De meerwaarde van meervoud
Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/6.6.2:6.6.2 Stijl en bejegening van partijen
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/6.6.2
6.6.2 Stijl en bejegening van partijen
Documentgegevens:
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174112:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Handleiding regie vanaf de conclusie van antwoord 2009, aantekening 18. Zie ook Ingelse 2010, p. 1963; Ippel & Heeger-Hertter 2006, p. 170-171.
Meijers 1918, p. 143-174, aangehaald in: Verkijk 2010, p. 527.
Zo constateren ook Praagman 2011, p. 17-19; Van der Linden 2008, p. 99; Ippel & Heeger-Hertter 2006, p. 116.
Bruinsma 1995, p. 43-46.
Kamerstukken II 1999-2000, 26.855, nr. 3, p. 51. Voor discussie over de regierol van de rechter, zie Steenberghe & Gerretsen 2013.
Zo stelt ook Hofhuis 2012, p. 185. Zie tevens paragraaf 6.8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Rechters hebben niet alleen grote invloed op de inhoud van een zaak, maar ook op de sfeer. Het maakt uit wie de zaaksrechter is.1 De sfeer heeft weer gevolgen voor de snelheid waarmee een procedure bevredigend kan worden afgerond. Meijers stelde al in 1918 dat een goede en snel functionerende procedure slechts voor een gering deel een zaak van wetgeving is; het is voornamelijk een aangelegenheid van personen en persoonlijke eigenschappen.2
In de geobserveerde zittingen was de toon van de rechters in het algemeen zakelijk en vriendelijk en hun taalgebruik duidelijk. De rechters gebruikten meestal gewone bewoordingen, ver weg van de plechtstatige taal van de conclusies en akten waaruit tijdens de zitting zo nu en dan werd geciteerd. Vrijwel zonder uitzondering straalden de rechters een no-nonsense-houding uit en gingen ze doelgericht te werk. Maar er waren wel stijlverschillen.3 Diverse rechters lieten merken open te staan voor allerhande praktische oplossingen, anderen waren vrijwel alleen gefocust op het zo goed mogelijk in kaart brengen van de toedracht van de zaak. Een enkele rechter permitteerde zich een frivoliteit. De meeste rechters lieten de partijen en hun raadslieden uitspreken; enkelen interrumpeerden regelmatig. Rechters verschilden ook van elkaar in het geduld dat ze opbrachten en in de ruimte die ze aan partijen boden om hun zaak op de gewenste wijze te bepleiten, bijvoorbeeld door een pleidooiachtig betoog tijdens de comparitie al dan niet toe te staan of al dan niet toe te laten dat vanuit het publiek werd gesproken. De meeste voorzitters hielden strak de leiding over de zitting, twee waren wat losjes en één eiste duidelijk een dominante rol op. Het gezag van de voorzitter werd nooit ondermijnd. De fragmenten in de paragrafen 6.4.1-3 kunnen het voorgaande illustreren.
Van oudsher wordt de proceshouding van de burgerlijke rechter lijdelijk genoemd, maar deze kwalificatie doet weinig recht meer aan de wijze waarop de rechter zich de afgelopen decennia heeft gemanifesteerd (zie paragraaf 6.1.1). Zo constateerde ook Bruinsma in zijn onderzoek naar korte gedingen. Daarin introduceerde hij drie ideaaltypen van kortgedingrechters, die hij op grond van hun proceshouding identificeerde als kadi, actieve rechter of sfinx.4 De kadi is regelinggericht: hij stuurt aan op een herstel van de samenwerking tussen partijen of op zijn minst op een ordelijke beëindiging van de relatie. Het juridische gelijk is voor hem van ondergeschikt belang. De actieve rechter en de sfinx daarentegen zijn vonnisgericht, wat wil zeggen dat de behandeling ter zitting dient bij te dragen aan een goede rechterlijke beslissing. De actieve rechter, laat staan de sfinx, zal niet snel uit zichzelf een schikking voorstellen. De kadi en actieve rechter nemen ter zitting een actieve rol aan, terwijl de sfinx juist overwegend passief blijft. De kadi en actieve rechter stellen veel vragen en stellen partijen actief in de gelegenheid hun visie te geven. Op deze wijze moeten de relevante feiten en omstandigheden van de zaak zo goed mogelijk achterhaald worden. De sfinx ziet de procedure als een juridisch geschil. Daar gaat misschien een heel conflict achter schuil, maar hij ziet zichzelf niet als maatschappelijk werker en intervenieert dus alleen in het proces als dat noodzakelijk is ten behoeve van de procedure en de juistheid van de beslissing. De sfinx straalt uit slechts goed te lezen en te luisteren om vervolgens de beslissing te vellen. In figuur 6.2 zijn de drie typen rechters schematisch weergegeven.
Figuur 6.2 Ideaaltypen van rechters
Een regelinggerichte en tevens passieve rechter bestaat niet; vandaar dat het segment rechtsboven leeg blijft. Zoals Bruinsma schreef past geen rechter volledig in een van de drie hokjes, maar ‘bewuste overdrijving van essentiële kenmerken’ heeft een heuristisch doel en kan helpen om de werkelijkheid in kaart te brengen, zij het met grove contouren. Hoewel de typologie bedoeld is om te worden toegepast op een alleensprekende rechter, kunnen ook de voorzitters van de meervoudige kamers op deze manier worden gekarakteriseerd. Voor de bijzitters geldt dat wat minder, omdat zij – nog meer dan de voorzitter – in een meervoudige kamer een andere rol kunnen aannemen dan zij als unus in een enkelvoudige zaak zouden doen. Zo kan een sfinx-opstelling van een bijzitter worden verklaard doordat zijn collega’s zich nadrukkelijk manifesteren en actief trachten partijen tot een vergelijk te bewegen.
Dat gezegd zijnde kan de volgende typering worden gemaakt. In alle zittingen was de rechter met de voorzittersrol de leidende figuur tijdens de zitting. Deze ‘feitelijk voorzitters’ leidden het debat, stelden vragen, vatten samen en bewaarden de orde. Zij kunnen het beste worden getypeerd als actieve rechters: nadrukkelijk op zoek naar de waarheid en gefocust op de beslissing. In één zitting manifesteerde de (formeel en feitelijk) voorzitter zich tevens als kadi, waarbij hij in samenwerking met de jongste rechter probeerde partijen actief tot elkaar te brengen (zie paragraaf 6.4.2). In een andere zaak nam de jongste rechter de rol van kadi op zich door partijen uitdrukkelijk, maar vergeefs, te bewegen tot een schikking. Onder de voorzitters bevonden zich geen werkelijke sfinxen, ook al herinnerde een voorzitter er twee keer aan dat de rechtbank lijdelijk was (zie paragraaf 6.4.2). Het gedrag van de rechters was er in alle zittingen op gericht uiteindelijk een juiste rechterlijke beslissing te kunnen nemen, ook in de zittingen waarin een schikkingspoging werd gedaan, voor het geval die op niets zou uitlopen. Geen van hen benaderde de zaak echter als een louter juridische procedure waarin terughoudendheid van de rechters werd verwacht. De zittingen leken in die zin op enkelvoudige zittingen in civiele zaken die buiten het kader van dit onderzoek zijn bijgewoond: er is geen verschil van betekenis geconstateerd in de actieve wijze waarin de alleensprekende rechter en met name de voorzitter van de meervoudige kamer zich tijdens de zitting manifesteerden. De benaderwijze strookt met de moderne idee van een zitting, waarin de wetgever meer dan vroeger van de rechter een actieve rol verwacht ter bevordering van een doelgerichte en efficiënte beslechting van het geschil.5 De bijzitters hoeven daarbij de actieve proceshouding niet aan de voorzitter van de meervoudige kamer over te laten. Actieve betrokkenheid van alle leden van de meervoudige kamer bij de procedure kan het welslagen van een zaak bevorderen, door te resulteren in een goed vonnis dan wel minnelijke regeling na een als rechtvaardig ervaren procedure.6
De handelwijzen van de rechters hebben voor zover waargenomen bij partijen en hun raadslieden geen wrevel opgeroepen, maar dezen raakten soms wel zichtbaar ontstemd door elkaars gedrag. Dat gebeurde bijvoorbeeld toen de ene advocaat de ander onderbrak tijdens zijn eerste spreektermijn. De voorzitter gaf het woord meteen terug aan de spreker, maar de geïnterrumpeerde advocaat deed toch zijn beklag:
Advocaat: ‘Dit gaat wel allemaal van mijn tijd af neem ik aan?’
Voorzitter: ‘We gaan niet zitten muggenziften!’
Bij de sluiting van een comparitie kon een advocaat zijn boosheid over een ongunstig verloop van de zitting niet voor zich houden:
Advocaat: ‘Nog één opmerking: ‘Onvoldoende weersproken dus als vaststaand aangenomen’, dat wil ik niet in het vonnis terugzien!’ Voorzitter: ‘Ik hoor het u zeggen. Wordt genoteerd. Ik sluit de zitting.’
Het kwam met enige regelmaat voor dat partijen tijdens de zitting aangedaan raakten. Dat gebeurde vooral in reactie op een uitlating door de wederpartij of als ze zelf lang aan het woord waren. Als een partij aangeslagen raakte, wijdden de rechters daar geen woorden aan. Vaak was hun respons dan op subtiele wijze de-escalerend. Dat gebeurde bijvoorbeeld toen een procespartij overmand werd door emoties tijdens een bevraging door de voorzitter van de meervoudige kamer, waarop de voorzitter de aandacht verlegde naar diens advocaat.
Ook rechters kunnen zich ergeren. Dat gebeurde bijvoorbeeld toen een telefoon herhaaldelijk afging, raadslieden te lang aan het woord bleven, zij geen antwoord gaven op de vraag of er blijk van gaven het procesrecht niet te beheersen. Als een rechter zich ergerde, was meestal het gedrag van een advocaat en niet een procespartij daarvan de oorzaak. Het volgende voorbeeld is daarop een uitzondering:
Voorzitter tegen eiser: ‘U heeft verklaard dat u niets met bedrijf B te maken had. U hebt het beeld doen ontstaan dat u niet wist wie er voor de aanbesteding zou worden uitgenodigd. Dat blijkt onwaar, want van meet af aan zat u bij alle overleggen.’
Eiser gaat niet op het bezwaar in.
Voorzitter: ‘U pakt mijn punt nog steeds niet. U hebt eerder de rechtbank op het verkeerde been gezet!’
Eiser: ‘Het spijt me dat ik me onzorgvuldig heb uitgedrukt. We hebben bedrijf B gevraagd welke bedrijven er in de markt zijn waarmee we zouden kunnen samenwerken.’
Voorzitter: ‘U wist zelf dat gedaagde een belangrijke speler in de markt was!’
Eiser: ‘Ik kende de markt van ontsluiters niet.’
Voorzitter: ‘U zat er nota bene als voorzitter bij!’