Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.19:9.4.19 Conclusies
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.19
9.4.19 Conclusies
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940464:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de bewijslast ten aanzien van de perifere stellingen moet worden teruggegrepen op de algemene regels van fiscaal bewijsrecht (het beginsel van de redelijke verdeling van de bewijslast). De onschuldpresumptie ziet immers alleen op centrale stellingen. De hoofdregel luidt daarom dat boeteverhogende componenten moeten worden gesteld en bewezen door de inspecteur, terwijl de boeteling de boeteverlagende componenten moet stellen en bewijzen. Ook de subregels van bewijslastverdeling, zoals de regel dat het bewijs geleverd moet worden door de meest gerede partij, zijn op de perifere stellingen van toepassing.
In veel gevallen behoeft de aldus bepaalde bewijslastverdeling toch een nuancering of verbijzondering. In de eerste plaats geldt dat voor een viertal perifere stellingen die in essentie het schuldverband betreffen, te weten AVAS en andere schulduitsluitingsgronden, het pleitbaar standpunt, de rechtvaardigingsgronden en de toerekeningsleer. Deze vier stellingen bestrijden de verwijtbaarheid – een centrale stelling waarvoor de onschuldpresumptie geldt – en vormen dus veeleer stellingen van tegenbewijs (in plaats van zuiver perifere stellingen). Bij vergrijpboetes komen zij immers pas aan de orde nadat de inspecteur de aanwezigheid van opzet of grove schuld ‘beyond reasonable doubt’ heeft bewezen.
Bij verzuimboetes is de bewijslastverdeling afhankelijk van de opvatting over de vraag of de verwijtbaarheid een centrale stelling is of niet. In de opvatting dat het ontbreken van een schuldverband in de delictsomschrijving betekent dat de inspecteur geen bewijs van enige schuld (in de zin van verwijtbaarheid) hoeft te leveren, vormen de betreffende vier stellingen perifere stellingen. Omdat het om boeteverlagende componenten gaat, rust de bewijslast in deze opvatting dan ook geheel op de boeteling. In mijn (andersluidende) opvatting moet bij verzuimboetes als impliciet element in de delictsomschrijving worden ingelezen dat ten minste enige mate van verwijtbaarheid aanwezig moet zijn. Dat impliciete element vormt een centrale stelling, ter zake waarvan de primaire bewijslast op de inspecteur rust. De vier stellingen vormen dan dus tegenbewijs tegen die impliciete, centrale stelling die inspecteur reeds ‘beyond reasonable doubt’ heeft moeten bewijzen. De betreffende stellingen hebben in deze opvatting dezelfde betekenis als bij vergrijpboetes.
Bij verzuimboetes heeft de rechter naar mijn mening bovendien een ambtshalve toetsingsplicht: op basis van het aanwezige procesdossier moet de aanwezigheid van enige verwijtbaarheid worden vastgesteld, ook zonder dat de boeteling daarover een stelling heeft ingenomen. In de jurisprudentie is steun te vinden voor het bestaan van deze ambtshalve toetsingsplicht. Voor wat betreft het pleitbaar standpunt geldt nog een bijzonderheid, aangezien de objectieve toets van de pleitbaarheid een rechtsoordeel is, dat de rechter ambtshalve geeft. Daaruit volgt dat de boeteling hooguit een stelplicht heeft, waarna de rechter zelfstandig moet onderzoeken of er voor de uitleg van het recht die de boeteling voorstaat, voldoende juridische argumenten aanwezig zijn. Uit recente jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de rechter de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt ambtshalve mag (en wellicht zelfs moet) vaststellen, ook wat betreft vergrijpboetes.
In de tweede plaats komen nuanceringen of verbijzonderingen voor bij enkele van oorsprong strafrechtelijke beginselen, zoals het ne bis in idem-beginsel, het una via-beginsel, het nemo tenetur-beginsel en het beginsel dat de strafvervolging eindigt met het overlijden van de verdachte. Vanwege het fundamentele karakter van deze beginselen, de veelal imperatieve formulering in de nationale wetgeving en de taak van de rechter om ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen, heeft de rechter naar mijn mening terzake steeds een ambtshalve toetsingsplicht (op basis van het beschikbare dossier). In verband met het zelfstandige rechterlijke oordeel over de strafmaat (het passend en geboden-oordeel) geldt een dergelijke ambtshalve toetsingsplicht ook voor strafverminderende omstandigheden. Weer andere perifere stellingen, zoals de overschrijding van de redelijke termijn van berechting en verjaring, zijn van openbare orde. De rechter heeft wat deze stellingen betreft dan een zelfstandige onderzoeksplicht en moet dus zo nodig ook de feiten ambtshalve aanvullen.
Onderstaand geef ik de uiteindelijke bewijslastverdeling ten aanzien van de perifere stellingen schematisch weer.
Par. 9.4.?
Perifere stelling:
Primaire bewijslast op:
Uitzondering/bijzonderheid:
1*
AVAS en andere schulduitsluitingsgronden
boeteling (tegenbewijs, verzuim vs. vergrijp)
ambtshalve toetsingsplicht rechter/onschuldpresumptie
2*
Pleitbaar standpunt
(boeteling (stelplicht))(tegenbewijs, verzuim vs. vergrijp)
zelfstandige onderzoeksplicht rechter (rechtsoordeel, al dan niet na invulling stelplicht boeteling), ambtshalve toetsingsplicht rechter/onschuldpresumptie
3*
Rechtvaardigingsgronden
boeteling (tegenbewijs, verzuim vs. vergrijp)
ambtshalve toetsingsplicht rechter/onschuldpresumptie
4*
Toerekeningsarresten
boeteling (tegenbewijs, verzuim vs. vergrijp)
ambtshalve toetsingsplicht rechter/onschuldpresumptie
*
betreffen (mede) het schuldverband
5
Vrijwillige verbetering
boeteling/inspecteur (conform BBBB)
ambtshalve toetsingsplicht rechter
6
Ne bis in idem
boeteling
ambtshalve toetsingsplicht rechter
7
Nieuwe bezwaren ex art. 67q AWR
inspecteur
ook: centrale stelling
8
Una via
boeteling
ambtshalve toetsingsplicht rechter
9
Nemo tenetur
boeteling
ambtshalve toetsingsplicht rechter
10
Onrechtmatig verkregen bewijs
boeteling
11
Overschrijding van de redelijke termijn
(boeteling)
zelfstandige onderzoeksplicht rechter
12
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur en algemene rechtsbeginselen
boeteling
ambtshalve toetsing beleidsregels (facultatief)
13
Vaststellingsovereenkomst
boeteling/inspecteur
14
Procedurele regels en vormvoorschriften (formaliteiten)
boeteling/inspecteur
14.1
Ontvankelijkheid en andere kwesties van openbare orde
-
zelfstandige onderzoeksplicht rechter, behalve tijdigheid rechtsmiddel eerdere instantie
14.2
Gelijktijdigheidseis
boeteling
14.3
Mededelingsvereiste
boeteling (stelplicht)
effectief: bewijslast op inspecteur
14.4
Fair hearing en daaruit voortvloeiende waarborgen
boeteling
ambtshalve toetsingsplicht/zelfstandige onderzoeksplicht rechter
14.5
Goede procesorde
-
zelfstandige onderzoeksplicht rechter
14.6
Strafrechtelijke beginselen uit het (supra)nationale recht
boeteling
ambtshalve toetsingsplicht rechter
14.7
EU-recht
boeteling
ambtshalve toetsingsplicht rechter
15
Verjaring
-
zelfstandige onderzoeksplicht rechter
16
Overlijden
boeteling (erven)
ambtshalve toetsingsplicht rechter/inspecteur
17
Strafverzwarende en strafverminderende omstandigheden
inspecteur (strafverzwarend)/boeteling (strafverminderend)
ambtshalve toetsingsplicht rechter/inspecteur (strafverminderend)
18
Plaats in de verzuimenreeks
boeteling/inspecteur