RvdW 2023/440:Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag (€ 270.150) in verborgen ruimte van vrachtwagen onder klager t.z.v. verdenking van uitvoer van cocaïne en witwassen, waarna strafzaak tegen klager is geseponeerd. HR herhaalt relevante overwegingen uit NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis m.b.t. toepasselijke maatstaf bij beoordeling van klaagschrift van beslagene i.g.v. beslag ex art. 94 Sv. Rb is kennelijk van oordeel geweest dat het belang van strafvordering het voortduren van beslag niet (langer) vorderde. Rb heeft klaagschrift ongegrond verklaard omdat ‘voorshands niet buiten redelijke twijfel staat dat klager als eigenaar van inbeslaggenomen geldbedrag moet worden aangemerkt’. Daarmee heeft Rb een andere maatstaf toegepast bij beoordeling van klaagschrift dan hiervoor genoemde. Dit betekent dat haar beschikking ontoereikend is gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.