Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/2.3
2.3 Artikel 3:277 lid 1 BW
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686212:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze regel wordt wel beschouwd als de tweede hoofdregel van het verhaalsrecht.
Tenzij er sprake is van een door de wet erkende reden van voorrang.
Paritas creditorum betekent letterlijk: gelijkheid van schuldeisers.
Asser-Van Mierlo & Krzeminski 2020/6, Fesevur 2017, p. 4; Vriesendorp 2013, p. 7; Wessels 2009, p. 3; Hartkamp 2005, p. 184, Hijma & Olthof 2005, p. 182, Rank-Berenschot 1993, p. 103, Verstijlen 1998, p. 15-18 en Boekraad 1997, p. 5.
Van Zeben, Du Pon & Olthof 1981a, p. 856 (Toelichting Meijers). Rechtens geldt derhalve in dit verband niet de regel: “wie het eerst komt, die het eerst maalt.”
Er zijn ook andere achterstellingen die de rang van de vordering verlagen zoals bijvoorbeeld de wettelijke achterstellingen van legaten. Vgl. Pannevis 2019, p. 17. Zie nader over de achterstellingen: paragraaf 2.6.
Zie Schilfgaarde 2016, p. 73.
In de wiskunde wordt de evenredigheid beschouwd als de rekenkundige of algebraïsche vorm die de gelijkheid van twee of meer verhoudingen voorstelt (bijvoorbeeld 2:3 = 4:6; a:b = c:d). Aldus Van Dale 1999, p. 923. Zo bezien is er bij evenredigheid ook een aspect van gelijkheid te ontwaren. Een vorm van relatieve gelijkheid.
Artikel 3:277 lid 1 BW luidt als volgt: “Schuldeisers hebben onderling een gelijk recht om, na voldoening van de kosten van de executie, uit de (netto-) opbrengst van de goederen van hun schuldenaar te worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang”.1Artikel 3:277 BW lid 1 heeft betrekking op de onderlinge verhouding van de schuldeisers van de schuldenaar bij de verdeling van de executie-opbrengst. Schuldeisers hebben bij deze verdeling onderling in beginsel2 een gelijk recht om te worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering. Dit uitgangspunt wordt in de literatuur en de rechtspraak aangeduid als de paritas creditorum3 of als de gelijkheid van schuldeisers.4
De woorden “gelijk recht” in de wettekst geven aan dat de vorderingen van de schuldeisers in beginsel bij de verdeling een gelijke rang hebben. In de Parlementaire Geschiedenis wordt bij artikel 3:277 BW opgemerkt: “de schuldeisers hebben in beginsel een gelijke rang. Dit betekent dat “noch de datum van de vordering noch het beslag voorrang geeft”.5 Anciënniteit wat betreft het ontstaansmoment van de vordering of wat betreft de vraag of al dan niet door een schuldeiser tot beslaglegging is overgegaan, heeft niet tot gevolg dat een vordering van een schuldeiser een hogere rang heeft bij de verdeling. Die gelijke rang geeft een aanspraak op een voldoening naar evenredigheid van ieders vordering. Daarop hebben de schuldeisers onderling een gelijk recht.
De gelijke rang van de schuldeisers heeft (uitsluitend) betrekking op het verhaalsrecht, niet op het persoonlijke recht. De rang die een schuldeiser heeft is daarom pas relevant in het kader van de verdeling van de opbrengst. Daarnaast is deze rang uitsluitend van belang in de onderlinge verhouding tussen schuldeisers. Daarbuiten komt aan een hogere of een lagere rang geen betekenis toe. Qua rang kunnen vorderingen concurrent zijn (op basis van het uitgangspunt van artikel 3:277 lid 1 BW) of preferent (op basis van artikel 3:281 lid 1 BW) of achtergesteld (bijvoorbeeld6 op basis van artikel 3:277 lid 2 BW).
Wat betreft de verdelingsmaatstaf die wordt gehanteerd in artikel 3:277 lid 1 BW (te weten de voldoening naar evenredigheid van ieders vordering), valt het volgende op. Er vindt geen verdeling plaats op basis van (volkomen) gelijkheid, maar op basis van evenredigheid. Het verschil tussen deze twee maatstaven wordt met het volgende voorbeeld duidelijk gemaakt. Neem een schuldenaar die twee schuldeisers heeft met een vordering van € 100.000,00 respectievelijk € 50.000,00. Stel voorts dat in een concursus creditorum waarbij deze twee schuldeisers betrokken zijn, een opbrengst wordt gerealiseerd van € 20.000,00. Bij een volstrekt gelijke verdeling van de opbrengst zou iedere schuldeiser € 10.000,00 ontvangen. Bij een pro rata verdeling ontvangt echter de eerste schuldeiser een bedrag van € 13.333,33 en de tweede schuldeiser een bedrag van € 6.666,67.
De gelijkheid waaraan de term “paritas creditorum” refereert, is in die zin misleidend (evenredigheidsregel zou vanuit dit perspectief bezien beter aansluiten bij de inhoud van de regel). Het gelijke recht van schuldeisers leidt immers niet tot een gelijke aanspraak bij de verdeling. Evenredigheid is het alternatief dat juist opdoemt zodra er geen sprake is van gelijke gevallen.7 Juist vanwege de ongelijkheid in vorderingsrechten kan een gelijke betaling als onbillijk worden ervaren en wordt gekozen voor een evenredige verdeling.8
De conclusie is dat de paritas creditorum inhoudt: de in artikel 3:277 lid 1 BW neergelegde hoofdregel bij de verdeling van de netto-executieopbrengst dat een schuldeiser een gelijk recht heeft op betaling naar evenredigheid van zijn vordering. De paritas creditorum heeft hierbij enerzijds betrekking op gelijkheid (de gelijke concurrente rang van de schuldeiser), maar anderzijds ook op evenredigheid (recht op voldoening naar evenredigheid van ieders vordering).