Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/2.1
2.1 Persoonlijke rechten
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686117:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zowel onder het oud BW als onder het huidige BW is het opstellen van een definitie aan de wetenschap overgelaten. Zie Van Zeben Du Pon & Olthof 1981b, p. 37.
Vgl. Asser/Sieburgh 2020/6 en Rank-Berenschot 1992, p. 101. Een ruimere definitie van het begrip verbintenis geeft Suijling 1934/9, p. 8. Planiol maakt – in het kader van de afbakening van de rechtswetenschappen versus de overige wetenschappen - van het begrip verbintenis een sjibbolet: “Tous les rapports qui existent entre les hommes, du moins tous ceux que les lois régissent, se ramènent à l’idée d’obligation : aucune question d’ordre juridique ne peut se concevoir en dehors de cette idée ; là où il n’y a pas obligation, le droit n’a rien à voir, le juriste n’a qu’à se taire ; ce peut être une question d’art, de morale ou d’économie politique, ce n’est pas une question de droit“, aldus Planiol 1917, p. VII.
Uit een verbintenis vloeit altijd een verplichting voort. Omgekeerde geldt niet dat iedere verplichting is ontstaan door een verbintenis. Zo rusten er op elke burger algemene rechtsplichten (gij zult niet stelen, andermans eigendom vernielen, de verkeersregels als weggebruiker schenden, etc.). Dergelijke algemene rechtsplichten leveren wel een verplichting op, maar zijn geen verbintenissen. Zie Asser/Sieburgh 2020/8 met verdere verwijzing naar literatuur. Alleen bij die rechtsplichten waarmee een subjectief vermogensrecht correspondeert van de schuldeiser wordt gesproken van verbintenissen, aldus Van Zeben Du Pon & Olthof 1981b, p. 38.
Die passieve zijde van de rechtsverhouding wordt ook wel aangeduid als verbintenis (zie bijvoorbeeld de artikelen 6:30, 6:52 en 6:74 BW). Met het begrip “verbintenis” kan derhalve zowel worden bedoeld de rechtsbetrekking tussen partijen (zie artikel 6:1 BW en de hiervoor gegeven definitie) alsmede de passieve zijde van de rechtsverhouding. Het begrip verbintenis zal door mij uitsluitend worden gebruikt in de zin van artikel 6:1 BW.
Artikel 6:1 BW sluit aan bij artikel 1269 BW (oud) zoals uitgelegd in het arrest HR 30 januari 1959, NJ 1959/548 (Quint/Te Poel). Zoals in dit arrest, onder oud BW, de Hoge Raad een ruime uitleg aan de woorden “uit de wet” heeft gegeven, zo geldt dit ook voor het huidige artikel 6:1 BW Het is hierbij niet nodig dat elke verbintenis rechtstreeks op enig wetsartikel steunt. Wel moet in gevallen die niet expliciet in de wet zijn geregeld, de oplossing worden aanvaard die in het stelsel van de wet past en aansluit bij de wel in de wet geregelde gevallen. Zie nader Van Zeben Du Pon & Olthof 1981b, p. 42.
De tegenstelling tussen het persoonlijke en het zakelijke recht vindt haar oorsprong in het vroeg-Romeinse recht. Het onderscheid tussen actiones in rem en actiones in personam ligt eraan ten grondslag, aldus Kaser & Wubbe 1971, p. 34. Zie nader over deze tegenstelling (en over de relativering van dit basale onderscheid) Rank-Berenschot 1992, p. 101 e.v. en Asser/Sieburgh 2020/16-18.
Zie art. 3:296 BW. Wessels I 2018, p. 4, noemt het een centraal beginsel in het Nederlandse vermogensrecht. In gelijke zin Noordam 2008, p. 13.
Alle andere verbintenissen tot een positieve prestatie zijn verbintenissen om te doen (zoals bijvoorbeeld die tot het verrichten van arbeid, artikel 7:610 BW). Onder een prestatie tot een niet-doen worden verbintenissen tot een negatieve prestatie verstaan (een schuldenaar dient bijvoorbeeld iets te dulden). Zie nader Asser-Sieburgh 2020/22 en Stein 2016, p. 20.
Oorspronkelijk werd niet, of niet vanzelfsprekend, “een brug” geslagen tussen een persoonlijk recht en het vermogen van de schuldenaar. Vgl. Asser-Sieburgh 2020/34. Ik geef twee voorbeelden. In het vroeg-Romeins recht (tot circa 250 voor Chr.) vormde de legis actio per manus iniectionem de inleiding tot de executie op de persoon van de schuldenaar. De executant (schuldeiser) bracht de schuldenaar ten overstaan van de praetor door middel van rituele handoplegging en onder het uitspreken van de vastgestelde formule in zijn macht. Indien de schuldenaar vervolgens, hetzij door zelf te betalen, hetzij doordat een derde tot betaling overging, zijn verplichting niet alsnog nakwam kon hij ter dood worden veroordeeld of als slaaf worden verkocht. De verplichting om te presteren werd letterlijk geëxecuteerd op de persoon. Het vermogen van de schuldenaar werd buiten beschouwing gelaten. Zie nader Noordam 2007, p. 127 e.v. en Kaser & Wubbe 1971, p. 384 e.v. Het oudste Franse recht kende geen algemene verhaalsaansprakelijkheid. Zonder toestemming van de schuldenaar was er geen verhaal mogelijk op diens onroerend goed. In dat geval kon alleen verhaal worden gezocht op de persoon door middel van gijzeling of op diens roerende goederen. Nader hierover Koops 2010, p. 163 en 164.
Zie art. 585-600 Rv. Nader hierover Krzeminski 2016, p. 23-24.
Art. 611a-611i Rv. Voor een nadere uiteenzetting over de dwangsom zie: Beekhoven Van den Boezem 2006. Indien een dwangsom wordt verschuldigd en de schuldenaar de verbeurde dwangsom niet voldoet, wordt ook in dat kader van belang of het vermogen van de schuldenaar verhaalsobject is.
Een verbintenis1 is een vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen op grond waarvan de ene persoon, de schuldeiser, tegenover de andere persoon, de schuldenaar, recht heeft op een prestatie en de schuldenaar tot die prestatie verplicht is.2 Uit één en dezelfde verbintenis vloeit dus aan de passieve zijde voort de verplichting3 van de schuldenaar om te presteren4 en aan de actieve zijde het recht van de schuldeiser om die prestatie in ontvangst te nemen. Een verbintenis kan blijkens artikel 6:1 BW slechts ontstaan, indien dit uit de wet voortvloeit.5
Het recht dat voor de schuldeiser voortvloeit uit een verbintenis, wordt ook wel het persoonlijke (of relatieve) recht genoemd. Dit recht is onmiddellijk gericht op de persoon van de schuldenaar die gehouden is de prestatie te verrichten. De tegenhanger van het persoonlijke recht is het zakelijke (of absolute) recht dat niet is gericht op een persoon, maar op een goed. Zakelijke rechten zijn alle rechten op zaken. Deze zijn onder te verdelen in: (1) het eigendomsrecht6 en (2) beperkte rechten op zaken.7 Je zou ook kunnen zeggen: het persoonlijke recht geeft macht over een persoon en het zakelijke recht geeft macht over een goed.8
Een schuldenaar dient een verplichting die voortvloeit uit een verbintenis na te komen.9 Die verplichting kan bestaan uit een prestatie tot een geven, een doen of een niet-doen.10 Onder een prestatie tot een geven wordt verstaan het geven van een goed, waaronder valt het betalen van een geldsom.11 Hierna richt ik mij op de situatie dat een schuldenaar nalaat een verbintenis tot betaling van een geldsom na te komen.
Het is mogelijk dat een schuldenaar geen gevolg geeft aan een sommatie van de schuldeiser om tot betaling over te gaan. De vraag rijst op welke grondslag een schuldeiser zich dan kan verhalen op het vermogen van de schuldenaar. Uit het bestaan van een persoonlijke verplichting om te presteren vloeit op zichzelf niet voort dat de schuldenaar met zijn vermogen instaat voor de prestatie, ingeval hij niet nakomt. Zonder nadere regeling in de wet zou het afdwingen van een prestatie betekenen: het op de persoon vervolgen. Een verbintenis is immers een persoonlijk recht dat zonder nadere wettelijke regeling, geen “macht geeft” over het vermogen van de schuldenaar. Zeer beperkt zijn in het huidige Nederlandse executierecht nog12 dwangmiddelen voorhanden die gericht zijn op de persoon van de schuldenaar: de lijfsdwang (gijzeling)13 en de dwangsom.14 Het gaat er hierbij telkens om dat de schuldenaar, via een door de rechter op te leggen prikkel, gedwongen wordt een prestatie zelf te verrichten. Deze middelen bieden maar beperkt soelaas en slaan in ieder geval geen brug naar het vermogen van de schuldenaar. De grondslag voor een schuldeiser om zich te verhalen op het vermogen van de schuldenaar ligt in het verhaalsrecht, meer in het bijzonder in artikel 3:276 BW. In de volgende paragraaf wordt op dit verhaalsrecht nader ingegaan.