Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.4
9.4.4 Toerekeningsarresten
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940762:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie omtrent de toerekeningsproblematiek paragraaf 9.3.4 hiervoor.
De opzet of grove schuld kan zijn gelegen in de (gebrekkige) keuze van of samenwerking met de adviseur (zie paragraaf 9.3.4.2 hiervoor). In Hof Amsterdam 27 oktober 2022, V-N 2023/11.22 oordeelde het Hof dat de boeteling niet had onderbouwd dat er sprake was van een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en dat de boeteling niets had gesteld op grond waarvan kon worden aangenomen dat hij de adviseur juist en volledig had geïnformeerd (r.o. 5.11). Naar mijn mening geeft dat blijk van een onjuiste bewijslastverdeling.
Zie voor een voorbeeld: Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2013, V-N 2013/50.4 (met name r.o. 4.3 en 4.6).
Onder de oude leer van de Hoge Raad was dat anders. De stelling ‘ik hoefde in redelijkheid niet aan de fiscale aanvaardbaarheid van de adviezen te twijfelen’ was een perifere stelling, zie paragraaf 9.3.4.1.
Dit gebeurt in de jurisprudentie ook daadwerkelijk, zie paragraaf 9.3.4.3.
Het gaat alleen om het bewijs van AVAS bij de boeteling zelf (vóór de toerekeningsarresten moest ook bij de derde-gemachtigde sprake zijn van AVAS, zie paragraaf 9.3.4.3).
Zie paragraaf 9.4.1, in het bijzonder paragraaf 9.4.1.3.
Een beroep op de toerekeningsarresten van de Hoge Raad van 1 december 2006 zal bij vergrijpboetes inhouden dat alleen de derde-gemachtigde met opzet of grove schuld heeft gehandeld, maar dat de boeteling zelf niet een dergelijk verwijt treft.1 Bewijsrechtelijk betreft dat de ontkenning van de aanwezigheid van ‘eigen’ opzet of grove schuld. De inspecteur zal die opzet of grove schuld (een centrale stelling) eerst moeten bewijzen.2 De stelling van de boeteling dat het verwijt alleen aan een ander is te maken, houdt de betwisting daarvan in en behelst dus het leveren van tegenbewijs.3 De stelplicht en de bewijslast rust dan op de boeteling. Van een perifere stelling is geen sprake.4
Een beroep op de toerekeningsarresten kan bij verzuimboetes gemakkelijk worden getransformeerd in een beroep op AVAS.5 De stelling houdt dan immers in dat alleen de derde-gemachtigde wellicht enigszins verwijtbaar heeft gehandeld, maar dat de boeteling zelf in het geheel geen verwijt treft.6 De bewijslastverdeling volgt bij verzuimboetes daarom de bewijslastverdeling zoals die voor het AVAS-verweer geldt. Bij betrokkenheid van een derde-gemachtigde zal zowel de inspecteur als de rechter moeten nagaan of de verwijtbaarheid alleen bij de derde-gemachtigde ligt en of er dus wellicht ten onrechte enige mate van schuld is toegerekend aan de boeteling (er bestaat een ambtshalve toetsingsplicht).7 In beroep zal de rechter ambtshalve moeten concluderen tot AVAS, wanneer uit de vaststaande feiten naar voren komt dat het verwijt alleen de derde-gemachtigde treft, zelfs als de boeteling zich daar niet uitdrukkelijk op heeft beroepen.