Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.4.5
8.4.5 Een causaal recht bij eigendomsvoorbehoud
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400841:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Scheltema 2003, p. 301 lijkt dit als een bezwaar te zien van het huidige stelsel, omdat hierdoor ‘het nieuwe goederenrecht een nog sterkere verbintenisrechtelijke flexibiliteit verkrijgt.’ Voor een stelsel met terugwerkende kracht – zoals door hem bepleit – geldt echter niets anders, zij het dat het probleem op fictionele wijze wordt weggepoetst.
Vgl. Raiser 1961, p. 44: ‘Sie ergibt sich beim Vorbehaltskauf aus dem Inhalt der Bedingung.’
Vanwege de relatie tussen de voorwaarde en de koopovereenkomst is, anders dan Rank-Berenschot 1992, p. 229 meent, wel degelijke sprake van een ‘eigendomsrecht met obligatoire aspecten’.
Ogenschijnlijk anders: Scheltema 2017, p. 102 die ruimte lijkt te zien voor betaling na ontbinding, maar uiteindelijk toch een stilzwijgende afspraak lijkt aan te nemen dat de betaling voor ontbinding dient plaats te vinden. Daarbij gaat hij eraan voorbij dat betaling na ontbinding niet meer mogelijk is, omdat er dan geen rechtsgrond meer bestaat voor de betaling.
Raiser 1961, p. 62-63, Serick 1963, p. 247, Gernhuber 1981, p. 35-36, Larenz 1986, p. 115, Baur/Baur & Stürner 2009, p. 828 en p. 837, Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 364, , Staudinger/ Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 85, MünchKomm-BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 40, MünchKomm-BGB/Oechsler 2017, § 929 BGB, Rn. 19, Rongen 2017, p. 225 en Schuijling 2017, p. 25. Vgl. Stolz 2015, p. 911. Zie voor Oostenrijk Frotz 1970, p. 73, Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 589 en Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 72.
Serick 1966, p. 131.
Flume 1962, p. 388, Serick 1966, p. 130, Schwerdtner 1980, p. 663 en Harke 2006, p. 388.
Zie voor de verhouding van een dergelijke afspraak tot art. 3:83 lid 1 BW hierna in paragraaf 8.9.1.
Raiser 1961, p. 31.
Vgl. Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 589.
Raiser 1961, p. 63, Serick 1963, p. 247 en p. 250, Serick 1966, p. 131 en Gernhuber 1981, p. 34-35. Vgl. ook Scheltema 2003, p. 365. Zie uitgebreid over het verschil tussen causaalheid en afhankelijkheid Stadler 1996, p. 18-20 en p. 100-101, die opmerkt dat afhankelijkheid een relatie beschrijft tussen een hoofdrecht en een daarvan afhankelijk recht, terwijl causaalheid een relatie aangeeft tussen het recht en de aan de schepping of overdracht van dat recht ten grondslag liggende causa. Zo is een pandrecht afhankelijk van het bestaan van de vordering waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekt. Deze vordering is echter niet de causa van het pandrecht; dat is immers de titel die tot verpanding verplichtte.
Zo met name Serick 1963, p. 246-247 en Serick 1966, p. 129-120 die om die reden spreekt van een ‘schuldrechtlich-dingliches Recht’.
Weitnauer 1965, p. 141, Stoll 1966, p. 241-242, Koziol 1968, p. 498-499, Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 565 en Stadler 1996, p. 101. Zie ook de repliek van Serick 1966, p. 131.
Marotzke 1986, p. 510-512, Minthe 1998, p. 53-71, Rinke 1998, p. 116-140, HKK-BGB/Finkenauer 2003, §§ 158-163 BGB, Rn. 31, Wieling 2006, p. 797-798 en Bülow 2012, p. 250. Van belang is op te merken dat deze discussie naar Duits recht, juist vanwege het abstracte stelsel van eigendomsoverdracht verder strekt dan hetgeen hier voor het Nederlandse recht over het causale eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde is betoogd. Zo betekent een kausalunabhängige vormgeving van het Anwartschaftsrecht naar Duits recht onder andere ook dat een eigendomsvoorbehoud tot stand kan komen wanneer de koopovereenkomst nietig is. Dat lijkt een merkwaardige constatering, omdat er bij gebreke van een geldige koopovereenkomst ook geen verschuldigde tegenprestatie is, die de koper zou kunnen voldoen om de voorwaarde in vervulling te doen gaan. Er is derhalve sprake van een onmogelijke voorwaarde. Door de heersende leer wordt deze mogelijkheid dan ook verworpen: voor de totstandkoming van een voorwaardelijke overdracht bij een eigendomsvoorbehoud is een geldige koopovereenkomst vereist. Zie hiervoor in voetnoot 190 en 193. Een ander deel van de literatuur neemt daarentegen aan dat in een dergelijk geval wel degelijk een overdracht onder eigendomsvoorbehoud tot stand komt, omdat de voorwaarde niet zou inhouden dat sprake is van een geldige koopprijsvordering. In deze visie leidt betaling van simpel- weg een bedrag dat in omvang correspondeert met de (weliswaar nietig) overeengekomen koopprijs, ondanks de nietigheid van de koopovereenkomst, tot eigendomsovergang. Zie bijv. Bülow 2012, p. 250 en (genuanceerd) Flume 1962, p. 388 en Wilhelm 2010, p. 909, voetnoot 3552. Zie voor dit alles uitgebreid Stadler 1996, p. 290-300. Aan deze problematiek zal hierna nog enige aandacht worden besteed bij de vraag naar derdenbescherming bij de overdracht van voorwaardelijke eigendom. Zie hierna in paragraaf 8.9.4.
Zo bijv. Marotzke 1986, p. 512 en Rinke 1998, p. 170 volgens wie de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud leidt tot herroeping van de dingliche Einigung, als gevolg waarvan het Anwartschaftsrecht alsnog tenietgaat.
Zo bijv. Wieling 2006, p. 813 die opmerkt dat de verkoper het Anwartschaftsrecht niet meer ten val kan brengen, indien de koper het recht reeds heeft overgedragen aan een derde, hetgeen volgens hem overeenstemt met de wettelijke regeling: ‘Wer eine Sache veräuûert und vom Kauf zurücktritt, hat die Sache endgültig verloren, wenn der Käufer sie vor dem Rücktritt weiterveräuûert hatte.’ Daarbij miskent Wieling het voorwaardelijk karakter van het Anwartschaftsrecht, de omstandigheid dat de koper niet de zaak, maar het Anwartschaftsrecht heeft vervreemd en dat het eigendomsvoorbehoud juist leidt tot een versteviging van de positie van de verkoper bij ontbinding.
Dat bij elke overdracht onder voorwaarde sprake is van een splitsing van het eigendomsrecht, zonder dat de inhoud van de voorwaarde daarvoor bepalend is, betekent niet dat de vormgeving van de voorwaarde in het geheel niet van belang is. Door middel van de vormgeving van de voorwaarde kan namelijk mede invloed worden uitgeoefend op het karakter en de modaliteiten van het voorwaardelijk eigendomsrecht.1 Bij het eigendomsvoorbehoud leidt de vormgeving van de voorwaardelijke overdracht tot een bijzondere karaktertrek van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde.2 Zoals in hoofdstuk 2 is gebleken, schept het eigendomsvoorbehoud een verstrengeling van de wederzijdse verplichtingen uit de koopovereenkomst: de verkoper komt slechts diens verplichting tot eigendomsverschaffing na als de koper de verschuldigde prestatie voldoet, terwijl voldoening van de verschuldigde prestatie door de koper ook automatisch leidt tot nakoming van de verplichtingen van de verkoper. Deze verstrengeling van de verbintenisrechtelijke verplichtingen werkt door in het goederenrecht, doordat de overdracht afhankelijk wordt gesteld van de voldoening van de verschuldigde tegenprestatie. Door de werking van artikel 3:84 lid 4 BW is ook het eigendomsrecht van de koper afhankelijk van dezelfde voorwaarde.
Het eigendomsvoorbehoud schept aldus een bijzondere verhouding van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde tot de koopovereenkomst.3 Men zou in dat verband kunnen spreken van een causaal eigendomsrecht, doordat de aan de overdracht ten grondslag liggende overeenkomst in vergaande mate invloed uitoefent op het voortbestaan van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde.4 Omdat de gevolgen van de overdracht via de voorwaarde onlosmakelijk zijn verbonden met het lot van de koopovereenkomst, strekt deze verhouding tussen de koopovereenkomst en de overdracht veel verder dan gewoonlijk op grond van het causale stelsel van overdracht het geval is.
Duidelijk wordt dit bij de ontbinding van de koopovereenkomst, die partijen bevrijdt van de daardoor getroffen verbintenissen (art. 6:271 BW). Omdat de koper door de ontbinding niet alleen niet meer verplicht is de koopprijs te voldoen, maar de koopprijs, bij gebreke van een daartoe strekkende verbintenis, ook niet meer kán voldoen, heeft de ontbinding verval van de voorwaarde tot gevolg.5 Vervulling van de voorwaarde – betaling van de verschuldigde tegenprestatie – is door de ontbinding immers niet meer mogelijk. Als gevolg van het vervallen van de voorwaarde vervalt ook – en daar is het hier om te doen – het voorwaardelijk eigendomsrecht van de koper.6 De ontbinding van de koopovereenkomst heeft, anders dan gewoonlijk het geval heeft, daarmee goederenrechtelijke gevolgen, doordat de ontbinding bewerkstelligt dat het voorwaardelijk eigendomsrecht ‘zusammenbricht’.7 Terwijl normaal gesproken in het causale stelsel van over- dracht (het bestaan van) de koopovereenkomst slechts gevolgen heeft voor het tot stand komen van de overdracht, bewerkstelligt de lotsverbondenheid tussen koopovereenkomst en voorwaarde bij het eigendomsvoorbehoud dat ook het voortbestaan van de gevolgen van de overdracht, namelijk het voortbestaan van het voorwaardelijk eigendomsrecht, afhankelijk is van het voortbestaan van de koopovereenkomst. Dit alles is het gevolg van het feit dat de voorwaarde bij een eigendomsvoorbehoud bestaat uit de (mogelijkheid van) voldoening van de contractuele verplichting.8
Ondanks het goederenrechtelijk karakter van het voorwaardelijk eigendomsrecht van de koper, wordt dit recht derhalve gekenmerkt door een verbintenisrechtelijke zwakte, die goederenrechtelijke rechten normaal gesproken vreemd is. Wanneer normaliter namelijk eenmaal de overeenkomst die tot overdracht verplicht tot stand is gekomen en aan die verplichting uitvoering wordt gegeven, is de rol van de overeenkomst vervolgens immers uitgespeeld. Slechts door middel van een fictie inhoudende dat de overeenkomst geacht wordt nooit tot stand te zijn gekomen (art. 3:53 BW) wordt aan die consequentie ontkomen. Het belang van deze kwalificatie van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde als causaal recht kan welhaast niet worden overschat. Het is geenszins enkel een dogmatische kwalificatie, omdat dit causale karakter in vele opzichten nader gestalte geeft aan het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Aangezien ontbinding van de koopovereenkomst verval van het voorwaardelijk eigendomsrecht tot gevolg heeft, hebben tussen verkoper en koper getroffen afspraken direct hun uitwerking op het voortbestaan van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Is tussen verkoper en koper bijvoorbeeld overeengekomen dat de koper zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde niet mag vervreemden, dan heeft een zodanige afspraak weliswaar als zodanig geen goederenrechtelijke werking (art. 3:83 lid 1 BW), maar niet-nakoming van die verplichting leidt wel tot een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, op grond waarvan de verkoper in beginsel tot ontbinding kan overgaan.9 Door de ontbinding vervalt het voorwaardelijk eigendomsrecht, ook als dat recht inmiddels aan een derde toebehoort.10 Het causale karakter van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde heeft daarmee tot gevolg dat derden – op goederenrechtelijk niveau – geconfronteerd kunnen worden met de verbintenisrechtelijke afspraken tussen verkoper en koper. Die constatering is vooral van belang in de situatie dat de koper zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde heeft overgedragen aan een derde.11
De hierboven geschetste afhankelijkheid tussen koopovereenkomst en het voorwaardelijk eigendomsrecht vertoont een zekere gelijkenis met de afhankelijkheid die bestaat tussen het pandrecht en de door het pandrecht gezekerde vordering. Zij doet het voorwaardelijk eigendomsrecht bovendien enigszins lijken op een vorderingsrecht, waarvoor immers ook geldt dat ontbinding van de koopovereenkomst die de vordering in het leven heeft geroepen, bewerkstelligt dat de vordering tenietgaat. Toch verschilt de afhankelijkheid bij het voorwaardelijk eigendomsrecht van de afhankelijkheid van het pandrecht van de gezekerde vordering en de afhankelijkheid van een vordering van de aan de vordering ten grondslag liggende overeenkomst.12 Dat geldt niet alleen voor de theoretische oorsprong van de afhankelijkheid, maar ook voor de praktische consequenties. De afhankelijkheid heeft alleen consequenties voor het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde indien het verval van de verplichting tot betaling van de koopprijs leidt tot verval van de voorwaarde. Gaat de verplichting tot betaling van de verschuldigde prestatie namelijk teniet doordat de koper de verschuldigde prestatie voldoet, dan gaat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde vanzelfsprekend niet teniet, maar gaat veeleer door de vervulling van de voorwaarde ook het voorwaardelijk eigendomsrecht ‘in vervulling’, doordat het uitgroeit tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht en derhalve volledige werking verkrijgt. Omdat het recht op dat moment zijn voorwaardelijke karakter verliest, gaat ook de causale afhankelijkheidsrelatie verloren.
Naar Duits recht wordt door sommigen wel betoogd dat de Kausalabhängigkeit van het Anwartschaftsrecht in de weg zou staan aan de kwalificatie van het Anwartschaftsrecht als goederenrechtelijk recht, omdat goederenrechtelijke rechten naar Duits recht, vanwege het Abstraktionsprinzip, normaal gesproken abstrakt zijn vormgegeven, in die zin dat de rechten geen invloed ondervinden van het (voort)bestaan van de tot overdracht verplichtende overeenkomst.13 Bij het eigendomsvoorbehoud worden de gevolgen van de overdracht daarentegen mede bepaald door het voortbestaan van de tot overdracht verplichtende overeenkomst, omdat de aan de goederenrechtelijke overeenkomst verbonden voorwaarde en de mogelijkheid van vervulling van die voorwaarde afhankelijk is van het voortbestaan van de koopovereenkomst. Het overeenkomen van een eigendomsvoorbehoud bewerkstelligt daarmee een doorbreking van het Abstraktionsprinzip. Dat het Anwartschaftsrecht om die reden echter geen goederenrechtelijk zou kunnen zijn, overtuigt – ook voor het Duitse recht – niet.14 Het feit dat het voortbestaan of toebehoren van een recht wordt beïnvloed door het wegvallen van de overeenkomst die heeft geleid tot het vestigen of overdragen van het desbetreffende recht, maakt niet dat niet meer van een goederenrechtelijk recht kan worden gesproken, zoals het Nederlandse causale stelsel van overdracht aantoont. Dat geldt evenzeer voor een abstract stelsel voor overdracht. Wanneer partijen naar Duits recht namelijk de rechtsgelijkheid van de tot overdracht verplichtende overeenkomst als voorwaarde verbinden aan de goederenrechtelijke overeenkomst – hetgeen mogelijk is – wordt de abstracte overdracht causaal.15 Indien de tot overdracht verplichtende overeenkomst rechtsgeldig is, leidt de overdracht tot eigendomsovergang. Niet goed laat zich volhouden dat dit eigendomsrecht geen goederenrechtelijk recht meer zou zijn, omdat de rechtsgeldigheid van de tot overdracht verplichtende koopovereenkomst als voorwaarde voor de overdracht is gesteld door partijen.
In de recente Duitse literatuur is door een aantal auteurs betoogd dat het Anwartschaftsrecht vanwege het Abstraktionsprinzip in het geheel niet causaal zou zijn.16 Een zodanige abstracte vormgeving van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde of het Duitse Anwartschaftsrecht is echter gedoemd te mislukken, omdat dit causale element noodzakelijkerwijs besloten ligt in het eigendomsvoorbehoud. Kenmerkend aan het eigendomsvoorbehoud is namelijk een koppeling van de werking van de overdracht aan de voldoening van de uit de overeenkomst voortvloeiende tegenprestatie. De functie van het eigendomsvoorbehoud is gelegen in het feit dat de verkoper bij ontbinding van de koopovereenkomst op goederenrechtelijke wijze het object van zijn eigen prestatieplicht kan terugvorderen. Wanneer men bij een abstracte vormgeving van het Anwartschaftsrecht of eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde recht wil blijven doen aan deze functie, is men uiteindelijk genoodzaakt alsnog aan te nemen dat derden geconfronteerd kunnen worden met de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, die leidt tot tenietgaan van het Anwartschaftsrecht.17 Als men de abstracte vormgeving van het Anwartschaftsrecht daarentegen tot in de uiterste consequentie zou doorvoeren, wordt de functie van het eigendomsvoorbehoud geweld aangedaan, omdat de verkoper niet op goederenrechtelijke wijze zou kunnen bewerkstelligen dat hij weer onvoorwaardelijk eigenaar wordt, nu hij het Anwartschaftsrecht niet ten val zou kunnen brengen.18