan bod in geschillen waarin dochtervennootschappen in verband met de concernfinanciering aansprakelijkheid hebben aanvaard.11 Ik plaats de rol van het statutaire doel bij de beoordeling van een instructie en de weigering om deze op te volgen, daarom in de sleutel van dergelijke casus. In deze kwesties wordt de vraag aan de orde gesteld of de aanvaarding van aansprakelijkheid voor schulden van groepsvennootschappen of het concern als geheel, een overschrijding van het doel van de desbetreffende vennootschap met zich brengt. De beantwoording van deze vraag geschiedt veelal in samenhang met de uitleg van het vennootschapsbelang van de betreffende dochter. Bartman heeft overtuigend betoogd dat thans moet worden aangenomen dat zekerheidsstelling ten behoeve van een concerngenoot in beginsel geacht moet worden het vennootschappelijk belang te dienen vanwege het indirect profijt dat daaruit doorgaans voortvloeit.12 Bovendien zou het aannemen van een doeloverschrijdende handeling in geval van concernfinanciering niet snel mogen worden aangenomen, met name niet wanneer de financiering op basis van wederkerigheid wordt aangegaan. Daarmee bestaat, aldus nog steeds Bartman, een realistische kijk op het concern en de daaraan inherente, wederzijdse afhankelijkheid, met alle voor- en nadelen van dien.13
Hoewel ik deze opvatting als uitgangspunt onderschrijf, kan het concernbelang mijns inziens niet vergen dat het individuele vennootschapsbelang buiten spel komt te staan.14 In lijn daarmee kan ook het doel van de vennootschap niet (mede) inhouden dat het concernbelang doorslaggevend is, althans dat de dochtervennootschap steeds en zonder voorwaarden gehouden kan zijn om voor de schulden van groepsvennootschappen of het concern aansprakelijkheid te aanvaarden.15 Dit kan volgens mij mede worden afgeleid uit het feit dat het doel van de vennootschap evenzeer relevant is voor haar wederpartijen, wier bescherming immers evenzeer is beoogd met het bepaalde in artikel 2:7 BW.16 Aldus kan het doel van de vennootschap eraan in de weg staan dat het bestuur van een dochtervennootschap wordt geïnstrueerd om onvoorwaardelijk en onbeperkt aansprakelijkheid te aanvaarden voor de schulden van groepsmaatschappijen. Instructies kunnen dan ook door het bestuur terzijde worden gesteld afhankelijk van het doel van de dochtervennootschap en de invloed daarvan op het belang van de vennootschap.