Einde inhoudsopgave
RvdW 2023/439
Hennepkwekerij in een door verdachte onderverhuurde woning. Medeplichtigheid aan (medeplegen) opzettelijk telen van hennep door woning te huren en deze beschikbaar te stellen aan onbekend gebleven personen, art. 3 onder B Opiumwet. Bewijsklacht opzet van medeplichtige op het door dader gepleegde misdrijf. Controleplicht (onder)verhuurder? Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij (medeplegen van) opzettelijk telen van hennep. Daartoe is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat opzet van verdachte was gericht op behulpzaam zijn a.b.i. art. 48 lid 1 Sr maar ook dat opzet van verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het door dader gepleegde misdrijf. Bewezenverklaring dat verdachte ‘opzettelijk’ gelegenheid heeft verschaft tot opzettelijk telen van hennep, kan niet zonder meer uit bewijsvoering worden afgeleid. Dat verdachte niet periodiek heeft gecontroleerd wat in woning gebeurde maakt dat niet anders. Volgt vernietiging en terugwijzing.
HR 28-03-2023, ECLI:NL:HR:2023:483
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
28 maart 2023
- Magistraten
Mrs. J. de Hullu, J.C.A.M. Claassens, A.E.M. Röttgering
- Zaaknummer
21/03521
- Conclusie
A-G mr. P.M. Frielink
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Opiumwet
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:483, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 28‑03‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:156, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑02‑2023
Essentie
Hennepkwekerij in een door verdachte onderverhuurde woning. Medeplichtigheid aan (medeplegen) opzettelijk telen van hennep door woning te huren en deze beschikbaar te stellen aan onbekend gebleven personen, art. 3 onder B Opiumwet. Bewijsklacht opzet van medeplichtige op het door dader gepleegde misdrijf. Controleplicht (onder)verhuurder? Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij (medeplegen van) opzettelijk telen van hennep. Daartoe is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat opzet van verdachte was gericht op behulpzaam zijn a.b.i. art. 48 lid 1 Sr maar ook dat opzet van verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.