Einde inhoudsopgave
RvdW 2023/424
Art. 2A Opiumwet. Strafbare poging? Geen begin van uitvoering van invoer van cocaïne.
HR 28-03-2023, ECLI:NL:HR:2023:479
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28 maart 2023
- Magistraten
Mrs. J. de Hullu, M.J. Borgers, M. Kuijer
- Zaaknummer
21/01878
- Conclusie
A-G mr. B.F. Keulen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Opiumwet
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:479, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑03‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:151, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑02‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑11‑2021
- Wetingang
Essentie
Bewezenverklaring poging invoer cocaïne. ’s Hofs oordeel dat sprake is van een begin van uitvoering van invoer van cocaïne en daarmee van een strafbare poging is niet zonder meer begrijpelijk.
Samenvatting
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van een begin van uitvoering van invoer van cocaïne in Nederland. De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit HR 24 oktober 1978, NJ 1979/52, m.nt. Th.W. van Veen en HR 30 maart 2021, NJ 2021/227, m.nt. A.J. Machielse m.b.t. de vereisten voor strafbare poging. Het hof heeft geoordeeld dat ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.